In mijn voorgeslacht waren godvrezende mensen. Vooral
aan de gebeden van mijn vader merkten wij als kinderen dat hij een intense
omgang met de Heere had en dat de persoon van Christus bij hem centraal stond.
Ik herinner mij nog goed hoe hij met ons als kinderen sprak over de ernst van
de eeuwigheid en hoe hij ons ervan verzekerde dat Gods dienst een liefdedienst
is. Van jongs af aan had ik wel besef van deze geestelijke werkelijkheid, maar
het brak pas door op mijn achttiende jaar. Toen de speelkameraad uit mijn jeugd
aan een tumor in zijn hersenen overleed, realiseerde ik mij met een schok dat
ik zonder God was. Enerzijds kwam er een geweldige schrik in mijn ziel,
anderzijds een intens heimwee om God te kennen. Daarop is
een hele periode gevolgd van zoeken, geluk, gemis, ontdekking aan Gods wet,
hoop op genade, totdat alles meer en meer vastliep. Onvergetelijk is de dienst op 1 september 1982 in de Muurkerk van
Amersfoort waarin de oude ds. C. Smits voorging, die preekte over het
sterven van Mozes in Deut. 34:5. Het woord van Paulus werd daar voor mij
realiteit: ‘Toen
behaagde het God Zijn Zoon in mij te openbaren.’ Gerechtigheid, zekere zekerheid, vrede, leven! Daarna heb
ik tijden geworsteld met de zekerheid over de vergeving van mijn zonden, vooral
ook in verband met de vragen omtrent de orde van het heil. Aangezicht ik was
opgegroeid met oudvaders, vooral de Schotse en Engelse puriteinen, waren deze
mijn geestelijke leidslieden bij de vragen van mijn hart. Ze hebben mij enorm
geholpen om het onderscheid tussen wet en evangelie te gaan zien, te leren dat
het geloof rechtvaardigend van aard is en dat de grond van het geloof niet in
ons berouw ligt, maar in Christus’ offer en de onvoorwaardelijke nodiging tot Hem. Zo
bloeit de zekerheid op. Deze ontdekkingen gaven mij persoonlijk troost en
zekerheid. Ze stempelden ook mijn eerste preken. Er was nog
wel de nodige eenzijdigheid in mijn theologische en geestelijke inzichten. Daar
werd ik op een indringende manier mee geconfronteerd toen ik vanuit de
behandeling van de catechismus stuitte op het geheimenis van de Drieëenheid.
Ondanks allerlei verklaringen, kwam ik er niet uit. Ik voelde mij als een
geslagen hond toen ik de kansel afkwam. Het gaf studie en gebed om dit
heilgeheim meer te verstaan. Het is de weg geweest om te ontdekken dat het heil
christocentrisch-trinitarisch is. In die zin herken ik wel iets van de
ontwikkelingsgang van Calvijn: in de eerste druk van de Institutie bouwt hij
zijn theologie op vanuit de tegenstelling van wet en evangelie, later is de
relatie Vader-Zoon-Heilige Geest het uitgangspunt voor zijn theologisch denken. Door deze
meer trinitarische gedachtegang kwam er theologisch ruimte om het werk van de
Heilige Geest te benoemen, in nauwe samenhang met de menselijke ziel. Hoogten
en diepten, strijd en aanvechting, zekerheid en vreugde kunnen, mogen en moeten
een plaats hebben in de verkondiging. De geschriften van de puriteinen in het
algemeen en van John Owen in het bijzonder hebben een belangrijk aandeel gehad
in deze geestelijke verdieping. De
catechismus was ook op een andere wijze weerbarstig. In vraag 4 lezen we dat
Christus ons de wet leert. Naar mijn gevoelen had Christus met de wet niets te
maken. Immers, de wet verdoemt ons en het evangelie maakt levend. De benadering
van dit leerboek bleef echter bij mij hangen, totdat ik ging zien dat wet en
evangelie niet alleen aan elkaar zijn tegengesteld, maar tevens in elkaars verlengde
liggen. Het evangelie schaft de wet niet af, maar door de Geest wordt het recht
van Gods in ons vervuld (Rom. 8:4). Bovendien
werd het voor mij duidelijk dat de wet wordt verkondigd in het kader van het
genadeverbond. Het verbond kreeg gestalte. Zoals het ongehoorzame Israël Gods volk
werd genoemd, zo noemt de Heere vandaag de gedoopten Zijn volk. Er is
verwachting voor onze nakomelingen. Bovendien is het zo’n machtige
troost dat Gods Woord waar is, ook als wij niet waar zijn. Luther kon in zijn
hoogste aanvechtingen niet terugvallen op zijn bekering, maar beleed: ‘Ik ben
gedoopt.’ De les van
vraag 4 van de catechismus voerde mij ook tot een nader verstaan van zondag 23.
