De didrachmen betalen (Matth. 17:24-27)
Jezus komt na veel omzwervingen weer in Kapernaum. Het is de plaats waar Petrus een woning heeft (Matth. 8:14) en waar Jezus zijn thuisbasis heeft (Matth. 4:13). Deze plaats heeft "Zijn stad" (Matth. 9:1). Maandenlang is Hij afwezig geweest. Ze zijn in de streken van Tyrus en Sidon geweest. Daar vond de gebeurtenis plaats van de Kananese vrouw. In de streken van Ceasarea Filippi heeft Petrus de machtige belijdenis uitgesproken dat Jezus niet slechts een profeet is, maar de Christus, de Zoon van de levende God. Op de berg Thabor heeft de verheerlijking plaatsgevonden en bij de afdaling van de berg de ontmoeting met de vader van de maanzieke knaap.
Het is voor de laatste maal dat Jezus in Kapernaum is. Hij zal definitief gaan vertrekken uit Galilea. Als Hij nu opnieuw naar Jeruzalem gaat, is het om daar als Paaslam te worden geslacht. Onderweg heeft Jezus daarover voor de tweede maal met Zijn jongeren. Mensen zullen Hem nemen en grijpen en doden. Hij zal niet bij hen blijven. De banden zullen worden verbroken. Hij zal sterven om zo het leven te verwerven. Er is geen andere weg dan de weg van het vervloekte kruis. Alleen zo kunnen zondaren worden verlost van de vloek van Gods wet. Tegelijk geeft Hij het machtige perspectief erbij dat Hij de dood zal overwinnen en roemrijk zal opstaan uit de dood. Dat zal geen eeuwen duren, reeds op de derde dag zal Hij triomferen. Blijkbaar horen de discipelen het laatste niet. Het eerste is zo blijven hangen, dat ze bedroefd zijn. Bovendien is het zo onwerkelijk, ze zien alleen maar de dood voor ogen.
In deze stemming komt Jezus met Zijn gevolg te Kapernaum. Het kleine lieflijke dorpje, aan de oever van de zee van Tiberias, waar zoveel wonderen zijn gebeurd. Nergens zijn zoveel wonderen gebeurd. Het heet dat Kapernaum tot de hemel toe is verhoogd. Hier was het dat Levi uit het douanekantoor werd geroepen. Hier is de schoonmoeder van Petrus zo wonderlijk genezen. Hier in de synagoge is de melaatse neergeknield met bede:Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Een bezetene gered uit de banden. De verlamde door het dak kreeg niet alleen vergeving, maar ook genezing.
Petrus loopt buiten in de schaduw van de slanke palmbomen. Er komt iemand naar hem toe. Het is een van de degenen die is opgedragen om de belasting te innen. Waar moeten we dan aan denken? Is dit een soort tollenaar in dienst van de Romeinen? Neen, daarover gaat een andere geschiedenis (Matth. 22:17). Daarvoor gebruikte men ook ander geld, namelijk met de beeltenis van de keizer erop. Men wil Hem dan in de val strikken door de vraag of je aan de heidense keizer belasting moet betalen. Dat wordt immers zo misbruikt voor allerlei slechte doeleinden. U kent dat wel. Maar Jezus is daarin duidelijk: "Geeft de keizer wat des keizers is, en geeft Gode wat Gods is". Dus op zwart geld rust geen zegen, ook niet als je het wit wast in de collectezak.
Daarover gaat het in dit verband niet. Sommige verklaarders willen dat wel zo uitleggen. Ze verwijzen dan naar de opmerking van Jezus over de koningen van de aarde die geen schatting vragen van hun familie. Jezus betaalt de schatting voor Zichzelf en voor Petrus. Dan zou je de toepassing kunnen maken dat predikanten geen belasting hoeven te betalen. Het zou wel aardig zijn, maar het is niet de bedoeling. Als hier het voorbeeld wordt gebruikt van de koningen der aarde, dan is dat inderdaad alleen maar een voorbeeld, een vergelijking. Bovendien, een rijksambtenaar hoeft niet met Jezus te praten. Die kan zondermeer vorderen. En nog een opmerking; voor belasting aan de Romeinen werd ook een ander woord gebruikt. Men kon tevens alleen met Romeins geld betalen.
