"DE HERDERS VINDEN HET KINDEKE JEZUS"
preek over Luk. 2:15-16, door
W. van Vlastuin vdm
predikant van de Nederlands
Hervormde Kerk te Wouterswoude
Woord vooraf
Deze preek hield ik op 25 december 1993 in de gemeente van Wouterswoude. Tijdens en na het uitspreken mocht ik in dit Woord iets ervaren van ps. 119:52 (ber.): "Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest! Geen honig kon 't gehemelt' beter smaken". Ook luisteraars bevestigden achteraf dat zij hierin geestelijk voedsel gekregen hadden.
Omdat in dit schriftgedeelte veel geestelijk onderwijs ligt èn aangaande het heilsfeit van kerst èn aangaande de geestelijke werkzaamheden van de ziel met de geboorte van de Heere Jezus Christus kwam ik ertoe om dit in deze vorm uit te geven.
Ik draag dit geschrift op aan de gemeente van Wouterswoude die ik nu reeds drieëneenhalf jaar mag dienen als een geringe blijk van hartelijke erkentelijkheid voor alles wat ik in haar midden mocht ontvangen.
Het is mijn hartelijke wens en bede dat de Heere Zelf Zijn eigen Woord ook in deze geschreven vorm wil zegenen tot heil van zondaren en eer van Zijn Naam.
Wouterswoude, januari 1994 W. van Vlastuin vdm
DE HERDERS VINDEN HET KINDEKE JEZUS
"En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkaar zeiden: Laat ons dan heengaan tot Bethlehem en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindeke liggende in de kribbe" (Luk. 2:15-16).
Inleiding
Het is een wonderlijke kerkdienst daar in de donkere nacht in de velden van Efratha. Er zijn niet veel hoorders. Wie zijn het dan die voor het eerst het evangelie van de geboorte van Christus mogen horen? Zijn deze enkelingen een selekt gezelschap van hooggeplaatsten? Het zijn niet de voornamen van Jeruzalem, de overpriesters en de schriftgeleerden, de mensen die dagelijks in de wetten lezen. God gaat andere wegen. Het zijn mensen die niet eens in de tempel mogen komen, die niet kunnen lezen en schrijven. Wie zijn het dan? Het zijn herders... Wij zouden zeggen; asielzoekers, zigeuners.
Hun namen zijn ons onbekend, we horen verder nooit meer van hen, maar bij God zijn ze bekend. Dat is het belangrijkste.
Eerst komt er één engel in de donkere nacht. Een hemels licht omstraalt hen. Zij vrezen; wie kan God zien en leven? Daarop zegt de hemelse gezant: "Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap die al de volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe".
Op datzelfde ogenblik gebeurt er iets geweldigs, iets indrukwekkends; dat wat wij allen eenmaal zullen meemaken, bij de wederkomst van de Zaligmaker als de engelen op de bazuizen zullen blazen, tienduizenden en tienduizenden engelen komen neer en zingen het hemelse gezang, eerbiedig, zonder valse tonen: "Ere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen".
Dan hebben de engelen hun werk gedaan. Ze doen wat de Heere hen opdraagt, niets meer en niets minder. Zonder opdracht bewegen zij zich niet. De menigte van engelen vertrekt even plotseling als ze gekomen zijn. Het gezang en gejubel sterft weg, de nacht komt terug, het wordt weer donker.
1. De kracht van het Woord
Wat zal de uitwerking van deze prediking van de geboorte van Christus en deze lofzang zijn? Gaat u dat maar na in uw eigen leven:
Gaan ze bij het vuur zitten, gezellig en knus: Wat een goede preek, wat mooi, wat begrijpelijk, wat een voordracht, wat bevindelijk, wat een nieuwe dingen, wat een uitleg nietwaar, wat kwam de predikant erin, zo heb ik het nog nooit gehoord, als ik deze prediker nog eens kan horen, dan ga ik zeker weer naar hem toe. En een kopje koffie spoelt de hele preek weg. Van de inhoud blijft niets hangen. We zijn net als mensen die naar een toneeluitvoering geweest zijn en onder de indruk zijn van de acteur.