Aanvankelijk meende ik dat de rechtvaardiging een eenmalige zaak is in het
christelijk leven. Vraag 60 leert ons echter dat ons geweten ons niet
aanklaagde, maar aanklaagt. De rechtvaardiging is geen gepasseerd station,
maar gaat als een spiraal het hele christelijke leven door. Rechtvaardiging en
heiliging staan niet na elkaar, maar naast elkaar. Heiliging is geen vrucht van
de rechtvaardiging, maar van Christus. Romeinen 7
is van cruciaal belang voor gereformeerde theologie. Paulus spreekt hier niet
op een dieptepunt in zijn geestelijk leven. Integendeel, hij erkent dat hij een
vermaak heeft in de wet van God. Hoe geestelijker we zijn, hoe meer we
belijden: “Ik
ben vleselijk.” Dit is enorm vernederend, omdat het de christen
terugbrengt tot een arme zondaar. De kracht en de diepte van de zonde
onderschatten we al te gemakkelijk. Tegelijk geeft het een geweldige bevrijding
dat we niet volmaakt hoeven te zijn om een christen te zijn. Vooral de
theologie van Kohlbrugge is hier een corrigerende factor. Geven de Schotten wel
eens de indruk dat de bekeerde mens altijd bekeerd is, de prediker van
Elberfeld spreekt op een diepe wijze vanuit de blijvende nood van de christen.
Het geloof is geen sprong in de hoogte, maar een buigen in de diepte. Zijn
theologie kan naar mijn besef worden samengevat in de regel: ‘Schoon ik arm
ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig.’ Deze
kruistheologie geeft ons een nuchtere visie op Gods kerk en werk. Als er geen
volmaakte christenen zijn te verwachten, kunnen we dat zeker niet verlangen
van Zijn kerk. Zo krijgt wel het verlangen naar Gods toekomst fundamentele
betekenis. Alleen door het oordeel heen zal de hemel op aarde komen. Dit
betekent overigens niet dat er in onze theologie geen gezond radicalisme moet
zijn. Bonhoeffer herinnert er ons in zijn Navolging
aan dat de rechtvaardiging van de zondaar nooit kan betekenen dat wij de zonde
rechtvaardigen.
Er is een
ander probleem dat veel energie van mij heeft gevraagd. Hoe moeten wij
aankijken tegen de kerk van Christus in ons land? In de oud gereformeerde
gemeenten waarin ik ben opgegroeid, was oorspronkelijk een diep verlangen om
terug te keren naar de Nederlandse Hervormde Kerk. Mijn voorgeslacht is niet
oud-gereformeerd van origine; mijn ouders zijn beide hervormd gedoopt.
Bovendien is het een roeping om de eenheid zoveel mogelijk gestalte te geven.