Neen, het gaat niet over de belasting aan de Romeinen, maar het gaat over de belasting voor de tempel in Jeruzalem. Elke morgen en middag worden daar offers gebracht. Op de sabbat en feestdagen dubbele offers. Er is hout nodig voor de offers. De toonbroden worden steeds verwisseld. Er zijn talloze algemene kosten. Het is al eeuwen de gewoonte dat de Joden daar elk jaar persoonlijk voor betalen. Iedere strijdbare man van twintig jaar of ouder moet een halve sikkel per jaar betalen. In de dagen van Mozes was dat reeds een voorschrift (Ex. 30:13). Vrouwen en kinderen en slaven waren uitgesloten, maar verder moet ieder hetzelfde bedrag betalen. Er is nog wel discussie in het Jodendom of priesters dit nu ook moeten betalen of dat zij vrij zijn. Priesters zelf vinden dat zij vrij moeten zijn, terwijl de schriftgeleerden hiertegen protesteren. Levieten moeten het wel betalen.
Kortom; het is een algemene bijdrage aan de dienst der verzoening. Of men nu rijk is of arm, iedere man moet persoonlijk dit geld bijdragen. Het betekent dat verzoening voor iedereen hetzelfde kost. Voor God is er geen verschil tussen armen en rijken. Het herinnert het oordeel van God over Israel; ieder van twintig jaar en ouder zou in de woestijn sterven, omdat zij hadden getwijfeld aan de vaste beloften van God dat zij het land Kanaan zouden ontvangen. Zij mogen nu blijven leven. Ze moeten echter wel zoengeld betalen. Verzoening is niet goedkoop. Er moet een prijs voor worden betaald.
Per persoon betaalt men per jaar een halve sikkel. Dit is hetzelfde als een didrachmen, dat wil zeggen twee drachmen. En dat betekent weer het loon van twee dagen werken. Dus jaarlijks moet iedere strijdbare man twee daglonen geven voor de voortgang van de offerdienst. Dat is de verplichte bijdrage. Daarnaast zijn er de vrijwillige offers, de persoonlijke zondoffers en schuldoffers en dankoffers. De eerstelingen van de oogst breng men in tempel, 10% van de grond voor tempel (Neh. 10:33-40). De tempel was rijk.
Het is een hele organisatie om dit geld elk jaar weer bij elkaar te krijgen en het dan te transporteren naar Jeruzalem. Per district waren er data vastgesteld. Geweldige geldtransporten doorkruisten het land. Waarschijnlijk geind door Romeinen. Na verwoesting tempel geld gebruikt voor tempel van Jupiter Capitolonus in Rome...
De ambtenaar komt naar Petrus. Hij gaat niet naar Jezus, maar naar hem die hij zieet als de voornaamste apostel. Hij zegt tegen hem: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? Het staat met een vraagtegen, maar in de oorspronkelijke tekst kan deze even goed worden weggelaten. Dan staat er zoiets als: Uw Meester betaalt de didrachmen niet. Het klinkt wat snerend en agressief: Jullie meester! Hij betaalt de didrachmen niet eens. Zo in de zin van: Wat is dat nu toch voor iemand. Op een heel gemene wijze probeert deze man een wig te drijven tussen Jezus en Zijn discipelen. Zo glibberig en geraffineerd gaat men niet naar Jezus toe, maar achter Zijn rug langs maakt deze man Jezus verdacht.
Petrus antwoordt "Ja". Welke lading heeft dit woord? Als in de voorgaande zin de vraag staat, dan betekent het "Ja" van Petrus dat hij staande houdt dat Jezus de tempelbelasting wel betaalt. Zo onstuimig als Petrus dat kan zeggen; Wat denkt u nu weg, het zij verre van mijn Meester dat Hij de tempelbelasting niet betaalt. Als de voorgaande zin geen vraag is, maar een constatering, dan is het "Ja" van Petrus te zien als een erkenning dat het waar is dat Jezus de tempelbelasting niet heeft betaald. Een zelfde "ja" vinden we bij de Kananese vrouw op de vraag van Jezus of het brood niet voor de kinderen is (Matth. 15:26-27). Het is opvallend dat er niet staat dat Petrus antwoordt, maar dat Petrus "Ja" zegt. Dit pleit voor de gedachte dat de rijksambtenaar die het geld voor de tempel int, het gelijk aan zijn zijde heeft. Hij kan Jezus onder kritiek stellen. Hij heeft de tempelbelasting nog niet betaald.