Het zou ook kunnen dat de preek iets meer doet. Dan zijn we niet alleen onder de indruk van de vorm, maar ook geraakt door de inhoud. Dan zullen deze herders tot elkaar zeggen: "Wat een wonder dat Christus geboren is, de beloofde Messias, waar onze vaderen zolang naar uitgezien hebben, waarop Eva hoopte toen zij haar eerste zoon baarde en hem Kain noemde, waarnaar Jakob op zijn sterfbed uitzag en waarvan Jesaja sprak: "Een kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst" (Jes. 9:5).
Hoevaak gaat het zo bij ons. Dan zijn we net als de inwoners van Bethlehem; we verwonderen ons over de dingen die we van de herders horen (vers 18), maar we blijven precies dezelfde. Met deze verwondering over de vorm en de inhoud komen we eeuwig om.
Wat is de uitwerking van deze preek bij de herders? We lezen iets anders dan wat sentiment.
"Laat ons dan heengaan naar Bethlehem om te kijken of het waar is wat er gezegd is". Staat dat er? Neen, dat staat er niet. Dat is de taal van het ongeloof. Hier is de taal van het geloof. Ze gaan niet kijken of het waar is, maar ze gaan zien wat geschied is. Dat is een wezenlijk verschil. Het verschil tussen leven en dood. Het geloof steunt op het Woord. Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord.
Wat is dat een wonder!... Ze twijfelen niet aan het woord van de engel. Is dat dan zulk een wonder? Als in de kerk of in uw huiskamer plotseling een engel zou verschijnen en het kerstevangelie zou verkondigen, dan zouden we toch allemaal wel zo diep onder de indruk komen dat we tot bekering komen. Gebeurde dat maar eens een keer, dan zou het in mijn leven wel veranderen, hoor ik een jongen zeggen.
Zacharias, een kind van God,... hoorde ook een engel. Deze zei hem dat hij een zoon zou krijgen. Geloofde hij het? Neen! Dat kon volgens hem niet, ook al zei een engel het...
Zo is ons hart. Laten we elkaar niets wijsmaken. We zouden diep onder de indruk zijn, we zouden er nog dagenlang over praten als we een engel zouden ontmoeten. Een jaar later zullen we het ons herinneren, vijftig jaar later zijn we het niet vergeten. Maar we zouden doorzondigen, doorleven, doordommelen. We zouden dezelfde blijven! We zouden doorgaan met praten, licht doen, zwaar doen, redeneren, discussieren.
Als de herders dit woord geloven, is dat een machtig wonder van de Heere Zelf. De Heilige Geest gebruikt deze prediking. Hij verlicht en breekt hun hart, zodat ze niet anders kunnen dan geloven.
"Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en zien het woord dat geschied is, dat de engelen ons verkondigd hebben". Zo staat het niet in de Bijbel. Er staat niet dat de engelen het verkondigd hebben, maar de Heere.
Hier zien we een treffende trek van Gods werk. Dan hoort u een predikant, maar u hoort niet een predikant, u hoort Gods stem. Dat is bekering; u gaat Gods stem horen (Joh. 5:25). Het Woord doet kracht door Gods Geest. Het wordt in uw ziel gegraveerd. Geen leed zal het ooit uit uw geheugen wissen. U verlangt dat steeds opnieuw; Spreek Gij tot mijn ziel. Hoemeer u Zijn stem hoort, hoemeer u ernaar verlangt. De honger wordt steeds groter. Mijn schapen horen Mijn stem (Joh. 10:27). Je gaat de stem van de Heere uit duizenden herkennen. Alle tegenstemmen van de wereld, je hart en de boze moeten zwijgen. Je hoort de Heere spreken. We drinken de woorden in, om te luisteren of we Gods Woord horen. Of we onze naam horen noemen. We verstaan wat David zingt: "Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest. Geen honing kan het gehemelte beter smaken" en: "Uw Woord kan mij ofschoon ik alles mis, door Zijne smaak en hart en zinnen strelen".
"Laat ons dan heengaan tot Bethlehem", zo lezen we in onze tekst. Het mag onze aandacht niet ontgaan dat de herders met elkaar gaan. Ze stellen niet voor dat één of twee gaan kijken, zodat de rest thuis kan blijven om op de schapen te passen.
