Sauls strijd tegen de Amelekieten (1 Samuel 15:1-3)



a. De gerechtigheid van de heilige oorlog

Saul is inmiddels een jaar of 8-9 koning. Grote daden van hem zijn beschreven. Hij is moedig opgetreden toen Jabes in Gilead werd belegerd door Nahas van de Ammonieten. 1 Sam. 11. In de volgende hoofdstukken lezen we van zijn strijd tegen de filistijnen. De geest van God is op Saul. Dat geeft hem moed, helderheid van geest, strategische inzichten en overwinningen. We krijgen de indruk dat dit alles al enige jaren is geleden. Er is inmiddels een betrekkelijke rust gekomen in het volksleven van Israel. De vijanden durven niet meer en moeten het laten afweten.

Nu komt Samuel naar koning Saul. Hij heeft een speciale boodschap. Saul krijgt een opdracht. Hij moet naar het zuiden van het land gaan. Over de zuidgrens van Juda heen woont het volk van de Amelekieten. Saul krijgt de verschrikkelijke opdracht om dit hele volk uit te roeien. Hij moet de mannen doden, de vrouwen, de kinderen en zelfs de zuigelingen. Ook de ossen en de schapen en de kamelen en de ezels. Het volk moet totaal worden uitgeroeid. U kunt dit hoofdstuk niet serieus lezen zonder hierover te struikelen. U leest het nog eens en nog eens.

Dat gaat ver; in een oorlog sneuvelen altijd soldaten. Als we bijvoorbeeld in 1 Sam. 11 lezen over de ontzetting van Jabes in Gilead dan sterven daar de soldaten van de Ammonieten. Hier sterven niet alleen de soldaten, maar burgers. Dat is zoveel aangrijpender. Dat is het tragische van de Tweede Wereldoorlog, maar ook van de problemen in Kosovo.

En dan betreft het hier jongens en meisjes, pubers en kleuters, zuigelingen zelfs. Persoonlijk vind ik dat altijd het meest aangrijpend; als u zo'n jonge jongen uit Albanie recht in de ogen ziet. Die ogen spreken boekdelen. De hele ziel van de jongen ligt erin te lezen. De ogen staan starend. Ze hebben iets gezien wat u nimmer zag. Het stempelt het hele leven van zo'n jong mens. Het bezorgt hem misschien wel nachtmerries. De kranten laten er iets van zien wat de ziel van zo'n jongen heeft opgenomen via zijn ogen. In maatschappelijk opzicht onschuldige jongen die alle aardse zekerheden mist, wellicht geen ouders meer heeft en die misschien wel zal sterven door de terreur van een Milosevic. Verschrikkelijk! Onaanvaardbaar.

Zegt Samuel dat tegen Saul? Hoe is dat toch mogelijk? Dat staat aan het begin van het hoofdstuk in het eerste vers. Uitdrukkelijk zegt hij dat de HEERE hem heeft gezonden. Samuel heeft dit niet zelf bedacht, maar het is een opdracht die de Heere aan hem heeft gegeven. Het is geen wreedheid van de richter, maar gerechtigheid van God. Het is geen wrok van een mens, maar heilige wraak van God. Mij komt de wraak toe. Dat is niet toevertrouwd aan onze hartstochten.

Wij zijn zo humaan en beschaafd dat we ons ergeren aan zo'n gedeelte in de bijbel. En we mogen blij zijn met een stuk beschaving. Dat is in onze cultuur ook wel anders geweest. Dit gedeelte in de Schrift klopt niet met ons gevoel. En laten we maar eerlijk zeggen; dan is onze eerste vraag; is dat niet te streng? Kan God zelfs kleine kinderen laten sterven die nergens actief part noch deel aan hebben? Gaat dit niet te ver? Is dit nu de God van de bijbel? We kunnen wel begrijpen dat mensen het OT een oorlogsboek noemen. Is God zo? Dan hoeft het van ons niet. Een paar opmerkingen:

a. We zijn wel heel snel in onze kritiek op God. We beseffen allerminst hoe groot Hij is. We willen Gods oordeel onderwerpen aan ons oordeel. Gods manier van handelen moet aansluiten bij ons gevoel. En als dat niet zo is, verwerpen wij Gods daden. We realiseren ons allerminst dat God wel eens veel groter kan zijn dan ons gevoel. En dat ons verstand zo verduisterd is, dat wij wel een heel verkeerde indruk van de werkelijkheid hebben. Als een wormpje werpen we stenen naar de hemel en ze komen op ons eigen hoofd neer. We morren wat tegen God. Hij krijgt altijd de schuld.

Wat de Heere van ons vraagt, is blindelings vertrouwen, de kruisiging van ons verstand, de aanbidding van Hem, onvoorwaardelijk! Dat is gemakkelijk gezegd, maar als het in ons eigen leven nu eens heel anders gaat dan we wensen. Als het in het gezin tegen onze haren instrijkt, als onze gezondheid wordt gebroken, als we een geliefde moeten missen. Iemand in de kracht van zijn leven, terwijl oude mensen in leven blijven. Wat kost het dan om het onvoorwaardelijk met de Heere eens te zijn. Om Hem te aanbidden en te belijden; het is wijsheid wat Gij doet!

b. We moeten ons ook realiseren dat deze vernietiging van de Amelekieten niet op zichzelf staat. Het is een heel oud volk. Voordat Abraham er was, waren zij reeds een handelsvolk. Het waren rondreizende bedouinen in de woestijn. Bileam noemt hen de eerstelingen onder de heidenen/volkeren (Num. 24:20). Veel ouder dan Moab en Edom.

We komen ze in de bijbel voor het eerst tegen als Israel uit Egypte is getrokken. Israel is dan in de Sinai woestijn, bijna bij de berg Horeb, bij de plaats Rafidim. Ze zjin als volk vermoeid en afgemat en dan vallen de Amelekieten hen onverwacht in de staart aan. Ze vallen niet van voren aan waar de sterke mannen lopen, maar achteraan waar de vrouwen en kinderen lopen. Heel gemeen. Ze hebben toen het onderspit moeten delven. Dat gebeurde toen Mozes bad. Aaron en Hur ondersteunde zijn armen en Jozua was de kapitein in het leger.

Het gaat hier niet over volkerenmoord, maar het is Gods gerechtigheid. Het is een heilige oorlog. Saul moet de heiligheid van Gods verbond uitoefenen. De Amelekieten zijn rechtstreeks tegen God in opstand. Er was geen enkele aanleiding tot de aanval, maar wellicht hebben ze zelfs met bewustheid Gods belofte willen vernietigen.

Zo rechtvaardig is God. Hij eist vernietiging van de mensen. Tegenover niemand mag Israel medelijden betonen. Er is een algemene opinie in deze wereld dat Hitler, Mao en Milosevic hun straf niet mogen ontgaan. Zoveel rechtvaardigheidsgevoel hebben we wel. Het zou erg zijn als er geen oordeel over ons leven na de dood was als zulke schurken hun straf zouden ontgaan. Zou u niet vrezen als God zo rechtvaardig is? U weet veel meer dan de Amelekieten. U hebt veel meer te vrezen dan zij! Waarop waagt u het? Waarop is uw verwachting gefundeerd? Hoe komt het dat u zo rustig kunt doorleven? Wij hebben een heel oppervlakkig besef van Gods rechtvaardigheid. En daarom zo'n oppervlakkig besef van onze zonde. We nemen dat nogal licht op. We liggen er niet van wakker. Waarom zouden we? God is immers liefde.

Is Gods oordeel wel eens persoonlijk voor u geworden? Dat u zo'n misdadiger bent in Gods oog? Dat u tot alle boosheid bent geneigd? Of u zo totaal Gods oordeel over uw eigen leven hebt aanbeden. Ontdekking aan uw zonden brengt u daar dat u gaat belijden dat u Gods gramschap dubbel waardig bent. Of kent u dat niet? Bent u een vriendje van God die alleen nog een grotere vriend moet worden? Nooit een goddeloze voor God geworden?