Als deze uitleg de juiste is, dan moet de tijd van betalen ook reeds voorbij zijn. Op de eerste van de maand Adar, de maand die aan het Pascha vooraf ging, werd overal aangekondigd dat het weer de tijd was om te betalen. Op de 15e van deze maand gingen de verzamelaars door de dorpen en steden om het in ontvangst te nemen. Men vroeg het geld, maar het was nog niet verplicht het te geven. Men ontving het in een pot die van boven nauw was en steeds wijder toeliep. Op de 24e van deze maand werd het geld in het heiligdom gevraagd. Daarna stond men onder druk om de bijdrage te betalen. Waarschijnlijk is dus de 24e van deze belastingmaand reeds gepasseerd.
Het is te begrijpen dat Petrus hier verlegen mee is. Men heeft terecht op een fout van Jezus gewezen. Petrus heeft er nimmer een kunnen ontdekken. Nu wijst men hem er pijnlijk op dat zijn Meester niet volmaakt is. Hoe kan dat? Hoe is het zover gekomen? Zit daar iets achter? vol vragen, met een bedrukt gemoed, loopt hij zijn huis binnen. Jezus is daar al met de anderen.
Hij komt nog maar net binnen en Jezus komt hem tegemoet. Jezus is hem voor. Hij weet precies wat er in het geprangde gemoed van Petrus omgaat. Jezus laat blijken dat Hij de alwetende is. Hij is God. Hij kent het diepst van uw gedachten en overleggingen. Dat is bedreigend zijn als onreine begeerten en hoogmoedige gedachten uw hart vervullen. Het is een geweldige troost als uw hart naar Hem hunkert. Hij heeft het beloofd: "De begeerte van de rechtvaardige zal hem worden gegeven". Hij weet van u af, van uw zorgen en moeiten, van uw heimwee naar de Heere. Dat zal Hij niet onbeantwoord laten.
Jezus reageert op Petrus en zijn nood, nog voordat hij een woord heeft kunnen uitbregen. Zo is Jezus, nietwaar. Hij zegt het: "Eer zij roepen, zal Ik antwoorden". Hij kent uw nood door en door. Hij kan door de prediking van het Woord antwoord geven. U loopt vast met uzelf en de weg van de zaligheid. U tobt met de vraag; Is er nog een middel om de welverdiende straf te ontgaan? U zit met de vraag; is mijn zondekennis wel genoeg? U worstelt met de zekerheid van het geloof? U vraagt zich af hoe een mens nu zeker kan zijn van de vergeving van zijn zonden? En dan hoort u het op zondag verkondigen, zo helder en klaar als u dat nimmer hoorde. U hoort de stem van de Zoon van God. Het Woord legt beslag op u. Er gebeurt iets met u. Alle bezwaren smelten weg. U verdenkt dan misschien een ander dat die iets heeft doorgegeven aan de dienaar van het Woord. Maar de Heere leidt het zo dat dit op de preekstoel moet worden gezegd. De Heere kan in de weg van Zijn voorzienigheid mensen op uw pad brengen en antwoord geven, dat u zich moet verwonderen en zeggen; heilig zijn o God, Uw wegen. Hij is altijd een verrassend God. Als u het allemaal kunt narekenen en zelf voorrekenen wat de Heere moet doen en zal doen en doet in uw leven, dan moet u uitkijken. Zo werkt de Heilige Geest niet. Het leven met God is geen systeem en verloopt niet langs bepaalde stations. De wind blaast waarheen Hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet vanwaar Hij komt en waar Hij heen gaat.