We zien hier de gemeenschap der heiligen. De liefde is mededeelzaam. Waar de Heere in ons hart woont en werkt, daar gunnen we het iedereen. Daar hebben we niemand voor de hel over. We spreken met onze vrouw, met onze kinderen, met onze ouders: "Kom ga met ons en doe als wij. Laat ons vluchten uit de stad verderf". Het geldt niet alleen voor predikanten dat zij zeggen: "Wij dan wetende de schrik des Heeren bewegen de mensen tot het geloof" (2 Kor. 5:11). Deze innerlijke ontferming komt bij al Gods kinderen voor.
Het zou deze herders verdriet doen als een van hen zou achterblijven en niet in dit heilsfeit zou delen.
We zien hier ook het belang van onze vrienden. Waar we mee omgaan worden we mee besmet. Hebben wij vrienden die ons van de Heere aftrekken, of worden we juist door onze relaties opgewekt om de Heere te zoeken en Hem te dienen?
De herders willen naar Bethlehem gaan. Het is helemaal niet geboden door de engel. Maar ze verstaan dat dit de bedoeling is. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Kor. 2:14).
Ze willen zien. Dat is het ware geloof. Het ziet uit naar de vervulling. Het schijngeloof is snel tevreden gesteld, maar het ware geloof verlangt, hunkert, pleit: "Gedenk aan het Woord gesproken tot Uw knecht, waarop Gij hem verwachting hebt gegeven". Het ware geloof wenst niet alleen van Hem te horen, maar Hem ook met het hele hart te omhelzen. Niet alleen van Hem te horen, dat is al groot... maar ook Hem te zien met de ogen van geloof. Het geloof heeft niet genoeg aan de eerste beginselen, het is heilbegerig naar meer; Opdat ik Hem kenne (Fil. 3:10). Ook al zien we Hem aanvankelijk in nevelen gehuld, dan zal het zaligmakende geloof altijd blijven hongeren en dorsten naar de opwas in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus.
Dan gaan ze. Hoelang zal het geduurd hebben? Een uur? Een half uur? Ze gaan onmiddellijk. De grondtekst geeft dat wonderschoon aan. Daar staat eigenlijk: "En het geschiedde, als van hen weggevaren waren naar de hemel de engelen, de mensen, namelijk de herders tot elkaar zeiden". Tussen engelen en mensen zit niets. Terstond gaan ze. Zo krachtig heeft het Woord in hun harten gewerkt.
Het blijft niet bij een goed voornemen. Daarmee is de hel geplaveid. Velen nemen zich op een ziekbed voor de Heere nu ernstiger te gaan zoeken, maar vaak blijft het hierbij.
2. De haast van de herders
Maar herders, kan dat dan zomaar? Mogen wij een paar vragen aan u stellen?
1. Hoe moet het dan met de kudde? Zijn er dan geen roofdieren? U hoort ze toch brullen? Zullen er geen schapen en lammeren afdwalen en zo ten prooi worden? Er is geen dier zo dwaalziek als juist een schaap. Een schaap heeft geen klauwen om van zich af te slaan. Een schaap heeft geen tanden om van zich af te bijten. En bovendien mist het de sterke poten om te vluchten voor een roofdier. Kunt u dan zomaar de kudde achterlaten?
Wat zou u antwoorden, lezer(es)? Kleeft uw ziel zo aan het stof, of verstaat u wat deze herders drijft? Zij zullen er iets van beseffen: "Wat baat het de mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel?" (Matth. 16:26). Al moeten ze dan een paar schapen verliezen, als ze hun ziel erdoor kunnen behouden zullen ze dat graag ervoor over hebben. Als hun ogen de Zaligmaker mogen zien en als zij Hem mogen omhelzen, weegt dat wel op tegen hun aardse goederen. En bovendien, het is tenvolle bijbels dat de Heere ons roept om eerst de dingen van Zijn Koninkrijk te zoeken en dat Hij dan voor de tijdelijke zaken zal zorgen (Matth. 6:33). Zo gaan zij: "Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk ik wel ben, ik heb alles verloren en Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben".
