De stromen van de Geest (Titus 3:5-6)

1. De bron.
Met aanbidding en verwondering vervuld schrijft Paulus deze woorden aan Titus: God heeft ons zalig gemaakt. Dat is nog eens wat anders dan dat algemene spreken over God Die mensen zalig kan maken en wil maken en de zaligheid mogelijk maakt. Of dat we met een ernstig gezicht zeggen dat dit nodig is in een mensenleven: "Daar zal het op aankomen". Neen, Paulus gaat een stap verder. God heeft ons zalig gemaakt. Titus en Paulus zijn door God gered. Hij spreekt met overtuiging en zekerheid.
Paulus zegt niet dat God hem zalig zal maken bij zijn sterven of in de wederkomst, maar hij is zalig gemaakt. De redding is tot stand gekomen. Hij heeft vrede gekregen met God door het bloed van de Heere Jezus Christus in de kracht van de Heilige Geest. Paulus mag leven uit dit geweldige geheim.
Wat is dat heerlijk en rijk. Zeker in het licht van het tegendeel. Het alternatief is dat we moeten zeggen dat we niet zijn gered en dat we nog kinderen des toorns zijn, wandelend op de brede weg, vol van bederf. Laat ons bedenken dat het een van beiden is. We zijn gered of we zijn niet gered. Wat is het? Een indringende levensvraag die we niet aan de kant dienen te schuiven, maar eerlijk onder ogen moeten zien.
U hoort ook in deze woorden doorklinken dat God het heeft gedaan. Ik zeg het veel te zwak. Dat klinkt niet door, dat ligt er duimendik bovenop. Dat is de kern van deze tekst. De zaligheid is niet uit de mens, maar uit God. Paulus spreekt niet zo krampachtig als we zovaak horen; we moeten ons best doen en God doet de rest, we hebben toch onze verantwoordelijkheid, we moeten bidden en vertrouwen. Dan geeft God als het ware een extra duwtje aan de oprechte en zoekende zondaar. Niets van de zelfontplooiing waar onze cultuur zo vol van is. Neen, van dit geklets moet de apostel helemaal niets hebben. Er is geen weg uit de mens naar God. Er is slechts een weg uit God naar de mens. Calvjin merkt bij deze tekst treffend op: "Degenen die menen dat de mens macht heeft zichzelf te bereiden om tot God te komen zijn razende beesten (...) Wij wijken van God af, totdat Gods hand ons trekt". Rom. 9:16; het is niet degenen die wil, noch degenen die loopt..
Dit is het grootste geheim in een mensenleven; om erachter te komen en het er mee eens te zijn dat de zaligheid uit God is. Dat God een God van volkomen zaligheid is. Dat houdt in dat u en ik er geheel tussenuit moeten. Dat er geen peperkorreltje van mij meeweegt. En daar hebben we alles op tegen. Dat kost ons onszelf. Dat druist tegen alles van ons ik in. We willen niet sterven, maar leven.
Voor Paulus ligt het helder en klaar. Met grote overtuiging vertrouwt hij deze woorden aan het papier toe. Al is het een diepte waarvan hij de diepte ook niet peilen kan, al begeert hij de rijkdom daarvan meer te verstaan, al hunkert hij naar een vollere doorleving van dit geheim, daarmee is het voor hem niet onzeker en vaag. Het staat voor hem vast. Hij heeft het geleerd door de Heilige Geest. En dan is het niet wat blote theorie, maar het staat in de ziel gekerfd. Niemand en niets kan deze diepgewortelde overtuiging eruit krijgen. De ervaring is de beste leermeester. Zonder bevinding is het maar papegaaientaal.
Eigenlijk heeft Paulus hiermee alles gezegd, maar toch werkt hij het in een tussenzin nader uit. Dat is wel eens nodig. Als we dingen belijden, dienen we daarbij te belijden wat we derhalve verwerpen. We kunnen nooit alleen maar positief spreken, de negatieve kant is er onlosmakelijk mee verbonden. Zo lezen we: Niet uit de werken der wet die we gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid.