Kinderen zijn daarbij niet onschuldig. Zelfs kinderen die er zelf niet bij betrokken zijn geweest. Gods heilig ongenoegen werkt door in de geslachten. Ons leven van vandaag is beslissend voor onze achterkleinkinderen. We zien hier een geweldig concrete en huiveringwekkende toepassing van het tweede gebod. Ouders, wat hebt u een geweldige verantwoordelijkheid voor uw nageslacht dat u nog niet eens kunt zien. Gods gerechtigheid gaat veel verder dan wij dat vermoeden. Uw achter-, achterkleinkinderen vormen een eenheid met u. gods moraal is veel hoger dan onze moraal.

Ook kinderen kunnen voor Gods geweldige en huiveringwekkende gerechtigheid niet bestaan. U hebt daar "ja" op gezegd toen u uw kleine ten doop hield. Je ouders hebben gezworen dat jij de eeuwige dood hebt verdiend. We dopen onze kinderen en we belijden daarbij dat ze kinderen des toorns zijn. Ze hebben dezelfde boze aard als u. Een welp ziet er heel lief uit, maar het heeft een leeuwenkarakter. Dat lieve poesje van u herkent u niet als het een vogeltje in de tuin ziet; dan verandert het in een tijger. Kinderen, jullie hebben vergeving van je zonden nodig. Al heb je nooit concrete zonden gedaan, dan is dat geen reden dat je naar de hemel kunt. Zoek de Heere terwijl Hij te vinden is.

Zelfs de dieren worden vernietigd.



b. De genade van de heilige oorlog

Deze geschiedenis spreekt ons op verschillende manieren van Gods geweldige geduld en genade.

1. Toen Mozes zijn afscheidsrede heeft gehouden, heeft hij drie dingen gezegd. Het volk zou een koning ontvangen. Ze moesten een huis voor God bouwen. En ze moesten Amelek ombrengen. De gedachtenis van Amelek moest worden uitgeroeid. Heel uitdrukkelijk roept de Heere bij monde van Zijn knecht hen op om weg te vagen van de aarde. Dat is nu al 300 jaar geleden (400 volgens Gill). al die tijd heeft de Heere hen laten bestaan. Waarom? Om Gods geduld te gebruiken om om onze eigen gang te gaan? Zo gaat dat het vaak nietwaar. We menen dat Gods uitstel afstel betekent. Als God ons 30-40 jaar laat leven, dan verzoenen we ons met het onbekeerde leven en we gaan ervan uit dat onze schuld bij God wel zal verjaren. God is blind of doof of vergeetachtig.

Gods geduld is niet bedoeld opdat wij de verzoening met Hem zouden uitstellen, maar het is bedoeld dat wij meer berouw en gebed zouden hebben. Gods geduld is bedoeld ter verootmoediging. Wat hebt u al veel tijd van de Heere gekregen als Hij met jou tien jaar geduld heeft. Wat heeft de Heere een geduld met een 50-jarige in ons midden!

Als de Heere zoveel geduld met ons heeft, zouden wij dan niet wat meer geduld hebben met onze kinderen. Zouden wij dan niet geduldiger zijn tegenover hen die ons zoveel moeite en verdriet bezorgen. Wat zijn we dan vaak kort van stof en springen we er boven op. Als we gaan zien wat wij de Heere al zolang voor een verdriet aandoen, gaan we een toontje lager zingen tegenover onze medemens.