2. Maar herders, het is nacht. Zullen jullie de plaats waar de koning geboren is wel ooit kunnen vinden? Het is zo donker, u kunt onderweg wel struikelen. Misschien verdwaalt u wel. Het is een lange afstand naar Bethlehem. Als u nu eerst eens wacht tot de morgen en alle zaken ordelijk regelt en dan op uw gemak naar de kribbe gaat.
Kon u wachten toen u deze boodschap uit de mond van de engelen hoorde dat u heden geboren is de Zaligmaker? Dan zijn onze harten toch brandende in ons. Dan is het in de ziel: "Daar strekt zich al onze lust en liefde heen".
Kun je nog wachten totdat de tijd geschikter is, je ouder bent, je getrouwd bent, je kinderen wat groter zijn? Kunt u dan wachten met het behoud van uw onsterfelijke ziel, totdat u uw pensioen krijgt?... Kunt u dan gewoon doorgaan zonder op zulk een zaligheid acht te slaan (Hebr. 2:3)? Kunt u gewoon doorgaan het bloed van de Heere Jezus Christus onrein te achten?
3. Maar herders, kunt u zo wel bij Jezus komen? Uw kleren zijn vuil, ze stinken naar de schapen. En hebt u wel over een geschenk gedacht voor deze Verlosser en Zaligmaker? Als u naar een koning gaat, moet u immers een koninklijk geschenk meenemen?
De duivel en de wereld doen alles om ons van Christus Jezus af te houden. We mogen alles van satan. We mogen rechtzinnig zijn, alles wat lichter opvatten, maar we mogen niet verlegen zijn om de Zaligmaker en smeken: "Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf". Dan gaat er een alarmschel in de hel over en alle duivelen ontwaken en gaan als briesende leeuwen tekeer, in de vermomming van een engel des lichts.
Deze influistering van satan sluit zo wonderwel aan bij het hart van de overtuigde zondaar. Het evangelie lijkt een bespotting van de rechtvaardigheid Gods. Het lijkt een ontkrachting van alle ernst. En daarom wringt juist de ontwaakte zondaar zich in allerlei bochten om schone kleren aan te trekken en te bewijzen dat hij het ernstig neemt met Gods wet.
Maar het ware geloof leert te komen zoals het is. Dat is niet best. Dat is goddeloos, verdorven, onrein, dwaas, blind, ontrouw en vijandig. We komen niet als godvruchtigen, want dan hebben we geen volkomen Zaligmaker nodig, maar we komen gans hulpeloos tot Hem gevloden. We komen niet als ernstige mensen, als gelovige mensen in eigen oog, maar met koorden van zelfveroordeling om de hals als de verloren zoon: "Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden".
We zijn nimmer te arm, maar we zijn veel vaker te rijk om zalig te zalig te worden. De Heere verklaart in Zijn Woord dat Hij Zich zal doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op Zijn Naam vertrouwen (Zef. 3:12). Hij leert door Woord en Geest in de harten van de Zijnen dat al onze deugden (niet: ondeugden) een wegwerpelijk kleed zijn (Jes. 64:6): "Die gezond zijn hebben de Medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn" (Matth. 9:12).
In het geloof zien we af van het onze: "De ogen houdt mijn stil gemoed, opwaarts om op God te letten".
Ze gaan, welk een beschaming voor veel nette kerkmensen. Wij hebben ook engelen gehoord, namelijk de engelen der gemeente, de dienaren van Gods Woord. Wij hebben wellicht veel vaker het kerstevangelie gehoord. Gaan wij? Dat betekent natuurlijk niet dat we naar Palestina moeten vliegen, dan zouden we niets vinden. Maar de vraag is of onze ziel zo in beweging komt als bij deze herders. Of gaan we naar de disco?
Ze gaan. Wat een wonder! Ondanks alle tegenredenen gaan ze door de donkere nacht. Hoe komt dat? Er is iets dat we niet zien. Dat ontrekt zich aan onze waarneming. Ze gaan, omdat ze getrokken worden. Zonder dit trekken zouden ze niet komen: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke" (Joh. 6:44). En wie trekt deze herders? Dat is dat kind in de kribbe in doeken gewonden. Hij trekt met koorden die om hun hart geslagen zijn. Het zijn geestelijke koorden. Kent u die koorden? Het zijn koorden van goedertierenheid (Jer. 31:3). Hij is sterker dan deze ruwe herders bij elkaar. Deze mensen die gewend zijn hun mannetje te staan, die aan nacht en ontij gewend zijn, moeten. Hij trekt en zij moeten. Ze kunnen niet anders, ze willen niet anders.
