De verwerping van Saul, 1 Sam. 15:24-26 (KW 141199)

1. De zonde van Saul

Wat een indrukwekkend gezicht! Voorop loopt Saul als de machtige koning. Naast hem loopt de geboeide koning Agag van de Amalekieten als een trofee van overwinning voor de koning van Israël. Daarachter gaan de militairen in lange kolonnen. De rij schijnt niet op te houden. Het zijn er ook maar liefst 200.000. Daarachter komen de kudden met schapen en koeien. Wat een dikke beesten. Een geweldige buit heeft men op het vijandige volk veroverd. Kortom, het is een geweldig politiek succes dat Saul heeft behaald. Zijn strategische bekwaamheden zijn opnieuw bewezen. Hij kan tevreden zijn.

Wat doet Saul als hij weer terugkomt in het land? Bouwt hij een altaar voor de Heere om Hem dank te brengen voor de overwinning op de Amalekieten? Neen, bij de Karmel richt hij een pilaar op, een gedenkteken. Het moet een blijvende herinnering zijn aan dit wapenfeit van de koning. Heel fijntjes staat er in onze tekst: "Hij heeft zich een pilaar gesteld" (vers 12). Saul moet geschiedenis maken.

Daarna zet hij de reis voort naar Gilgal. Daar is hij ooit als koning gezalfd. Terwijl hij onderweg is, komt een oude man hem tegemoet. Saul herkent hem direct als de oude profeet Samuël. Hij heeft ontzag voor de gezant van God. Voordat deze een woord kan zeggen, is Saul hem al voor. Met een zekere gretigheid zegt hij: "Gezegend zijt gij de HEERE. Ik heb het woord van de HEERE bevestigd" (vers 13). Hij verwijst hiermee naar de huiveringwekkende opdracht die Samuël hem heeft gegeven in de Naam van de Heere (vers 3). Hij moest Amalek verbannen, uitroeien: Mannen, vrouwen, kinderen, zuigelingen, ossen, schapen en kamelen. Zo’n radicaal bevel vinden we zelfs niet bij de opdracht om Jericho in de ban te doen.

Samuël reageert echter helemaal niet op deze begroeting. Hij komt wat onbeleefd over. Met de hand achter zijn oog draait en buigt hij zich naar het leger toe en vraagt dan wat het voor een geblaat en geloei is, achteraan in de stoet.

Saul reageert heel alert: "Het volk heeft de beste schapen en koeien meegenomen om aan de HEERE uw God te offeren, maar het overige hebben wij verbannen" (vers 15). Daar kunt u als profeet toch niets tegen hebben? Het zal een geweldig offer zijn. Het gaat niet om tien koeien of twintig schapen, maar ongetwijfeld zijn het honderden dieren. En dan te bedenken dat het niet de slechtste dieren zijn die men aan de Heere offert, maar de beste.

Samuël is helemaal niet onder de indruk van dit geweldig grote offer. Hij vertelt iets over de nacht die achter hem ligt. Het is voor hem een verschrikkelijke nacht geweest. Hij is door Gods boodschap geraakt in de diepste vezels van zijn bestaan. Hij heeft geworsteld en geroepen, de hele nacht door. Het is voor hem zo ontzettend moeilijk te verwerken en te plaatsen wat de Heere heeft gesproken (vers 11). Hij vertelt niet alles aan Saul, maar hij herinnert hem aan het feit dat de HEERE hem tot koning heeft gezalfd over Israël. God is de Koning van Israël. U bent de uitvoerder van Zijn wil. Het is Gods volk en niet uw volk. U hebt Hem volstrekt te gehoorzamen. U kunt niet uw eigen gang gaan.

Dan vervolgt de profeet. De opdracht van de Heere was duidelijk. Je moest de Amalekieten uitroeien en verbannen. Het was een heilige oorlog. De Heere heeft al meer dan drie eeuwen geduld met dit volk gehad. Ze hebben na de eerste laaghartige aanval in de woestijn van Rafidim niet anders gedaan dan Mijn volk aanvallen en proberen te vernietigen. De maat van hun zonde is vol. Ik zal de weg vrijmaken voor de geboorte van Mijn Zoon. Saul, je hebt nu wel allerlei mooie verhalen, maar je bent gewoon ongehoorzaam aan het bevel van je Zender. Je hebt geen heilige oorlog gestreden, maar je hebt een rooftocht gehouden. Je bent niet voor God bezig geweest, maar voor jezelf. Je hebt je geweldige roeping als gezalfde Gods verzaakt. Je hebt kwaad gedaan in de ogen van de HEERE.