Toen ik zag dat afscheiding geen garantie is voor zuiverheid en dat de
vaderlandse kerk nog steeds een gereformeerde identiteit had, heb ik gemeend
dat het mijn weg was om in de oorspronkelijke kerk van de Reformatie in ons
land te dienen. Wat een
schrik toen in 1991 voor het eerst een ontwerp voor de kerkorde van de nieuwe
kerk (thans Protestantse Kerk in Nederland) op tafel werd gelegd. Er was een
algemene verontwaardiging. Indrukwekkend was het samenzijn het volgende jaar in
Putten waar meer dan 1600 ambtsdragers ‘neen’ zeiden tegen deze nieuwe kerk en haar orde. Als
jong predikant had ik het gevoel dat hier iets heiligs gebeurde: Coram Deo werd een ‘neen’ uitgesproken,
waarbij ook de consequenties van dat ‘neen’ werden benoemd en aanvaard. Later is dat breed
gedragen ‘neen’ afgezwakt en
op grond van bepaalde veranderingen in de nieuwe kerkorde veranderd in een
beschroomd ‘ja.’ Ik heb dat op
alle mogelijke manieren proberen te begrijpen, ik zou me graag bij de
mainstream-kerk voegen, het gaf mij veel twijfels en onzekerheid, maar tot op
de dag van vandaag kan ik het niet meemaken. In alle bescheidenheid meen ik dat
de Nederlandse Hervormde Kerk de kerk van alle eeuwen in zich had en dat Samen-op-Weg
een breuk met deze katholieke traditie impliceert. Ik vind het nog steeds
vreselijk dat dit proces zich heeft voltrokken. Naar mijn besef is er iets
kapot gemaakt in de geschiedenis, in de kerk en in ons volksleven, dat nooit
meer geheeld kan worden. In deze
verschrikkelijke gebrokenheid mag ik vandaag theologie beoefenen in de
katholiciteit van de kerk. De Schotten leerden mij het onvoorwaardelijk
evangelie kennen, de puriteinen de kracht en diepte van het geestelijke leven,
terwijl Kohlbrugge mij bepaalde bij de blijvende gebrokenheid van het christelijke
leven in samenhang met de heilige positie bij God. Calvijn ga ik steeds meer
waarderen om zijn evenwichtigheid. Hij spreekt altijd met twee woorden. Terecht
is hij de theoloog van de Heilige Geest genoemd. De notie van de unio mystica is een onvergelijkbaar diep
inzicht dat ik via hem heb mogen ontvangen. Hetzelfde geldt voor de notie van
het vreemdelingschap. Naar mijn besef is in Calvijn een concentratie van
katholieke theologie aan te treffen. Luther heb
ik pas in de pastorie gelezen. Toen ik zijn Geknechte
wil las, was ik verontwaardigd dat ik daar in mijn theologische studie niet
op was gewezen. Treffender dan in dit werk kan het onderscheid tussen God en
mens niet worden getekend. De verlossing is buiten ons bereik en behoort – evenals de schepping
– tot
de alleenwerkzaamheid van de Verlosser. Dit betekent pure zekerheid en vastheid
van de verlossing. Nog steeds behoort dit belangrijkste theologische werk van
tot de top vijf van mijn theologische werken. Augustinus
las ik wel in mijn studententijd, maar ik begreep hem niet zo goed. Toen ik hem
later meer ben gaan begrijpen, ben ik hem ook meer gaan waarderen. Een
belangrijke notie bij hem is Gods orde: ‘Bewaar de orde, dan zal de orde u bewaren.’ Hij bedoelde
dit niet alleen huishoudelijk, maar fundamenteel. We worden in huwelijk, ambt,
kerk en schepping gedragen door Gods orde. Dit maakt ons enerzijds heilig
onbezorgd, het maakt ons anderzijds verantwoordelijk om God in Zijn heilige
tempel nauwkeurig te dienen. Reeds in
de tweede eeuw was er een theoloog in Europa werkzaam die nog altijd veel heeft
te zeggen, namelijk Irenaeus. In zijn tijd benadrukte hij dat de Verlosser
dezelfde is als de Schepper. Dat mag ons er vandaag aan herinneren dat de
schepping wordt verlost. In de negentiende eeuw is dit aspect weer onderstreept
door iemand als Gunning. In zijn De
prediking van de toekomst des Heeren (1888) brengt hij facetten onder de
aandacht waar we in de 21e eeuw nog steeds niet over uitgedacht
zijn. Het is een
schone bezigheid om de diepten van Gods Woord in de gemeenschap met alle
heiligen te verstaan. Wat hebben eeuwen van studie in en worsteling met de
Schrift ons nog maar een gering inzicht opgeleverd. Honderden jaren van
onderzoek in de schepping betekent dat we nog maar aan het begin staan van de
kennis van de natuur. Nog veel meer geldt dat wij geestelijk en theologisch
slechts ten dele kennen. Wat zullen we ons verbazen over de rijkdom van het
Woord als Christus in Zijn toekomst alle gordijnen zal wegschuiven en we Hem
zullen zien zoals Hij is! |