Paulus weet waarover hij het heeft. Hij laat zijn persoonlijke ervaring hierin doorklinken. Hij heeft heel wat werken van de wet gedaan. Hij leefde onberispelijk. Hij hield zich aan alle wetten en voorschriften. Hij nam het ernstiger dan de gemiddelde Jood, hij was een farizeeër. Hij vastte tweemaal in de week en gaf tienden van al zijn bezit. Als iemand om de werken der wet zalig kon worden, was het Paulus wel.
De Heere heeft zijn levensweg op weg naar Damaskus gekruist. En toen is alles anders geworden. Daar heeft Paulus een geweldige ontdekking gedaan. Hij heeft geleerd dat zijn werken hem niet een millimeter dichter bij God hadden gebracht. Al zijn inzet woog bij God voor geen grammetje mee. Dat is onthutsend. Je hebt je jarenlang gegeven, je ingezet en je bent er helemaal niets verder mee gekomen.
De ontdekking van Paulus ging nog dieper. Het was niet zo dat Paulus met al zijn toewijding terug bij af was. Neen, het was nog veel erger. Hij stond niet bij het nulpunt, maar ver erachter. Zijn deugden van bidden, bijbellezen, aalmoezen waren bij God blinkende zonden. Waarvan hij meende dat het bezit was, liet de Heere zien dat het schuld was. Waarvan hij meende dat het winst was, toonde de Heere de harde werkelijkheid; het was allemaal verlies. Kortom, de geestelijke balans van zijn leven was compleet in het rood geschreven. Hij is compleet over de kop gegaan. Hij kwam met lege handen voor God te staan. Hij had alleen maar schuld. Meende rijk en verrijkt te zijn (Openb. 3:18).
Zo ging het met Paulus, maar zo gaat het met ieder kind van God. De omstandigheden kunnen verschillen, maar de les die we leren is gelijk. Al Gods kinderen leren het Paulus nazeggen dat de werken der wet ons niet in de goede richting brengen. Voor de wedergeboorte kunnen wij niets anders doen dan zonde... (vraag 8 HC) In de kerkgeschiedenis is dit steeds weer bestreden. Augustinus moest het opnemen tegen Pelagius en Luther schreef tegen Erasmus zijn "De knechtelijke wil". Onze wil bereden door duivel. Mens kan niets goeds willen. "Zonder HG alleen rebellie en hypocrisie in ons (...) Wat wij vrije wil noemen is slavernij van lusten, wat wij verstand noemen is dwaasheid" (Calvijn).
Zo leren we het geweldige geheim van een mensenleven dat wij niet zalig worden uit de werken van de wet, maar naar Zijn barmhartigheid (eleos). Niet alleen het negatieve is voor Paulus ervaringswerkelijkheid, maar ook deze machtige belijdenis. Paulus heeft in het geopende hart van God geblikt. Hij heeft de oneindige diepte daarin gezien. God is barmhartig. Dat is Zijn hart. Dat is Zijn wezen. Het wil zeggen dat God een brandend hart heeft. God heeft een hart voor zondaren. Hij ziet de geweldige schuld. Hij weet van de verlorenheid. Hij weet hoe ernstig Zijn eigen toorn over de zonde is. Hij ziet de machten van de zonde en de dood en de duivel hun verwoestende werk doen. En dat gaat God ter harte. Het zijn tenslotte Zijn eigen schepselen.
Dit brandende hart van God is iets anders dan dat God emotie heeft. Dat is meestal niet veel waard. Dat is de ene keer meer en de andere keer meer minder. Onze stemmingen wisselen nog wel eens. Mensen kunnen geweldig zijn aangedaan als ze de nood in Enschede vernemen, maar na een paar weken zijn we er al weer aardig aan gewend.