Jezus stelt aan Zijn leerling een vraag: Wat denkt u, Simon? De koningen van de aarde, van wie nemen zij nu eigenlijk tol? Wie betaalt er nu belasting aan hen? Zijn dat de zonen of zijn dat vreemden? Met andere woorden; moet de familie ook belasting betalen of geldt dat alleen voor hen die onderdaan zijn? Zeker in die samenleving was het antwoord heel simpel. U moet dan denken aan tegenwoordige landen in Oost-Europa of in Afrika. De heersers daar hebben ongekende privileges. Die staan boven de wet. Ze negeren alle snelheidsgeboden en zij volstrekt vrij van alle belasting. Zo was het toen ook. De Romeinse overheid stelde romeinse burgers zelfs vrij van het betalen van belasting. Dat was alleen voor de vreemde volkeren.
Petrus antwoordt dan ook op deze golflengte. Jezus maakt dan de toepassing. Dan zijn de zonen vrij. Dat is een algemene regel dat de zoon van de koning geen belasting hoeft te betalen. De aardse regel geldt ook in de hemel. Jezus heeft de betaling niet nagelaten uit slordigheid of ongeinteresseerdheid, maar uit principe. Een prins betaalt niet voor het onderhoud van het paleis. Wat zegt Jezus hiermee? Te midden van deze hele praktische zaak licht het evangelie in al haar luister op. Een heldere zonnestraal schijnt door de donkere wolken heen. Met dit eenvoudige voorbeeld zegt Hij niets minder dan dat Hij de Zoon van God is. In de dienst van God hoeft Hij geen bijdrage te geven. Hij is de Wetgever. Als er iemand boven de wet staat, is Jezus het wel. Niemand kan tegen Hem zeggen: Wat doet Gij? Hij is zo soeverein, zo onafhankelijk. Hij heeft absolute zeggenschap.
Misschien hebt u te maken met ongeloofstheorieën. Ze kunnen u verlammen door de vraag of Jezus wel God is. Misschien bent u toch wel onder de indruk van de publicaties van Den Heijer en Kuitert en Nico ter Linde. Jezus is ongetwijfeld een historische persoon, Hij is door Gods Geest vervuld, maar is Hij nu wel God Zelf? U weet dat deze vragen in onze tijd opnieuw met ongekende kracht worden gesteld. Voldoen die klassieke antwoorden nog wel, zijn ze niet achterhaald? Hebben nieuwe wetenschappelijke inzichten niet aan het licht gebracht dat we dit toch wat anders moeten zien? En dan nog een stapje verder; is heel onze leer dat alleen een goddelijk offer voor de zonden kan betalen, niet absurd? Staat dat nu wel echt in de bijbel? Hier leest u het met de eigen woorden van Jezus. Jezus zegt hier niets meer en niets minder dan dat Hij de Zoon van God is. Uw zoon is even menselijk als u zelf. Jezus zegt hiermee dat Hij God is. Dat Hij God Zelf is. De eeuwige God is een tijdelijk mens. De oneindige God staat hier als een eindig persoon. De alwetende God staat hier als een mens die ook heeft leren lopen en praten. Of u dat nu begrijpt of niet, is niet zo belangrijk. God zou geen God zijn als u met uw nietig verstandje Hem zou kunnen be-grijpen, in de zin dat Hij voor u binnen bereik zou zijn. Jezus is of een leugenaar, of Hij is God. Ik kan niets bewijzen, maar dit moge een machtige bevestiging zijn dat de Zaligmaker God is.
Het schildert de verschrikkelijke toestand van een onbekeerde zondaar, zoals wij van nature allen zijn. Ons hart is zo boos en de schuld is zo groot, dat niets ons kan verlossen dan Hij alleen. Uw werken maken het alleen maar erger. Uw reformatie en uw verootmoediging is uit de boze. Duizend engelen zijn niet bij machte om uw harde hart te verbreken en uw droefheid naar God te leren.