Ze gaan niet in een rustige pas, maar met haast. Niet omdat ze zo nieuwsgierig zijn, maar omdat hun hart zo brandt. Van nature haasten we ons voor van alles en nog wat. We hebben geen rust voordat we diploma a en getuigschrift b op zak hebben. We hebben overal tijd voor behalve voor de Heere. Tijd voor ons gezin, voor een verjaardag, voor ons werk, voor ontspanning, maar niet voor onze ziel. We hebben tijd om geld te verdienen, maar geen tijd voor de eer van God. Zo zijn we geestelijk traag en we haasten ons naar het eeuwig verderf.
Deze herders zijn niet zoals zoveel kerkmensen die allen wel beamen dat zij bekeerd moeten worden, dat ze dood zijn in zonden en misdaden. Er zijn tallozen die wel eens bezig gehouden worden door de geestelijke dingen, maar uiteindelijk kunnen zij het toch nog aardig uithouden.
Het werk van God kenmerkt zich door haast. Niet als het erom gaat om de zaken voor tijd en eeuwigheid aan Hem over te geven. Dan geldt voor Gods werk dat degenen die geloven niet haasten (Jes. 28:6). Maar als het erom gaat om de Heere te zien, Hem te ontmoeten, Zijn Woord te horen dan is er geen betere gestalte in het geestelijke leven dan deze sterke drang.
Waar Gods Geest krachtig in je ziel werkt en waar zo het geloof werkzaam is, daar heb je op zondagmorgen geen moeite meer om uit bed te komen. Je ervaart iets van het verlangen van Ps. 84:1: "Hoe branden mijn genegenheden om 's Heeren voorhof in te treden". Je herkent je in de dichter van ps. 63:1: "O HEER', mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land dat dor en mat van droogte brandt". Je zit op tijd in de kerk zonder wat te kletsen over wereldse dingen en over elkaar, maar je bereidt je voor op de dienst, met de bede in ziel: "Och schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest" (Ps. 119:3).
En als het Woord van God dan ontvouwd gaat worden, dan komt er dat verlangen in ons binnenste; Zeg ons wie we zijn in Adam, vertel ons eerlijk over de vloek van God die op ons ligt, schilder de boosheid en de zwartheid van mijn hart maar uit, vertel mij hoe arglistig mijn hart is, spreek geen enkel goed woord van de gevallen zondaar, predik ons hoe diep wij gevallen zijn en dat we zonder wedergeboorte op reis zijn naar de eeuwige dood. Maak ons duidelijk hoe onmachtig we zijn, hoe goddeloos, hoe vijandig, hoe vergeetachtig, hoe dwaas. Vertel ons ook Wie God is in Christus. Getuig ons van Zijn diepe vernedering, van Zijn verhoging. Prijs Hem aan als de vriend van hoeren en tollenaren. Spreek ons van Zijn gerechtigheid, van Zijn almacht, van Zijn gewilligheid, van Zijn oneindige liefde. Daar kunnen we nooit teveel van horen. U kunt niet zeggen Wie Hij is, maar stamel dan maar over Zijn volheid.
Als Gods Geest zo werkzaam is in ons hart, wordt onze ziel levend, dan verdwijnt alle laksheid en lauwheid en gezapigheid. Dan strekt zich al onze lust en liefde naar Hem uit.
Hoe vaak moet de Heere Zijn kinderen echter verwijten: "O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen de profeten verkondigd hebben" (Luk. 24:25). Kinderen Gods, hoe is dat nu in uw hart? Leg uw ziel er eens naast?