Gods barmhartigheid is veel meer dan emotie. We hebben in de Schrift een geweldig voorbeeld van Gods barmhartigheid, namelijk in de gelijkenis van de barmhartige samaritaan. Die man komt voorbij zijn vijand die nooit iets van hem heeft willen weten. Nu ligt hij half dood aan de kant van de weg. Hij is door struikrovers aangevallen, mishandeld, berood en ze hebben hem als oud vuil aan de kant laten liggen om hem daar te laten sterven. De priester en de leviet mengden zich hier niet in. Maar de samaritaan had een brandend hart. Hij was barmhartigheid. Hij ging niet staan huilen bij deze ellendige stakker. Hij hief geen klaagzang aan. Hij reisde niet jammerend verder om te vertellen wat hij wel had gezien. Neen, hij kwam van zijn ezel, reinigde de wonden, verbond ze zorgvuldig, offerde zijn tijd en zijn geld om deze arme stakker te helpen. Dat is barmhartigheid. Dat blijkt in daden (hebreeuws heeft eleos te maken met ‘chesed’= verbondstrouw in relatie: Daden Gods in heilshistorie). Het brandende hart van God is vlees en bloed geworden in de geboorte van Zijn Zoon. Gods barmhartigheid is met de handen te tasten.
Daar jubelt Paulus over. Al de snaren van zijn ziel trillen mee in verwondering en heilige aanbidding. Het is zijn eten en drinken om God te verheerlijken en Hem te prijzen. zijn ziel bloeit open. Mijn redding ligt niet in mij, maar in God. In Gods hart. Zo is God. God doet niet alleen zo, maar God is zo. Daarom ligt de zaligheid zo vast. Het ligt vast in God. Onze redding is geen stemming in God, maar is verankerd in Zijn wezen, in de eeuwigheid. God zou geen God meer zijn als Hij niet de barmhartige zou zijn. Steeds meer ziet hij de diepte erin. Als Paulus dit schrijft is hij al behoorlijk oud geworden en dichtbij zijn einde. Hij is er niet op uitgekeken. Het is voor hem geen dorre belijdenis, maar een levende aanbidding. Heere, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan. Het is een oceaan om voor eeuwig in te verzinken. Alle roem is uitgesloten. Door U alleen om het eeuwig welbehagen.
Barmhartigheid is niet te claimen, maar mag wel worden verwacht. God is zo.

2. Het bad.
We hebben gezien waar de zaligheid ontspringt; in Gods hart, in de eeuwige God, in Gods eeuwige plan van redding en zaligheid. De stromen van heil borrelen op uit God Zelf. Ze zij niet opgewekt door iets in de zondaar; noch zijn ernst, noch zijn ellende.
Maar dan komt de vraag hoe het verder is gegaan met die barmhartigheid van God. Barmhartigheid krijgt handen en voeten. Hoe heeft God Zijn brandende hart handen en voeten gegeven. Wat doet God om zondaren te redden? We zullen de neiging hebben om hier te spreken over het zenden van Gods Zoon naar deze aarde, over Zijn lijden en sterven, Zijn opstanding en hemelvaart. Het opvallende is dat dat hier niet staat. Paulus schrijft niet over de Persoon en het werk van Christus, maar over het werk van de Heilige Geest. God maakt zalig door het bad der wedergeboorte en de vernieuwing van de Heilige Geest Die Hij rijk over ons heeft uitgegoten.
Laat het helder zijn dat dit geen tegenstelling is of een afwijking betreft. Christus en Zijn werk staan in het leven van de apostel centraal. Hij heeft niet voorgenomen iets te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Toch kan Paulus het in deze tekst zo doen, omdat Christus en Zijn Geest geen tegenstelling zijn. Christus heeft de Geest verworven. Christus zendt de Geest (Hand. 2:33, Joh. 15:26, 16:7). De Vader doet het in de Naam van de Zoon (Joh. 14:26). De Geest neemt het uit Christus. De Geest verheerlijkt Christus. De Geest schept de gemeenschap met Christus. Als het over de Geest gaat, gaat het altijd over de Geest van Christus.
Dit is veelzeggend. We kunnen geen tegenstelling maken tussen Christus en de christen, en de kenmerken van de christen. Je hoort wel eens van die slogans dat we niet de kenmerken moeten preken, maar Christus. We scheiden zo wat we niet mogen scheiden. Christus handelt door Zijn Geest in de harten en levens van mensenkinderen. De werking van Zijn Geest is herkenbaar aan bepaalde kenmerken. De Geest trekt sporen in een mensenleven. Zijn werk blijft niet vaag en schimmig. Weerstand tegen kenmerken komt niet zelden voort uit een gebrek aan deze kenmerken. En wie dat niet onder ogen wil zien, gaat zich verzetten tegen de boodschap onder het mom dat hij of zij zo op Christus is betrokken. "Zonder HG is lijden van Christus ijdel (...) dood JC effectief in ons door HG" (Calvijn).