Hoort u het verslagen zondaar? Jongen, meisje? U worstelt met dat harde hart. Jij wanhoopt er aan dat iemand dat ooit in beweging zal kunnen krijgen. Je raakt vertwijfeld als je voor je gevoel alleen maar harder wordt en het helemaal niet de goede kant op gaat. God is zo groot en het is zo koel van binnen. De zonde is zo verschrikkelijk en je kunt er zo gerust onder zijn. Hoe zal dat ooit goed komen? Als ik u vanmorgen moest verkondigen dat Jezus wel van goede wil is, maar dat Hij ook niet alles kan, dan moest uw leven eindigen in de zwarte wanhoop. Maar ik mag u prediken dat de Zaligmaker God is. We hebben te doen met een Goddelijke Verlosser. Met Goddelijke kracht breekt Hij in in uw ziel. Hij verbreekt Uw hart. Het Woord is een kracht die u overweldigt. U kunt er niet meer tegen op met uw bezwaren en ja-maars. Hij opent uw hart net als bij Lydia dat u acht geeft op de woorden van Paulus. En dan zegt u; nooit geweten dat dit het evangelie was. Het gaat voor u open. U gaat het verstaan. U drukt het aan uw hart. Het wordt verzegeld in de wanden van uw ziel. Er kan best nog nevel zijn in uw hart, maar toch is de goedheid van God ontwijfelbaar zeker voor u. De Geest getuigt dat het evangelie de waarheid is. En dan moeten tegenstemmen zwijgen. En wat eenvoudig. Had men mij toch eerder gezegd hoe eenvoudig het ligt. U had het duizend maal gehoord, maar u taste in het duister. U was blind, maar u bent ziende geworden. U drinkt de boodschap in. Vrede vervult uw hart, die u nooit meer kwijt wilt. Wat is Gods verlossingsplan wijs en eenvoudig tegelijk. U moet uw toestemming er aan geven. U mag stil berusten in Gods beleid. In uw ziel ruist de stilheid tot God.
Hierbij zou Jezus het kunnen laten. Er is geen enkele noodzaak om tempelbelasting te betalen. De tempel is immers het huis van Zijn Vader. Jezus wil geen aanstoot geven. Dat betekent dat Hij anderen niet tot een struikelblok wil zijn. We weten genoeg van Jezus dat Hij niet naar de pijpen van ieder danst. Als de waarheid van het evangelie in het geding is, trotseert Hij alle machten van farizeen en schriftgeleerden bij elkaar. Al kost het Zijn leven, dan handhaaft Hij de leer der godzaligheid. Maar als het gaat over kleinigheden en onbenulligheden wil Hij de minste wel zijn. En daar hoort voor Hem het betalen van belasting ook bij. Ook een geweldige les; als het half kan, moet u zichzelf helemaal verloochenen indien de waarheid van Gods Woord niet in het geding is.
Onderwijl toont deze houding Jezus duidelijk Wie Jezus is. Vrijwillig onderwerpt Hij Zich aan de wet. De Vader heeft Hem niet gedwongen. Neen, van harte is Hij het eens geweest met het plan van de Vader. Vrijwillig heeft Hij de wet gehoorzaamd en is Hij de wet van God uitgelopen, om zo de vervulling ervan te zijn. Hij had niet dat verzet tegen Gods wet dat in u is. Zo alleen breekt Hij uw verzet en verzoent Hij uw verzet en vernieuwt Hij het in gewillige gehoorzaamheid.
Jezus heeft hiermee het goede van Zijn vijanden op het oog. Hij wil niet zij zondigen, omwille van de tempelbelasting. Dat zij van Hem geld gaan vorderen met alle vleselijkheid erom heen. Hij heeft er zorg voor dat mensen niet de toorn van God over Zich halen. Jezus is niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar haar te behouden.
Jezus heeft een hart van zelfverloochening. Hij verbergt Zijn glorie. Zo kwam Hij uit de hemel. zo heeft Hij gewandeld op de aarde. Zo is Hij gestorven aan het kruis. Zelfs daar is Hij nog bezorgd over Zijn moordenaars en bekommert Hij Zich om een moordenaar. Hij heeft slechts een verlangen, namelijk om dienstbaar te zijn. Om anderen te helpen. Zo komt Hij in het evangelie tot ons; Waarmee kan Ik u helpen? Wat zijn Uw noden? Mijn liefste werk is om er te zijn voor anderen, sterker: om Mij Zelf aan hen te geven. Wat heeft het Hem gekost! Hij heeft alle rijkdom afgelegd, Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen. Minder dan een dier is Hij behandeld. Hij is geslacht, zoals men een dier slacht. Wat een vernedering heeft Hij Zich laten welgevallen. En dan niet met een lang gezicht, maar met de liefde en de vreugde van Zijn hart.