Dit is een geweldige beschuldiging. Samuël trekt de goede bedoeling van Saul in twijfel. Er is geen sprake van een misverstand over de manier waarop de ban moet worden voltrokken. De goede trouw van de koning staat hiermee ter discussie. In de woorden van de profeet ligt zelfs opgesloten dat hij er niets van gelooft dat Saul van plan is geweest om al de vette beesten aan de Heere te offeren. Het is een ad hoc oplossing om zichzelf te rechtvaardigen. Saul geeft een vrome draai aan zijn verhaal om zijn zonde te bedekken.

Saul geeft het echter nog niet op. Hij verdedigt zichzelf. Heel stellig beweert hij dat hij naar de stem van de HEERE heeft gehoord en dat hij heeft gewandeld op de weg die de HEERE hem zond. Hij brengt iets nieuws in, namelijk dat hij Agag heeft meegebracht, alsof dat gehoorzaamheid is... Saul blijkt een politicus te zijn. Het komt toch wel openbaar dat Agag nog leeft. Hij staat sterker als hij dat zelf erkent. Het meestal zo dat degenen die zich het meest beroemen in hun goede daden, het meest nalatig zijn... We overschreeuwen ons eigen geweten. Maar, voegt Saul er in één adem aan toe, de Amalekieten heb ik verbannen. En dat de schapen en koeien zijn gespaard, is niet mijn schuld, maar die van het volk. Hij hanteert het afschuifsysteem.

Dan komt Samuël met zijn felle kritiek en veroordeling. Hij neemt het wapen van Saul, laadt het opnieuw en richt het tegen hem. Hij vangt hem in zijn eigen woorden. Wat geeft de HEERE nu om de offers? De offers zijn niet verkeerd, maar het gaat Hem niet om offers als zodanig. Ze hebben geen intrinsieke waarde. Die kunnen niets goedmaken. Die zijn geen dekmantel voor ongehoorzaamheid en eigenwilligheid. Gehoorzaamheid is meer dan offers, de beste offers zelfs. Weet u Saul, in Gods oog is het dienen van God op uw eigen manier net zo verschrikkelijk als tovenarij (waarzeggerij), afgoderij en beeldendienst. Dit is een geweldig diepe opmerking als we ons realiseren wat Saul aan het begin van zijn regering heeft gedaan. Hij heeft zich toen beijverd om de tovenaars uit het land weg te doen. Saul voerde geen oppositie tegen God. Hij wil Hem ook nog wel dienen. Maar nu zegt Samuël dat het dienen van de HEERE op je eigen manier net zo verschrikkelijk is als de gruwel van tovenarij... Het gaat in beide zonden om het eigenmachtige van ons leven. We breken Gods wet en accepteren de Wetgever niet boven ons.

Wat een geweldige onthutsende waardering van Gods kant. Wat een aangrijpend contrast. Saul is meer dan tevreden met het behaalde succes. Maar de Heere oordeelt radicaal anders. Het politieke en strategische succes is een geestelijke mislukking. God vraagt niet in de eerste plaats grote offers, maar het offer van zelfverloochening.