Paulus richt zich hier niet op de verwerving van de zaligheid, maar op de toepassing ervan. Gods barmhartigheid krijgt handen en voeten door de wedergeboorte. Wat is dat? Het woord wedergeboorte kunnen we splitsen in twee delen. In de eerste plaats is de wedergeboorte een wedergeboorte. Het gaat hier om het opnieuw worden geboren. Je wordt weer geboren.
Dat moeten we niet lichamelijk en schepselmatig opvatten. Je persoonlijkheid blijft in stand. Je karakter en je IQ verandert niet. Je blijft mens en je doet hetzelfde werk als je altijd hebt gedaan. Je blijft in hetzelfde gezin wonen en met dezelfde vrouw getrouwd. Dit woord is een geestelijk begrip. Je wordt geestelijk opnieuw geboren. De geestelijke wortel van je leven wordt nieuw.
Waarom? De eerste geboorte deugt niet. En er is ook niets mee te beginnen. We zijn geboren uit Adam, in de zonde. Jezus zegt zelfs tegen godsdienstige ouderlingen dat zij uit de vader de duivel zijn. De eerste geboorte is uit het vlees. En wat uit het vlees geboren is, dat is vlees (Joh. 3:6). Je kunt er alles aan doen, aan schaven, opvoeden, maar het blijft vlees. Het kan een heel godsdienstige vorm krijgen en zich religieus uiten, het kan heel emotioneel en enthousiast zijn, het kan gepaard gaan met verrukkingen en visioenen, teksten en tekenen, maar het blijft vlees. Het wordt nooit en te nimmer geestelijk, hoe geestelijk het zich ook voordoet. Vlees en bloed zullen het koninkrijk van God niet be-erven. Een kat kan een lief huisdier zijn, maar als er een vogeltje in de buurt komt, blijkt de tijgeraard. Zo kan een mens heel burgerlijk zijn, maar op bepaalde momenten uit zich de oude natuur die geneigd is God en de naaste te haten.
Als Gods mensen redt, doet Hij dat niet door het oude levenshuis te renoveren en te restaureren, maar te regeneren. Er komt een nieuw fundament onder het levenshuis. Het is niets minder dan een compleet nieuwe geboorte. Dat straalt door je hele leven heen, het beïnvloed je karakter, je denken, je staan in het leven, je huwelijk en je hele persoonlijkheid.
In de tweede plaats is de wedergeboorte een geboorte, een geestelijke geboorte. Wat betekent dat? 1. Er is geen enkele baby die inbreng heeft in de geboorte. Noch over het feit, noch over de tijd van de geboorte is overleg met de baby. Geestelijk is het niet anders. God vraagt niet of jij wedergeboren wil worden. Hij gaat niet overleg. Neen, Hij doet het gewoon. God werkt de nieuwe geboorte zonder ons in ons. Het volstrekt onmogelijk om dat werk van God tegen te houden en ongedaan te maken.
2. Het is een geboorte uit God. Dat betekent dat je door wedergeboorte pas werkelijk een kind van God bent. In zekere zin is God onze Vader door de schepping, Hij is het als verbondsgod, maar de geestelijke vader-kind relatie wordt geboren uit de wedergeboorte. We zijn niet uit de wil des mans, noch uit het vlees, maar uit God geboren. O heerlijk wonder; ziet hoe grote liefde God ons heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden (1 Joh. 3:1).
3. Je was er eerst niet en nu ben je er wel. Zo is het geestelijk ook. Er was eerst geen geestelijk leven, nu is er geestelijk leven. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel. Het oude is voorbij gegaan, het is alles nieuw geworden (2 Kor. 5:17). M. Henry merkt op er een groter verschil is tussen een onwedergeborene en een wedergeborene dan tussen een kind van God op aarde en een kind van God in de hemel. Het laatste is een gradueel verschil, maar niet principieel. Genadeleven is in de knop een hemels leven.