Hoe ontdekkend! Wat zijn wij in het licht van deze onbaatzuchtige levende wet pure egoisten die leven in dat kleine wereldje van ons eigen ik. We zijn inhalerig. Overal denken we bij; wat kan ik er aan verdienen? Welk voordeel levert het op? Wat zijn we bekrompen en krampachtig. Wat een verlossing als we verlost worden van onszelf. Als deze Koning in ons leven heerschappij krijgt, dan word je van je zonde verlost, maar wat meer is; van jezelf. Dan verliezen we ons aan de Heere, maar niet minder aan onze medemens. Dat gaat samen op. Hoe meer we onszelf geven, hoe rijker we ons voelen. Dat geeft zo'n geluk en vrede in ons hart, dat is niet te zeggen. Gevende wezens zijn gelukkige wezens.
Wie over zichzelf heen laat lopen, is geschikt om standvastig te zijn als de waarheid van Gods Woord in het geding is. Dat is net zo nodig als in de dagen van Luther. Ouders die ook "nee" tegen hun kinderen kunnen zeggen. Mensen die niet alleen alles hebben om mee te leven, maar weten waarvoor ze leven. Die gegrepen zijn door het visioen van de visie op de overweldigende Majesteit van Gods heerlijkheid.
Ontbiedt Jezus nu Judas? Neen, Hij geeft de opdracht aan Petrus dat deze naar het meer moet gaan. Hij hoeft geen net uit te werpen, maar een hengel met een angel. De eerste vis die hij zal vangen, moet hij de mond openen en daarin zal een stater zijn. Het schijnt dat de vis die geschikt is om een stater bij zich te dragen, een door vissers afgekeurde vis is. Petrus moet zijn vakmanschap verloochenen. Dit is geen humor, zoals wij zouden kunnen zeggen; zie maar dat je vis met goud vangt.
Wat toont Jezus hier opnieuw Zijn godheid. Jezus is veel groter dan de machtigste keizer. Er is geen keizer op aarde die gebiedt over de vissen van de zee, maar Jezus doet het. Hij weet welke vis de eerste zal zijn. Hij weet wat die vis in zijn mond zal hebben. Wat meer is; Hij heeft ervoor gezorgd dat iemand die stater verloor en dat deze vis het muntstuk heeft opgeslikt. Hij bestuurt het zo dat de vis juist op dit moment aan de rand van het meer komt, op de plaats waar Petrus zijn angel uitwerpt. Hij bestuurt dat Petrus ook precies hier is. Wat een leiding van God. Deze grote God Die zelfs de vissen in de zee bestuurt. God is zo oneindig groot dat Hem niets ontgaat en Hij overal de hand in heeft. Zo bestuurt Hij ook vandaag de vissen in de netten of niet. En als God zo let op de vissen in de zee, zal Hij dan niet veel meer letten op Zijn mens. En als Hij zo let op de mens, zal Hij dan niet veel meer letten op Zijn kinderen. Wat bent u toch overbezorgd? Wat bekommert u zich toch over veel dingen, over uw eten en kleren. Bekommert u om Gods rijk in u en onder u. Kind van God, er valt geen haar van uw hoofd zonder de wil van de hemelse Vader en zelfs dat moet dienen tot uw zaligheid.