Gemeente, u voelt wel aan dat deze geschiedenis zo heel dichtbij komt. Ik maak enkele toepassingen. Eerst een kerkelijke toepassing. Hoevaak maken wij de geweldige vergissing dat wij menen dat ons kerkelijk bedrijf de Heere aangenaam zal zijn. Duizenden mensen die de zondag vrijhouden en naar Zijn huis gaan om Zijn Woord te horen, die ook doordeweeks actief zijn in verenigingswerk en catechese, die verontwaardigd zijn over abortus en euthanasie, die ook nog wel iets over hebben voor de dienst van de Heere en een goede dankdagcollecte bij elkaar brengen en zo tien predikanten bekostigen. Wat is het toch allemaal "fijn" in hervormd Katwijk. Wat zijn er toch veel goede dingen in ons midden... We zijn toch eigenlijk wel een beetje tevreden met ons kerkelijke bedrijf. Waar vind je dat nog in Nederland? De Heere kijkt echter volstrekt niet naar de buitenkant, het uitwendige vertoon. Saul deed een heleboel goede dingen. Hij had heel wat vijanden verdreven. Hij had het volk rust gegeven van al die vervelende omliggende volken. Hij had alle Amalekieten op één na gedood. Hij had de meeste koeien en schapen laten ombrengen, maar de beste zou hij offeren. En toch is Gods oordeel zo radicaal. Dat is vandaag niet anders. Als de we Gods Woord zo goed mogelijk inhoud geven, maar toch op bepaalde punten reserves inbouwen, praktijken hanteren en zonden accepteren, die zich niet verdragen met Gods Woord, is ons hele bedrijf voor God blijkbaar net zoveel waard als tovenarij... Dan staat ons kerkenwerk op gelijke lijn met de arbeid van een magnetiseur, iemand die leeft bij zijn horoscoop.

Ik maak een persoonlijke toepassing. De Heere leert ons hier dat ik net zo bezig ben als Saul, als ik ijverig ben in de dienst van de Heere, mijn gaven geef, offers van tijd breng, twee keer per zondag naar de kerk ga, maar toch één zonde vasthoud en koester. Als ik mijn eigen manier van leven erop na houd, mijn eigen invulling geef aan het christelijk geloof (hoe ongemerkt kan dat gaan!) compenseert mijn ijver mijn gebrek aan zelfverloochening niet. Als eigen eer en eigen hachje en eigen voordeel samen gaan met het dienen van God is het blijkbaar van nul en gener waarde.

Ik maak ten slotte een bevindelijke toepassing. Gods Woord en Geest grijpen mij aan in mijn diepste zelf, halen de onderste steen naar boven en confronteren mij met de verborgen diepten van mijn hart. Wat een pijnlijke ontdekking dat ik net als Saul blijk te zijn, hoewel er bij mij geen concrete ontsporingen zijn aan te wijzen. Mijn hart kenmerkt zich niet door onvoorwaardelijke overgave aan de Heere, maar door eigenbelang en zelfhandhaving. Ik probeer de Heere met mijn offers te bewegen. Ik ben heel mijn leven bezig geweest om God achter mijn karretje te spannen. Mijn leven draait uiteindelijk om mijzelf en niet om God. Ik ben één brok goddeloosheid. Ik heb gedaan wat kwaad was in de ogen van de HEERE. Ik heb Zijn doel gemist.

2. De belijdenis van Saul

Samuël is in deze intensieve woordenwisseling tot de kern van de zaak gekomen. Hij heeft de wortel van de zonde van Saul aangewezen. Op een indringende en confronterende wijze heeft de profeet hem Gods oordeel voorgehouden. Dan trekt hij ook een conclusie. Het hoge woord komt er eindelijk uit. De gezant van God heeft het de hele tijd voor zichzelf gehouden, maar nu zegt hij wat de HEERE hem heeft laten zien. U bent als gezalfde van God onbruikbaar. U bent gezalfd om Hem te dienen en uitvoering te geven aan Zijn wil, maar u gaat uw eigen gang. U verwerpt het Woord van de Heere als u het niet geheel houdt. U bent niet bruikbaar in de dienst van de HEERE. U verwerpt Hem, daarom verwerpt Hij u. U zult geen koning meer zijn.

Als Saul deze laatste woorden hoort, als het tot hem doordringt dat hij geen koning meer kan zijn, komt het eindelijk tot een zondebelijdenis. Terwijl hij eerst met een stalen gezicht beweerde dat hij dat hij naar de stem van de HEERE had geluisterd en Zijn weg had bewandeld (vers 20), erkent hij thans dat hij het bevel van de HEERE heeft overtreden. Terwijl hij eerst beweert dat het volk een offer wil brengen van de beste schapen en koeien (vers 15, 21), rept hij thans niet meer vergoelijkend over het offer. Hij spreekt over zijn eigen zwakte dat hij de wil van het volk heeft laten heersen boven de wil van God. Hij bidt om vergeving en vraagt Samuël met hem mee te gaan.