Je ziet de dingen heel anders, namelijk op een geestelijke wijze. Je komt totaal anders in het leven te staan. We kunnen het geweldige geheim van de wedergeboorte kort maar krachtig zo weergeven. God gaat voor je leven. Voorheen was God een begrip, maar nu wordt God een levende persoon. Het voorpaginanieuws van de krant (voetbalfeest) de hele (kerkelijke) wereld met al haar drukte en gewichtigheid verbleekt voor je, zelfs alle andere personen, zelfs je vrouw en kinderen. Je zorgen en zelfs je leven worden in het licht van Gods majesteit en de eeuwigheid betrekkelijk. Je gaat God kennen, Hem ontmoeten. Het licht van Zijn heiligheid straalt door je heen. Zonden komen openbaar, de zondigheid ervan, de veelheid ervan, de wortel ervan. Al je onzuivere motieven komen openbaar. Je ziet God in Zijn heerlijke genaderijkdom, in Zijn wijsheid, Zijn soevereiniteit, Zijn eeuwigheid. Zijn heerlijkheid straalt in je donkere ziel en verdrijft de duisternis. Je wordt op Hem geworpen en door Hem overwonnen. Het gaat nog een stap verder; God blijft niet buiten, maar treedt in gemeenschap met je. Je wordt afgesneden van de eerste levenswortel Adam en je wordt in God ingeplant. God woont door Zijn Geest in jou. Wat ziel is voor lichaam is Geest in ziel. Je leeft uit God, je zoekt God, je hunkert naar Hem, je verlaat je op Hem, je leeft tot Zijn eer, er komt een nieuwe richting in je leven, kortom, je wordt opnieuw geboren.
Opmerkelijk is dat Paulus spreekt over een bad der wedergeboorte. Wie gaat er in bad? Degene die vies, vuil en zweterig is (in het warme Oosten). We kunnen deze woorden net als alle andere woorden in het NT niet los lezen van het Oude Testament. In het OT was er het koperen wasvat tussen het brandoffer en het heilige. De priester moest zich wassen voordat hij zijn ambt kon opnemen (Lev. 8:6), en voor elke nieuwe dienst (Lev. 16:4). (Ook gereinigde melaatse baadt zich met water na 2 vogels en zevende dag en scheren, terwijl alle haren scheren Lev. 14:8) Later plaatst Salomo een koperen zee, met een doorsnede van ruim vijf meter, geplaatst op 12 runderen. De boodschap is duidelijk. Zelfs al is men priester, dan moet men gewassen worden voordat men in Gods heiligdom kan toetreden.
Wat in het Oude Testament ceremonieel werd uitgebeeld, is nieuwtestamentisch vervuld. Er is geen toegang tot Gods heiligdom, tot de hemel, tot God Zelf, zonder dat men wordt gereinigd. In de hemel komen alleen gewassen zondaren. Overspelers, onboetvaardigen, dieven zullen het rijk van God niet erven.
God doet Zijn zondaren in bad (Ps. 51:4 ber.). Hij dompelt hen onder. Hij laat het bloed en de Geest van Christus doordringen in hun ziel. Zo komen ze gereinigd naar boven (1 Joh. 1:7). Ik denk aan Naaman. Hij was melaats. Zoals de zondaar melaats is van de hoofdschedel tot de voetzool toe. Hij moest zich baden in de Jordaan. Hij had er helemaal geen zin in. Maar hij deed het. Na zesmaal baden was er nog niets te zien, maar toen hij de zevende keer boven kwam was hij geheel rein. Een type van het bad der wedergeboorte.
God doet zondaren in bad. Met heel je wezen ervaar je dat. Ze komen rein tevoorschijn. Hij wast niet alleen af van het uiterlijke vuil of de ceremoniële onreinheid, maar Hij wast de zonde af. Wat salpeter zelfs niet voor elkaar krijgt (Jer. 2:22), dat doet het bloed en de Geest van Jezus Christus. De schuld wordt compleet afgewassen, terwijl ook de kracht van de zonden is gebroken. Een zondaar komt nieuw en fris uit bad, herboren en herschapen.