Hoe loopt dat af voor deze herders. Zullen zij vinden in de donkere nacht? Verdwalen zij niet? O neen, die de Heere verwachten zullen niet beschaamd uitkomen; wie zoekt die zal vinden (Matth. 7:7). We lezen in Jes. 45:19: "Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd; Zoekt Mij tevergeefs". De Heere vermaant ons Hem te zoeken terwijl Hij te vinden is (Jes. 55:6). Jeugd, nu is Hij te vinden: "En die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden" (Spr. 8:17). Nu is het de welaangename tijd, de dag der zaligheid (2 Kor. 6:2). Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden (Ps. 95:4 ber). Hij is er nog. Christus wordt nog gepreekt! We weten niet hoe dat over een jaar zal zijn. We weten niet hoe het over een maand met u zal zijn; misschien bent u wel overgegeven aan het oordeel van verharding door de lastering tegen de Heilige Geest. Misschien trekt de wolk van de Heilige Geest wel spoedig verder, zodat God wegtrekt uit Nederland. Het zou een wonder zijn als het anders was.
Deze herders vonden het Kindeke. Dat is voor ons allen nodig op reis naar de eeuwigheid. Er is onder de hemel geen andere Naam gegeven door Welke wij moeten zalig worden (Hand. 4:12). Het leven is slechts in de Heere Jezus Christus (1 Joh. 5:12). Zonder de liefde tot Hem zijn we vervloekt (1 Kor. 16:22). Het is absoluut nodig dat we onze zonden leren kennen en Hem als de Zaligmaker van zonden nodig krijgen en Zijn dierbaarheid mogen zien. Dan wens ik deze vraag in alle ernst aan uw ziel te legen: Hebt u Hem leren kennen? Bent u een zoeker naar Hem?
De herders vonden het kindeke Jezus. Eerst beoefenden zij het geloof in het Woord en toen vonden zij. Velen willen het omdraaien; eerst de ervaring en dan het geloof. En de duivel heeft daar niets op tegen. Gods kinderen zijn hierdoor vaak verward en in het donker. Deze herders vonden in de weg van het geloof tegen hoop op hoop. Abraham heeft jaren niets anders dan het Woord van God gehad om daarop te hopen in al zijn klachten. Daarmee was hij werkzaam. Dat dreef hem uit. Zo vervulde de Heere Zijn Woord en mocht hij zijn kind Izak in zijn armen houden. Zo gaat het met al Gods kinderen die blijven aanhouden aan de troon der genade. Ze zullen inderdaad niet de Heere Jezus letterlijk vinden in de kribbe van Bethlehem, maar niet minder werkelijk is de geestelijke ontmoeting met Hem. Ze zullen vinden, ze zullen Gods vriendelijk aangezicht mogen zien en zo een voorsmaak van de zaligheid ontvangen.
Zoals deze herders door het geloof kwamen, zo zullen allen die door het geloof en niet door aanschouwen wandelen in deze aardse bedeling, degenen die zien door een spiegel in een duistere rede, zien met de ogen van het lichaam. We zullen Hem zien zoals Hij is. Niet als Kindeke in de kribbe, maar als verheerlijkte Koning. Dan gaat het geloof over in aanschouwen. Geloof en hoop blijven achter en de liefde blijft eeuwig over. Dan zal gelden van die grote schare wat we lezen in Ps. 68:2: "Hun blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen".
3. De vondst van het Kindeke
De herders vonden Maria en Jozef. Het was niet de gewoonte dat een man bij het baren van zijn vrouw tegenwoordig was. De moeder en zusters van de vrouw waren aangewezen om hier te helpen. Misschien was Jozef weer terug bij Maria of wellicht dat hij er wel bij was wegens het feit dat Maria er helemaal alleen stond, aangezien haar familie niet tegenwoordig was.
Toen de herders in Bethlehem aankwamen, zagen zij dat de hele ruimte vol zat met vrouwen en mannen uit Bethlehem die allemaal gekomen waren om aan te bidden. Er was vreugde, er brandde licht. Is dat de beschrijving? Neen, er is niemand gekomen. Niemand neemt de moeite om naar de stal te komen. Niemand weet ervan, maar ook niemand wil ervan weten. Ongetwijfeld zouden velen zich geschaamd hebben om in deze stal binnen te gaan. Maria en Jozef zitten bij het Kindeke en verder niemand.