Dan blijkt Samuël dat zeer beslist te weigeren. Nogmaals bevestigt hij dat de HEERE Saul als koning heeft verworpen. Als Samuël zich omkeert om weg te gaan, grijpt Saul de slip van zijn mantel dat deze scheurt. De profeet duidt dit en zegt dat zo het koninkrijk van Saul zal worden afgescheurd.

Als Saul nogmaals zijn zonden belijdt, gaat Samuël wel mee. Heeft de koning nu toch vergeving ontvangen? De rest van het hoofdstuk toont dat daarvan geen sprake is. Samuël gaat vooral mee om het vonnis aan Agag te voltrekken. Hij blijft Saul ook publiek eren, zolang Gods vonnis niet is voltrokken. De verwerping van Saul is geen alibi voor de miskenning van zijn ambt. Het hoofdstuk eindigt met de veelzeggende opmerking dat Samuël Saul niet meer ziet tot zijn sterfdag toe. De oude profeet draagt leed om Saul. Het berouwt de HEERE dat Hij Saul tot koning over Israël heeft gemaakt. Het volgende hoofdstuk begint met de zalving van David tot koning. Al deze dingen maken ons duidelijk dat de HEERE Saul als koning heeft verworpen. Hij heeft blijkbaar geen vergeving gekregen voor zijn zonde...

Als dit zo is, plaatst ons dit wel voor een geweldig probleem. Hoe kan de HEERE Saul verwerpen als deze zijn zonde heeft beleden? En dat niet één keer, maar zelfs tweemaal. Is de Heere dan toch niet zo vergevingsgezind? Is het dan toch niet waar: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonde vergeve"? Is de HEERE dan grillig en willekeurig; vergeeft Hij de ene keer wel en de andere keer niet? En hoe kun je dan weten dat je wel vergeving van zonden hebt gekregen op de belijdenis ervan? Kun je eigenlijk wel weten dat je zonden zijn vergeven?

Blijkbaar moeten we onderscheiden tussen zondebelijdenis en zondebelijdenis. We kunnen belijdenis van zonde uithollen, zodat het een goedkope oplossing wordt voor de zonde die we tegen God hebben gedaan. Belijden van zonden en het ontvangen van vergeving is niet zoiets als even een brood bij de bakker halen. Het is geen pilletje dat we innemen en dan is alles weer in orde. Kortom, niet elke belijdenis van zonde is de HEERE aangenaam.

Laten we enkele trekken van de belijdenis van zonde bij Saul nagaan. Het eerste wat ons in de schuldbelijdenis van Saul opvalt, is dat er wel heel lange tijd over is gedaan voordat hij zover komt. Alles bij elkaar krijgen we de indruk dat het een verlegenheidsbelijdenis is die toch niet zo heel diep zit. Zijn hart is als elastiek; het buigt zomaar in, maar het buigt ook even snel weer terug. Ook op andere momenten deed hij snel een belijdenis van zonden zonder dat hij met deze zonde breekt, bijvoorbeeld als zijn schoonzoon David zijn leven spaart. Ook nu blijkt er uit het vervolg van zijn leven niets van dat hij breekt met zijn zonde. Hij buigt niet onder Gods vonnis, maar kant zich er steeds grover tegen.

Het verschil met David is opvallend. Nathan komt bij hem in het paleis. Vertelt zijn gelijkenis van de wreedaard die het ene lam van zijn arme buurman steelt om een gat te voorzien van een goed maal. Als David daarover zijn verontwaardiging uitspreekt, maakt Nathan direct de toepassing: David is die man. De profeet Nathan licht toe waarom zijn zonde zo groot is en wat de consequenties daarvan zullen zijn. Daarop zegt David spontaan: "Ik heb gezondigd tegen de HEERE." Berouw en schuldbelijdenis zijn evenmin geforceerd als liefde geforceerd is. Want berouw is liefde. In berouw ligt meer blijdschap dan de wereld geeft. Berouw kenmerkt zich door vrijwilligheid en is niet afgedwongen doordat we in de knel komen.