Veel verklaarders leggen een verband met het bad der wedergeboorte en de doop (Ef. 5:26). Het water van de doop is niet het bad van de wedergeboorte, maar het is er wel een teken en zegel van. De druppels wijzen op de stroom van Pinksteren. Mist u deze nieuwe geboorte, dan mag uw doop een pleitgrond bij God zijn, opdat ook u dit geheim ontvangt en doorleeft. God bedriegt u niet in heilige doop.

3. De douche / fontein.
Er staat nog iets achter. God maakt zondaren zalig door het bad der wedergeboorte. En door de vernieuwing van de Heilige Geest Die zo rijk over ons is uitgegoten. Wedergeboorte en vernieuwing horen onlosmakelijk bij elkaar. Wedergeboorte is de beslissende wending in ons leven, het nieuwe begin, maar daarna stopt het niet. Neen, dan begint het pas werkelijk. Na de geboorte van een baby begint de ontwikkeling. Daarop wijst ons het woord vernieuwing.
Het woord vernieuwing is in het kerkelijke leven een populair woord. Een gemeente zonder vernieuwingen is de naam van gemeente nauwelijks meer waard. Goede predikanten zijn degenen die als managers veranderingen weten door te voeren. De hoeveelheid activiteiten wordt een graadmeter van geestelijk leven. Over zulke vernieuwingen gaat het hier niet. Het gaat hier niet over menselijke activiteiten, maar over de activiteit van de Heilige Geest. Het gaat niet over uiterlijke vernieuwingen, maar over de innerlijke vernieuwing van het hart.
Het is de vernieuwing van de Heilige Geest. Alle verandering in een mensenleven is dus geen prestatie van mensen, een tegenprestatie voor alle genade van God, maar ook gratie, een werk van de Heilige Geest. Mensen vertillen zich aan de boosheid van ons hart. Zelfs engelen zijn niet in staat om de zonde te overwinnen en te doden. Alleen de Heilige Geest is in staat om de macht van het vlees, de oude natuur, te overwinnen en te doden (Rom. 8:13). Zoals Hij de chaos van de aarde leven en harmonie heeft gegeven in de schepping, zoals brengt Hij ook de ziel van de zondaar in de herschepping op orde.
De Geest vernieuwt een mensenleven. Hij doet dat van dag tot dag (2 Kor 4:16). Er is geen dag in het leven der genade dat Hij Zijn vernieuwende werk niet doet. Het is net als op de luchthaven Schiphol. Daar is men altijd wel bezig met de een of andere verbouwing. Stukken worden afgebroken en vernieuwd. Zo is de Heilige Geest altijd actief in de tempel waar Hij woont. Nooit is Zijn werk af. Niet dat je dat de vordering van Zijn werk elke dag even duidelijk ziet. Het is net als met de groei van een boom. Als je elke dag gaat kijken zie je niet dat de boom dikker wordt. Maar als je eens per jaar de omtrek opmeet, zie je duidelijk dat er leven en groei is. Zo is het geestelijk ook. De Geest gaat door.
De vernieuwing van de Geest kan langzamer of sneller gaan, maar staat nooit stil. Ook als wij alles doen om het uit te blussen en weg te drukken. Er zijn tijden van ingezonkenheid, van sleur, van geestelijke routine en oppervlakkigheid. Er zijn tijden dat kinderen van God zich afvragen of ze wel werkelijk zijn wedergeboren en ze nergens meer bij kunnen en het van binnen zo verschrikkelijk donker is. Men nadert wel met de lippen, maar het hart is er niet meer in (Matth. 15:8). Er is verlies van overtuiging, de eerste liefde verkoelt, het bidden is een biddeloos bidden geworden. De kracht der godzaligheid wijkt. We zoeken God niet meer boven alles als de fontein van vreugde en verzadiging. Formalisme kruipt naar binnen. Dagen worden weken en weken worden maanden. En toch houdt God Zijn werk in stand en het gaat door. Hij laat het geestelijke leven weer opveren. Er komt nieuwe boete en nieuwe vreugde in Gods heil.