Wat een troost voor Maria dat deze herders hier binnentreden. Ze heeft slechts eenmaal een engel ontmoet, en dat is nu alweer negen maanden geleden. Verder heeft ze nooit meer een bevestiging van de Heere ontvangen. Wat zal er door Maria heengegaan zijn. Het leek wel alsof Gods beloften hun vervulling misten. De Heere zorgde helemaal niet voor een goed huis in Bethlehem, het leek allemaal helemaal niet van de Heere te zijn. We lezen er verder niet van, maar we kunnen ons voorstellen dat het geloof van Maria beproefd is en dat het door haar ziel heenging; "Zou God Zijn genade vergeten en nooit meer van ontferming weten?". "Zou de Heere vergeten hebben genadig te zijn?".
De herders vinden Maria en Jozef. Het is heel groot als kinderen van God elkaar mogen ontmoeten, of het dan christenen zijn in Nederland of uit andere landen. Alle tegenstellingen vallen in de Heere weg, zodat we niet hoeven te strijden voor eigen eer en eigen mening.
Gaan de herders dan met Maria en Jozef praten over hetgeen hen overkomen is, hoe de engel hen verschenen is, hoe zij terstond op reis gegaan zijn?
Denkt u werkelijk dat ze tijd hebben om over hun eigen ondervindingen te praten? Die tijd kan wel een keer komen, maar hun bevinding is niet Christus. Wat zal belangrijker voor hen zijn? Hun ondervinding of de kribbe die ze op een afstand zien staan? Het gaat in deze geschiedenis uiteindelijk niet om de herders, maar om de geboren Christus.
Ze schrikken niet van de eenvoud van de kribbe. Het is hen bekend gemaakt als een teken van de Heere dat ze hieraan het Kindeke zullen herkennen. Het hoogmoedig hart ergert zich aan de vernedering van Jezus, maar juist de ontledigde zondaar vindt in Hem alles.
En wat zien we? De stoere herders buigen neer voor de kribbe. Het staat niet in de tekst, maar het is buiten alle twijfel dat zij dat evenals de wijzen uit het Oosten gedaan hebben. Over hun verweerde wangen lopen tranen, ditmaal niet van verdriet en van berouw, maar van verwondering en aanbidding. En door hun hart gaat het: "Troost troost mijn volk, zal ulieder God zeggen" (Jes. 40:1).
Wat zien de herders in dit kindeke? Is het dan zulk een bijzonder kind? Is er een stralenkrans rondom Zijn hoofd, dat ze zo diep onder de indruk zijn? Is het kindje Jezus zo schoon van aanzien? Neen, ze zien een heel gewoon kind, niet eens een knap kindje, als zij Hem aanzien zo is er geen gestalte dat zij Hem zouden begeerd hebben (Jes. 53:2).
Het is niet te zeggen wat er door hun ziel heengaat. Zoals de eerste ontmoeting van een jongen en een meisje zich niet beschrijven, zo is het met al degenen die het heilgeheim van het evangelie mogen verstaan. Je moet het zelf beleefd hebben, om te weten wat het is.
Ze zien niet iets in Hem, ze zien niet veel in Hem, maar ze zien alles in Hem. Van welke dingen zij zich bewust zijn, weten we niet. Dat is ook niet zo belangrijk. Dat is voor al Gods kinderen een hele levensles om te weten welke dingen hen van God geschonken zijn (1 Kor. 2:12). We raken nimmer uitgeleerd in de heilsfeiten. Hoemeer we ervan mogen verstaan hoemeer we gaan beseffen dat we er nog niets van weten.
Ze vinden het Kindeke. Ze zullen er vast en zeker iets van verstaan hebben dat de verborgenheid der godzaligheid groot is, God geopenbaard in het vlees (1 Tim. 3:16). Het is al zo ontzaglijk groot dat God tot de mens kwam, omdat de mens tot God niet kon en wilde komen. Maar kerst is meer en gaat dieper. God komt niet alleen tot de mens, maar God wordt mens. God herstelt de breuk in Zichzelf. Jezus is God en mens in één Persoon.
Hij is God en mens... De eeuwige is een tijdelijk mens. Zijn eeuwigheid is niet veranderd, maar Hij is nog steeds de Eeuwige en nu ook de sterfelijke. Hij komt niet met de natuur van Adam voor de zondeval, maar in de gelijkheid van het zondige vlees (Rom. 8:3). Wie kan dat wonder ooit verstaan!?