Jezus betaalt deze stater aan beambte voor Zichzelf en voor Petrus. Een stater is hetzelfde als een sikkel, dus vier drachmen, twee didrachmen. Jezus betaalt niet alleen Zijn eigen persoonlijke tempelbelasting, maar Hij betaalt ook de hoofdelijke omslag voor Petrus. Jezus heeft dus slechts een jaar achterstallige betaling. Van Zijn 20e tot 33e betaald. Het staat aan het einde van de tekst zo: "Voor Mij en u". Er staat niet: "voor ons". Met dit onderscheid is duidelijk aangegeven dat er verschil is tussen de betaling voor Jezus Zelf en voor Petrus. Jezus betaalt voor Zichzelf om geen ergernis te verwekken, maar ten diepste onnodig. Jezus betaalt voor Petrus, en dat is niet overbodig. We kunnen allerlei vragen stellen; waarom heeft Jezus niet betaald voor de andere discipelen? We houden het bij dit ene detail. Hier opent zich een machtig vergezicht.
Een klein detail in deze geschiedenis, maar voorwaar niet het minste. Deze geschiedenis toont ons niet alleen de Christus in Zijn majesteit en heerlijkheid, niet alleen in Zijn gezindheid van zelfverloochening, maar tevens in het hart van Zijn werk op aarde. Hij is gekomen om verzoening te doen. Het geld dat voor de tempel moest worden betaald, voor rijk en arm gelijk, was een prediking dat offers niet gratis zijn. Er was geld nodig om de dieren te kopen en de dienst der verzoening te laten plaatsvinden. Het zoengeld van het OT komt hier tot vervulling. Christus betaalt voor de ander. Op kosten van Christus kan Petrus vrede hebben. Jezus betaalt veel meer dan een paar didrachmen, maar Hij geeft Zijn leven.
Dat is het evangelie in een notedop. Hij betaalt de prijs der ziel, die wij aan God in de eeuwigheid zelfs niet kunnen voldoen. God Zelf is met deze prijs tevreden en zo mag de zondaar er ook in rusten. Er hoeft niets meer te worden gedaan aan hetgeen Christus heeft gedaan. Een heerlijke rust in het verbroken zondaarshart. God rust, Christus rust zittend aan de rechterhand van Zijn Vader en de zondaarsziel vindt daar rust.
Het heeft Christus veel gekost om deze prijs te betalen. Dit geld van de tempel laat Hij komen uit de mond van een vis. Dat kost geen pijn. Maar hoeveel pijn heeft de verlossing van zondaren Hem gekost. Zijn lijden was werkelijk lijden. Hij was angstig, bedroefd. Hij zweette in de koude nacht. Zijn poriën waren als grote wonden, waar het bloed uit gutste. Jezus heeft gehuiverd: Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan. Hij was eeuwig al gewillig om dit te ondernemen, maar nu weet Hij pas uit ervaring wat het werkeljik kost en hoe diep de toorn van God gaat. Als een speelbal is Hij overgeven aan de duivel die Hem gekweld en gesard heeft. Helse angsten hebben Hem de keel afgeknepen. De buitenste duisternis was drie uren in Zijn ziel. Hij is er hel neergedaald, niet na Zijn begravenis, maar in het dieptepunt van Zijn lijden aan het kruis.
Jezus betaalt voor Petrus. Moet u eerst zo zijn als Petrus, voordat u in deze verzoening kunt delen? Moet u eerst een aantal stadia zijn gepasseerd? Zo dachten de farizeeën. Levi kon wel behouden worden, maar niet midden in zijn zondaarsleven. Jezus denkt daar anders over. Hij roept Levi met kracht. En Levi staat op en volgt Hem. Midden in uw zondaarsleven roept Jezus u. Sterker: Hij bidt u. Wij bidden u van Christus wege, laat u met God verzoenen. Jongens en meisjes, Jezus bidt jullie om je te laten verzoenen.
Wie komen tot Jezus om in Zijn verzoening te delen? Degenen die niet meer kunnen hopen op een toekomstige verlossing, die niet meer tevreden zijn met een halve bekering, die geen rust vinden in een zoetige God, maar degenen die ervan zijn overtuigd dat het verschrikkelijk is te vallen in de handen van de levende God, die erkennen dat het nochtans rechtvaardig is, die belijden dat hun leven zo verschrikkelijk is dat zij aan het kruis de eeuwige toorn van God hadden moeten lijden, kortom, verbroken en verslagen zondaren delen in de verzoening. Zo wordt het een machtig wonder: Hij voor mij.