De tijden waarin de grootste vorderingen worden gemaakt zijn meestal de tijden van kruis en tegenspoed. In een maand tegenspoed leer je vaak meer van de kracht van Gods genade dan in een jaar onderwijs vanuit het Woord van God. Onze eigen kracht en wijsheid wordt dan gebroken en de Geest gebruikt dat als een spoor om Zijn heiligende invloed in het bijzonder uit te oefenen in de diepte van onze ziel. We ontvangen inzichten in het Woord. Dit zijn geen theoretische inzichten, maar het gaat door ons heen. We worden vernieuwd naar het beeld van de Heere Jezus Christus. Geen leed zal het uit ons geheugen wissen. Het stempelt ons leven en onze levensrichting.
De Geest werkt onweerstaanbaar. Er zijn geweldige tegenkrachten werkzaam. Van buiten de duivel, van binnen ons vlees dat zich met hand en tand verzet tegen heiliging, zelfverloochening, kun je begrijpen, het is de doding van onze oude natuur. Het betekent dat ons ik terrein moet prijsgeven, ons laten bespelen als een muziekinstrument door HG. Hij heeft de leiding.
Het woord vernieuwing dat hier wordt gebruikt, ziet op iets totaal nieuws, nieuw in aard en hoedanigheid. Nieuw hangt samen met verrassend ingrijpen Gods, verwant met nieuwe hemel en nieuwe aarde, nieuw Jeruzalem. Iets dat er eerst niet was, dus scheppend. Het is geen terugkeer naar het eerste begin van ons leven, maar een totaal nieuwe stand van zaken. Er komen nieuwe verlangens, een nieuwe levensrichting, een nieuwe kennis, een nieuwe liefde, een nieuwe wil. Was er eerst vijandschap tegen God, nu is er liefde tot Hem. Saulus wordt Paulus. Een tollenaar verliest liefde tot geld en volgt Jezus. Was er eerst verzet tegen Gods wet, nu krijgen we deze lief. Waren we eerst blind, nu zien we. Was er eerst onwil, nu zijn we zeer gewillig op de dag van Gods heirkracht. Waren we eerst geestelijk dood, nu zijn we levend geworden. Er komt honger en dorst naar de Heere. Onze overdenking van Hem is zoet. We dragen ons kruis met vreugde in overgave en onderworpenheid.
We zien daar iets van als we het tekstverband bezien. Paulus schrijft deze brief aan Titus die op het eiland Kreta moet arbeiden. Titus geen man compromis. In Korinthe problemen opgelost. Er zijn daar gemeenten, er waren kretenzen op pinksterdag, maar het kerkelijke leven is erg rommelig en chaotisch. Bovendien zijn er veel dwalingen. We kunnen ons voorstellen dat op zo’n eiland in de Middelandse zee, op het kruispunt van Azie, Afrika en Europa vele opvattingen en culturen en filosofieen naar binnen komen. Titus is daar door Paulus aangesteld om ouderlingen aan te stellen en de dwaling te weerleggen. Een gemeente is immers meer dan een groep christenen.
Waar Paulus vooral op wijst is dat het christelijke leven geen levensbeschouwing is, maar een kracht. Paulus schrijft in vers 3 dat wij eertijds onwijs waren, ongehoorzaam, dwalend, enz. U hoort dat hij zichzelf erbij insluit. Hij licht eigen doopceel. "Van nature erger dan beesten (...) voordat God ons vernieuwt alleen dwaasheid in ons (...) we dragen golf van hel in ons" (Calvijn). Paulus heeft het niet over de de Kretenzen met hun luie materialistische buiken, over hun leugenachtige karakters (Tit. 1:12), maar hij brave farizeeër was onwijs. Hij wist het beter dan God. Hij verwierp de waarheid en had de duisternis liever dan het licht. Hij was ongehoorzaamheid. De prediking van Gods Woord was als een klap op het water; het water voelt er niets van. Hij dwaalde, hij misleidde zichzelf met een valse hoop op de zaligheid. Hij diende lusten, ambities. Net als andere mensen was hij een geboren slaaf, hetzij van geld, roem, macht, genot, drank en hij noemde het nog plezier ook. Hij leefde in nijdigheid, jaloezie, hij gunde ten diepste een ander zijn voordeel niet, vooral niet als hij tegenspoed had. Hij ziet terug op eertijds. Dat is nodig om ons niet te verheffen en afkomst te herinneren. Deze dingen zijn veranderd! Gods Geest heeft daarin ingegrepen. Er is een andere dimensie in het leven gekomen. En dat zal in het leven openbaar komen.