2. Er is nog een kant aan Gods opdracht te ontdekken. Amelek verstoort immers de vrede van Gods volk. Amelek blijft bezig op een gemene wijze Israel het leven zuur te maken. Waar ze het volk kunnen treffen, treffen ze het. In verbond tegen Israel (Ps. 83:8). Ze vallen Israel niet eenmalig aan, maar het blijkt hun aard te zijn. Keer op keer komen we ze tegen in de geschiedenissen van het OT. De Amelekieten zijn niet veranderd. Heel de geschiedenis door blijven ze Israel aanvallen en benauwen. Als het volk bij Kades Barnea in het zuiden van Israel is aangekomen en de tien verspieders zeggen dat het land bewoond wordt door reuzen, moeten ze opnieuw de woestijn in. Dan zijn het de Amelekieten die hen opnieuw benauwen (Num. 14:45). In de tijd van de richters mengen ze zich met de andere Kanaanieten om Israel tegen te staan. De Moabieten roepen de Amelekieten te hulp als zij onder hun dikke koning Eglon ten strijde trekken tegen Gods volk. Deze koning wordt doorstoken door de richter Ehud (Richt. 3:13). Gideon moet strijden tegen de Midianieten, maar ook tegen de Amelekieten (Richt. 6:3, 13). Debora spreekt over een groepje Amelekieten dat zich onder Efraim bevindt (Richt. 5:14). Er is in deze stam zels berg die de berg Amelek heet (Richt. 12:15). In kader Gen. 3:15!

Waarom wil de Heere nu dit plunderende volk vernietigen? Het is niet alleen Zjin heilige wrekende gerechtigheid ten aanzien van Amalek, maar het is ook tedere zorg voor Zijn eigen volk. Hij wil hen Om Zjin eigen volk vrijheid en veiligheid te geven. De Heere is zo geweldig goed, Hij heeft zo'n hart voor Zijn volk. Wij verdenken Hem vaak genoeg. Wij menen dat Hij ons vergeet en dat Hij geen zorg over ons heeft. Wat doen we Hem een verdriet met ons wantrouwen en onze bedenkingen. Door het geloof gaan we zien hoeveel trouwe zorg de hemelse Vader uitoefent over Zjin kinderen. Niet alleen in tijden van voorspoed, maar ook in tijden van tegenspoed. Al die zorgen en moeiten komen uit Zijn liefde voort. Ze moeten het goede doel van onze vernieuwing dienen. De Heere wil ons onderwijzen. Funderen in Zjin Zoon.

Er is geen moment dat de Heere geen zorg draagt voor Zijn kinderen. Hij zorgt van de vroege morgen tot de late avond. Hij zorgt ook als wij het niet zien. Hij denkt aan ons bestendig, ook als wij Hem vergeten dagen zonder getal. Hij zorgt op zo'n tere wijze. Teerder dan meest bewogen moeder. Hij zorgt op de meest wijze wijze. Hij zorgt met kracht en macht. Hij hoeft het nimmer te laten afweten. Hij zorgt beter dan een Vader. Vaders zorgen ook voor hun kinderen, maar ze hebben slechte kanten, maar de hemelse Vader zorgt volmaakt voor de Zijnen. Als dit evangelie door de barst van ons weerbarstige hart sijpelt, verbreekt dat hart. Dan kunnen wij het niet. Dan mogen we ons aan Hem verliezen en ons al de dag in Hem verheugen en verblijden. Dan roepen we het uit: O lieve trouwe Vader. Ik schaam mij over al mijn wantrouwen en verschrikkelijke vermoedens tegenover U.

Gods zorg voor Zijn volk betekent de ondergang van de vijanden. Als Hij nederigen verhoogt, stoot Hij machtigen van de troon. Het zou niet barmhartigheid zijn om barmhartig te zijn tegenover de goddelozen. Gods zorg is wel huiveringwekkend. In de vreugdevolle verwondering over Zijn nabijheid is tegelijkertijd ook ontzag. Wie is een God als gij zo groot van macht en heerschappij.