U kunt deze spanning samenvatten in dit voorbeeld. In een koninkrijk heeft men een revolutie ontketend. Men is in opstand gekomen tegen een rechtvaardige en goede Koning. De aanstokers hebben de doodstraf verdiend. Ze houden zich schuil. Maar nu laat de Koning een boodschap van gratie uitgaan. Allen die gratie vragen, krijgen het. De hoogmoedigen en de zelfverzekerden die nog altijd de koning de schuld geven, vragen het niet en krijgen het niet. Maar allen die hartgrondig erkennen de dood te hebben verdiend, krijgen gratie.
Wat een machtig wonder als u met God bent verzoend. Nog meer; dat God met u is verzoend. Er is blijdschap in uw hart, maar nog meer in Gods hart. Er is blijdschap in de hemel of een zondaar die zich bekeert. God drukt u aan Zijn hart en Hij zoent u. Hij fluistert u toe: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde en daarom heb Ik u getrokken met koorden der goedertierenheid. Er is gemeenschap met God. Wederzijdse gemeenschap. u verheugt zich in Hem en Hij roept u toe; Doe Mij uw stem horen, want uw stem is zoet.
Prediker, kan ik daar zeker van zijn dat ik met God ben verzoend? Het gaat over de kern van het Woord van God, het gaat over de enige troost in leven en sterven. Hoe weet ik dat ik mij niet vergis? Als ik denk aan de ontmoeting met de levende en de heilige God, aan Zijn geweldige Majesteit dan kan het mij zo bang zijn om het hart. Is dat wel een goed teken? Als dat machtige heilgeheim zich in mijn leven heeft voltrokken, dan moet dat toch niet onopgemerkt blijven? Dan moet ik daar toch ten alle tijden zicht op hebben? Ik ben zo bang dat het toch weer over gaat en dat ik net zo'n huichelaar ben als Judas en Saul.
U kunt er zeker van zijn dat u met God bent verzoend. Omdat u zeker kunt zijn van God. Hij houdt u niet voor de gek. Hij behandelt mensen niet zoals u uw hond behandelt; u houdt hem een worst voor, maar als hij erin wil happen, trekt u dat weer terug. Wat Hij u in het evangelie voorhoudt, trekt Hij niet terug. Zekerheid van de verzoening betekent zekerheid aangaande God en Zijn eed dat Hij geen lust heeft in uw dood. Hij vindt in gunst en niet in wraak Zijn lust. Van Matthew Henry las ik op Rom. 5:15-17: "Straffen is een ongewoon werk van God".
Hoe kan ik weten dat ik met God ben verzoend? Ik zou vele kenmerken kunnen noemen. Ik noem er nu maar een. Als u met God bent verzoend, bent u zich bewust van de geweldige prijs die de verzoening heeft gekost. Dan is het evangelie voor u geen goedkoop verhaaltje. Dan leeft het voor u; gij zijt duur gekocht. Dan kunt het niet klein krijgen. En u kunt geen misbruik maken van dit evangelie. Dan is voortdurende verwondering in uw hart; U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.
Genade is niet goedkoop. Ook niet in uw leven. De zonden waar Jezus zo'n geweldige prijs voor heeft moeten betalen gaat u haten. Niet een uitgezonderd. U gaat leven, waardig het evangelie. U bindt zelfs de strijd aan met uw zondige hart, de bron van alle zonden. Dat kost nogal wat. Niet alleen uw vrienden, uw familie, uw werk, maar uzelf. Want die oude natuur bent uzelf. U wordt een plant in de gelijkmaking van Christus dood. Uw oude natuur, uw lieve ik, moet en gaat er aan. Dat is het evangelie der verzoening; Ik zal vijandschap zetten. Hoe meer vijandschap tegen de zonde, hoe meer een teken van de vrede met God.
Ps. 16:1-3, 24:1, 50:4-5, 139:14
literatuur; Calvijn, Cammeraat, Edersheim, Dickson, Strack-Billerbeck, Van Bruggen, Ryle, Grosheide, kanttekeningen, Hendriksen, Klusener (P 53-54), De Vaux, Gill.