Hij is de Almachtige Die alle macht heeft in hemel en op aarde, Die macht heeft zonde en hel en dood en satan te overwinnen, Die bij machte is om het hardste te doen versmelten. Hoe noodzakelijk en hoe gepast is Hij voor al Gods kinderen juist in Zijn almacht. Waar wij geen kracht hebben om met één zonde te breken en één goede gedachte van de Heere te denken, daar heeft Hij ook in het zondaarshart alle macht. Waar ons hart kouder is dan een steen en harder dan een diamant hoeft Hij slechts te spreken en we smelten weg in verootmoediging voor Hem. Als Hij toch eens niet de Almachtige was. Als Hij toch eens geen Goddelijke Zaligmaker zou zijn... Tegelijk is deze almachtige de zwakke en de hulpeloze, Die door Zijn moeder geholpen moet worden. Die hongerig zal zijn, die verzocht kan worden, die bedroefd kan zijn, die beangst kan worden, die als de zwakste aan het kruis komt om daar te lijden en te sterven.
Hij is de Alwetende en tegelijkertijd een onnozel kindeke dat van Zijn moeder alles moet leren. Hij moet leren lopen, leren lezen, leren praten. Hij is de allerhoogste Majesteit en tegelijkertijd zo nederig en nietig. Deze herders zien een klein kind met hun natuurlijke ogen. Met hun geestelijke ogen zien ze God. Voor het natuurlijk oog een heel eenvoudige kribbe en een heel gewoon kind. Voor het geloofsoog schittert dit meer dan het schoonste paleis en de mooiste prins. Deze kribbe is meer dan een troon. Deze doeken zijn schoner dan purper.
Het wonder van Zijn Persoon is al zo ontzaglijk groot, nog groter het wonder dat dit ten nutte van zondaren is. Hij ligt in een kribbe in doeken gehuld. Welk een prediking ligt hierin opgesloten: "Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden" (2 Kor. 8:9). Hij was niet arm, maar is arm geworden. En dat voor straat-en- straatarme zondaren, zij die geen penning hebben om te betalen. En die de schuld alleen maar groter maken. Ook met de beste werken. Hij is arm geworden, opdat zij door Zijn armoede rijk zouden worden. Dan kunnen zondaren het niet meer op. En toch het is waar, het heeft geklonken; U is heden geboren. Zij rijk? Zij met God? Zij een mede-erfgenaam van dit kindeke, een erfgenaam van het eeuwige leven? Hier breekt ons hart en jubelt het vanbinnen: "U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan".
Welk een prediking van de eeuwige liefde van God. De herders hebben het horen zingen door de engelen: "In de mensen een welbehagen". Wat is er dan toch in mensen te vinden? Zijn de gevallen mensen dan beter dan de gevallen engelen? Behagen mensen God meer? O Neen, wij hebben de duisternis liever gehad dan het licht omdat onze werken boos waren. We zijn verzot op onszelf en hebben God vergeten. En dan in zulke vuile zwarte, dode, verdoemelijke mensen een welbehagen? Ja toch, hier ligt Christus, het Kindeke van Gods welbehagen... En dat niet omdat God zo optimistisch is dat er van de mensen nog iets te maken valt... We zijn en blijven doodsvijanden van vrije genade. Dat maakt het wonder zo ontzaglijk groot, zo diep; in de mensen een welbehagen. En dat reeds eeuwig. Zij storen zich niet aan de leer van Gods welbehagen, maar zij weten dat zij daaraan en daaraan alleen hun ganse zaligheid te danken hebben. Het is voor hen geen muur voor de zaligheid, maar de enige poort tot de zaligheid. Zo leeft het in hun ziel: "Ere zij God".
Zo buigen de herders voor de kribbe terneer: "Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel. Komt maakt God met mij groot, maakt elk van die weldaden deelgenoot". Al hebben ze weinig gaven om te spreken, al zijn ze er niet aan gewend, ze hebben de tong van een die vaardig schrijft: "Laat ons alom Zijn lof ontvouwen. In Hem verblijdt zich ons gemoed".
Met al Gods kinderen zullen deze herders eenmaal het lied van Mozes en Lam zingen, met een stem zoals nooit tevoren: "Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen" (Ps. 72:11).