En waarom? Is Israel beter dan Amelek? Heeft Israel het ernaar gemaakt dat de Heere zoveel trouw en zorg uitoefent. Saul gedraagt zich uiteindelijk net als Amelek, ook een plunderaar. Als een tiran voert hij de koning Agag mee als een trofee, naar oosterse gewoonte. Hij staat het toe als alle soldaten het beste vee sparen en meenemen, zogenaamd om een offer te brengen. Dan kan hij nog huichelen ook dat hij God bezingt (vers 13). Dat ontlokt Samuel de veelzeggende woorden; gehoorzaamheid is beter dan offerande. Hier zet de verwerping van Saul goed door. De oude Samuel moet richten. Hij hakt Agag in stukken, terwijl Saul toe kijkt. Saul wordt verworpen omdat hij ontrouw is. Hij is mislukt als redder van zijn volk. Hij is geen goede gestalte van de Messias. Saul heeft Gods verbond verraden en Gods verbondswraak heeft hem getroffen. Tot tweemaal toe lezen we de huiveringwekkende woorden dat de Heere berouw heeft over het aanstellen van Saul als koning (vers 10, 35). Is Saul nu minder dan David? Is David beter dan Saul? Wat heeft David niet op zijn geweten? Heeft David het verbond dan niet verbroken toen hij Uria liet doden? Is dat nu wezenlijk anders dan de zonde van Saul? Neen. God is getrouw ondanks de ontrouw van David. Genade is geen vanzelfsprekendheid. Genade is geen systeem. Wij hebben het niet in bezit, maar het neemt bezit van ons. Het is een wonderlijk mysterie dat alleen maar aanbidding brengt. uit de diepte van het verbroken hart stijgt. Door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen. Waarom maakt U onderscheid waar het gans niet is.

3. Sprekend over de Zaligmaker ontrolt zich voor ons oog een andere les uit deze geschiedenis. Dan houden we de adem in, omdat het al onze bevattingsvermogen te boven gaat. We zien in deze geschiedenis de huiveringwekkende toorn van God in het oordeel over Amelek. Diezelfde toorn van God zien we op Golgotha. Neen, niet dezelfde. Over Amelek is Gods toorn toch nog ingehouden. Christus heeft echter de ongetemperde toorn van God gedragen. Hij is eronder vergaan. Hij heeft ontallijke smaadheden geleden. Hij heeft gekreund en gekermd en uitgeroepen; Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?

Gods kinderen kunnen dit nooit genoeg horen. Ze horen er steeds weer van op. Genade wordt nooit een verhaaltje of een vanzelfsprekendheid. Het is steeds weer nieuw. Omdat onze zonde en schuld ook steeds weer nieuw is. In het geestelijk leven worden we steeds meer ontkleed en steeds staan we met meer schaamte tegenover de Heere. We voelen ons werkelijk onwaardig. We kunnen het niet doen met voorgaande vertroostingen. We herkennen ons in Petrus; Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Hoe kunt u nu gemeenschap hebben met zo'n afschuwelijk onverbeterlijke zondaar als ik. Heere, ik ben niet anders dan drek en modder. Ik kan voor U niet bestaan.

In die verlorenheid van onszelf blijft er maar een wonder over; het wonder van Gods Zoon. Het wonder van Zijn lijden en sterven. Dat is de prediking van het evangelie. Dat is de bediening van het avondmaal; Hij voor mij daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. Wat is dat wonder dan groot. Dat wonder wordt steeds groter. Heere, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan!



c. De ernst van de heilige oorlog

Saul is gegaan. Hij is nog niet in de tijd van zijn leven dat de boze geest hem geheel en al in beslag heeft. God gebruikt hem om Zijn verbond heilig te houden. Hij heeft de Kenieten gevraagd zich terug te trekken. Dat zijn de nakomelingen van Jethro de schoonvader van Mozes. Ze wonen in tenten, zodat ze gemakkelijk kunnen verhuizen. Waarschijnlijk heeft Saul als een goed strateeg bezit genomen van de greppels rondom de stad Amalek. Zo heeft hij het beleg om de stad geslagen. Hij heeft de overwinnnig behaald. HEt was tenslotte niet zijn strijd, maar Gods strijd.