Er was eens een christen die liep met een boekje op zak met drie bladzijden. Iemand vroeg hem wat dat voorstelde. Hij toonde de inhoud van zijn levensboek. De eerste bladzijde was zwart. De tweede bladzijde rood. De derde bladzijde wit. U verstaat de strekking.
Ik kan me voorstellen dat u wat moeite hebt met deze voorstelling van zaken. U ziet zo weinig van die derde witte bladzijde. U leest hier dat de Geest over u is uitgegoten. Dit woord "uitgieten" spreekt reeds van overvloed. En om het dan nog eens te onderstrepen staat er dat Hij rijkelijk is uitgegoten. Hoe zit dat? U hebt het gevoel dat het bij u maar druppeltjes zijn, zo minimaal allemaal. Er is helemaal geen sprake van een kracht en overvloed, een fontein van de Heilige Geest.
a. Laten we de Geest niet bedroeven door Zijn kracht te ontkennen. Christenen worden niet van de ene op de andere dag volmaakte mensen. Er is blijkbaar zoveel te vernieuwen in onze ziel dat de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft van de nieuwe gehoorzaamheid. Er zijn duizenden zonden te doden. Maar de doding van die ene zonde is ook de kracht van de Geest. Dat is geen werk van ons, of van een engel, maar Zijn goddelijke kracht. De constante invloed van de Geest in uw leven zijn druppels uit de lopende fontein. We bedroeven Hem als we Zijn werk ontkennen.
b. Tegelijk mogen we zeggen dat er veel meer is dan we beleven. De pinkstervolheid is rijker dan het armetierige geestelijke leven dat we met elkaar leven. Laten we de normen van de Schrift niet afmeten aan de praktijk onder ons. We zwoegen wat af om de dingen bij elkaar te houden en vast te houden. Allemaal lapmiddelen zonder de Geest. Een nieuwe uitstorting van de Geest in ons midden doet meer dan alle onze congressen, rapporten en vergaderingen.
Laat ons begerig zijn naar de volle inwoning en doorwerking van de Geest, naar de vervulling met de Geest, naar een geheiligd leven, naar een leven waarin het merkbaar is dat we niet slechts een gedaante van godzaligheid hebben ontvangen, maar de kracht ervan. Een leven waarin de zalving van de Geest manifest is, in de zalving tot profeet, getuige zijn, vrijmoedigheid en zekerheid als de Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. Priester zijn gedrongen door de liefde van Christus onszelf opofferend tot een levend dankoffer. Koning zijn in heilige onafhankelijkheid van de publieke opinie, maar neen zeggend tegen zonde en dwaling, een leven van hemelsgezindheid en hemelsgerichtheid.
Wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt vernieuwd door de vernieuwing van uw gemoed (Rom. 12:2). Van dag tot dag. Uw lichaam veroudert, maar uw geest wordt steeds jonger, totdat op de jongste dag de eeuwige jeugd zal aanbreken. Geen betere kuur tegen veroudering. Maar blij vooruitzicht dat mij streelt. Eindelijk de voltooide vernieuwing, verlost van de zonde en mijn ik. Hij vervult Zijn belofte: Zie, Ik maak alle dingen nieuw, de wedergeboorte van hemel en aarde. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Velen willen wel naar de hemel, maar dan zonder vernieuwing, zonder breken met de zonde en de wereld en het eigen ik. Zonder vernieuwing zullen wij God niet zien en in Zijn rijk niet binnengaan.

literatuur: Calvijn, Henry, Gill, preek Calvijn, preek Spurgeon (preek 2042), Kittel, kantt., C. den Boer, Outhof (perkament).