Er is een geweldige slag toegebracht aan de Amelekieten. Groten en kleinen moeten sterven. Onverbiddelijk. Er blijven nog Amelekieten over. WE komen ze tegen als David ze vanuit Ziklag gaat bestrijden (1 Sam. 27:8). Het zijn de Amelekieten die Ziklag verbranden (1 Sam. 30:1). Het is een Amelekiet die beweert dat hij Saul op het slagveld van Gilboa heeft gedood. Hiskia zal ze de definitieve slag toebrengen dat ze volledig zijn uitgeroeid op de aarde (1 Korn. 4:41-43).

Juist dat geeft ons een vraag die overblijft als we deze geschiedenis overwegen. Is de manier van Gods handelen in het OT anders dan in het NT? In het NT krijgen we toch een heel andere indruk van God? Jezus brengt dat toch ook Zelf in praktijk; Heb je vijanden lief. Hij heeft zelfs voor Zijn eigen moordenaars gebeden aan het kruis? Is dat toch niet een andere benadering dan hier tegenover Amelek?

Ook in het NT is dezelfde heilige God. Niemand spreekt zo ernstig over de hel als Jezus. Paulus schrijft 1 Kor. 16:22. We lezen in het NT van het Lam dat ook kan toornen en een Leeuw is tegelijkertijd. In het NT lezen we van Koning Herodes die van de wormen wordt gegeten omdat hij zich als God laat aanbidden. We lezen van Ananias en Saffira die dood neervallen op ene leugen. Neen, het NT spreek ons niet van een zoete lieve Jezus. Daar hebben we de Schrift niet in mee. De God van het OT is de God van het NT.

Trouwens, ook in het OT gaat het over het liefhebben van de naaste en zelfs over het liefhebben van de vijand. Het is in het boek Spreuken dat we lezen dat we onze vijand kolen vuurs op zijn hoofd dienen te werpen (25:21). Wat denkt u van David als Saul is omgekomen in de strijd. Dan heft hij geen lofzang aan, maar zingt een klaagzang. Hij heeft zijn grootste tegenstander nooit het leven benomen als dat mogelijk was.

Dan kunnen we een belangrijke les trekken. Ook vandaag moeten wij onze vijanden met wortel en tak ombrengen. Waar we dat nalaten zullen deze vijanden ons ten val zijn. We zullen in de strik komen. De enige manier om met de vijanden om te gaan is ze te doden. Een compromis is te gevaarlijk. Dat houden we zelf niet uit. In praktische dingen mogen we een overeenkomst proberen te bereiken door geven en nemen. Maar ten aanzien van het kwaad van de zonde mogen we geen millimeter toegeven. Ten aanzien van de waarheid mogen we geen water bij de wijn doen.

De radicaliteit van het OT heeft helemaal niets aan betekenis ingeboet. Zoals Israel omging met haar vijanden, zo dient u om te gaan met de vijanden. U vraagt zich af; wat bedoelt u nu toch ds? Moet ik mensen gaan doden? Neen, dat niet. Dat heeft God tegen Israel gezegd, maar dat zegt Hij niet tegen u. Dat bijzondere van de geschiedenis mag u zich nooit toeeigenen. Daar zijn al heel wat ongelukken mee gebeurd. De geschiedenis van Israel is onherhaalbaar. Wij zijn Israel niet en nooit geweest. Ook niet Israel van het Westen.

En toch zegt de Heere ook tegen u; doodt uw vijanden, namelijk uw leden die op de aarde zijn. Evenals Israel met vijanden moest strijden, zo moet u strijden met de zonde, met uzelf, met uw oude natuur. U moet niet alleen een paar stappen terugdoen, dat gaan nogal, maar genadeleven betekent dat wij onze oude natuur doden.

Het is fataal als we met onze oude natuur een compromis sluiten. Jezus noemt dat dat u beter een rechteroog kunt missen dan met uw rechteroog verloren gaan. Als we uit medelijden en zwakheid de kinderzonde laten bestaan. Dan raken we erin verstrikt en zullen ze ons ten eeuwige val zijn. Niet een zonde kunt u laten bestaan. Niet een zonde kunt u koesteren. Die ene zonde zal u naar de hel slepen. Bekering is een totale gehoorzaamheid. Herodes wilde een zonde vasthouden, maar dat werd hem eeuwig fataal. Een christen is niet een beetje ander, maar geheel anders.

In onze tijd wordt dit veel moeilijker. We leven in een tijd waarin we overal wel wat in zien. In Rk, in Islam zelfs. Gods Woord leert radicaal te zijn.

Er is maar een weg om in de hemel te komen en dat is de weg van strijd. Veel strijd. Er moet veel strijd gestreden zijn, wil het einde vrede zijn. Strijd om in te gaan door de enge poort. Paulus roept het aan het einde van zijn leven uit: Ik heb de goede strijd gestreden. Dit strijdende leven maakt ook vandaag een scheiding in de gemeente van Opheusden. Er zijn er die wel strijden en die niet strijden. Er zijn er die over de muur zijn geklommen en er zijn er die op de smalle weg wandelen. Ik kan het heel scherp zo zeggen; als u zonder strijd bent, bent u zonder genade.

In de geestelijke strijd moet u niet aan de praat gaan, en een luisterend oor hebben, maar radicaal alle boze suggesties afkappen. Had Eva maar nooit geluisterd naar de slang. Radicaal afkappen en afhakken. Op geen enkele manier de zonde toelaten in uw leven, in uw gezin, bij uw kinderen, in de gemeente. Er zijn dingen die je niet hoeft te onderzoeken. Als u weet van een boek van Kuitert dat godheid Jezus ontkend, niet nodig te lezen. Als u weet van disco, niet nodig dat te beproeven. U onderschat de kracht van die ene zonde als u ermee gaat spelen. Wat heeft Israel geweldig veel strijd gehad van de volkeren in Kanaan omdat zij hen niet volledig hadden uitgeroeid naar gods bevel. Ze hebben hen verleid, ze hebben tegen hen gestreden, ze hebben hun vrouwen verkracht, hun akkers geroofd, het leven onmogelijk gemaakt.

wij hebben nogal eens de neiging om onze zwakheid tegenover de zonde te verontschuldigen met onze oude natuur. Wji zijn nu eenmaal mens. Een christenleven wordt nooit volmaakt. En zo verdedigen we onze luiheid en traagheid. Paulus heeft dat inderdaad beleden, maar wel onder tranen en zuchtend. Niet met een glimlach.

U voelt wel aan zo'n strijd op leven en dood is niet een zaak waaraan je wel went. Neen, dat geeft een levenslange inzet, afhankelijkheid van de Heere om elke dag opnieuw door te komen. Heere, wil mij voor struikelen bevrijden. gun vandaag ook leven aan mijn ziel. Het is een arm en afhankelijk leven.

Hoe kunnen wij strijden? God vervult de strijd in de weg van aftakeling en ontwapening. Gideon weet daarvan mee te praten. Zijn leger van 300 man stond tegenover de 135000 midianieten. Het leek compleet op zelfmoord. Het is een grondwet ni Gods koninkrijk; als wij zwak zijn, dan zijn wij machtig. wij maken daar vaak van dat we machtig zijn nadat we zwak zjin geweest. Dat staat er echter niet. Wij kunnen nog vaak zoveel en we hebben nog zoveel. Maar gans hulpeloos zjin we het sterkste. Gans dwaas zijn we het meest wijs. We worden zo arm dat we niets anders overhouden dan Gods Woord alleen. Zo zijn we in Christus meer dan overwinnaars. Zo is de roem voor Hem. NIet ons wapenfeiten, maar Zjin heilsfeiten blijven alleen over. Hij heeft alles gedaan. Zo worden Zijn wonden steeds schoner en Zjin liefde steeds rijker.

Ps. 83, 97, 98, 137,

literatuur: Calvijn, Gill, chr. encyclopedie op Amelek, vd Beek (P 86-87), Henry, Goslinga (KV). Plumer op Ps. 137:9.