U hoort ook het evangelie klinken. Uit deze vergelijking wordt ons ook duidelijk dat het verschil tussen David en Saul er niet in bestaat dat de daad van Saul te erg is om te worden vergeven. De zonde van David is gemener dan de zonde van Saul. Hij bedrijft overspel en bedekt deze daad met het laten doden van Uria. Uw/jouw zonden zijn nimmer te groot om te worden vergeven. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden.

Het tweede wat ons in de schuldbelijdenis van Saul opvalt, is dat hij met bedekte termen de schuld op zijn leger probeert af te wenden. Het is geen onvoorwaardelijke schulderkentenis. Hij ontkent daarmee zijn verantwoordelijkheid en ziet zichzelf als het slachtoffer van de overmacht en de druk van het volk. Het verdere leven van Saul geeft ons niet de indruk dat hij zo snel onder de indruk van het volk was. Hij komt over als een despoot en tiran die ten koste van alles en iedereen zijn eigen zin doorzet. In vers 9 staat veelzeggend dat Saul en het volk (in deze volgorde) Agag en het beste vee hebben gespaard. En al zou het volk druk op hem hebben uitgeoefend, is zijn slapheid geen verontschuldiging: Is er dan geen God in Israël? Het was toch niet de eigen zaak van Saul, maar Gods zaak! Blijkbaar had hij in dit geval meer vrees voor het volk dan vrees voor God. Al met al is dit excuus veel te goedkoop. Het ontbreekt aan een ongereserveerde schuldbelijdenis. Niet het volk rebelleert tegen de koning, maar de koning rebelleert tegen God. Bovendien is het heel gemeen; jezelf rechtvaardigen door de ander te veroordelen.

Berouw betekent dat wij de verantwoordelijkheid van alles wat wij deden en wat wij niet deden op onszelf nemen. We schuiven de schuld van ons leven, van onze gedachten en zelfs van wie we diep in ons hart, onze persoonlijkheid zijn, niet af op een ander. We schuiven het niet meer op de brede rug van de duivel, onze opvoeding of de val van Adam in het paradijs. Neen, onverkort zeg ik: "Ik heb gezondigd, Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog, Ik ben niet waard Uw Zoon te worden genoemd. Ik ben Uw gramschap waard."

Ten derde bemerken wij in de zondebelijdenis van Saul een gemis aan diepte. Hij voelt zijn zonde niet als zonde tegen God. Het gaat hem meer om de gevolgen van de zonde, dan om de zonde zelf. Als Samuël hem zegt dat hij geen koning kan blijven, dringt het plotseling tot hem door wat er aan de hand is. Hij belijdt zijn zonde en voegt er in één adem het verzoek aan toe of Samuël met hem mee kan gaan naar de offerplaats. Hij wil dat Samuël meegaat om hem te eren voor de ogen van het volk (vers 30). Dat hij voor het volk zal afgaan, is voor hem erger dan dat hij tegen God heeft gezondigd. Calvijn merkt in dit verband op dat een huichelaar terstond wil worden vrijgesproken. Als hij al wordt bestraft, wil hij ook gelijk troost erbij. De huichelaar wil troost, het geloof wil verzoening van God en met Hem.

Een verbroken hart betekent echter dat wij het voor de Heere buigen. Onze zonde is bitter niet om de gevolgen (alleen), maar vooral omdat we de Heere grieven en kwetsen. We trappen Hem op het hart met iedere gedachteloze opmerking over Hem. Als we zo onszelf tegenover de Heere verliezen, hebben we tegenover mensen niets meer te verliezen. We hoeven geen stand op te houden. Zacheüs ging overal langs waar hij bedrog had gepleegd. Hij vertelde eerlijk hoe de zaken erbij stonden en maakte het vierdubbel goed.

Kortom, het berouw van Saul was geen echt berouw. Het was meer een bespotting van God dan verootmoediging voor God. Berouw is niet geforceerd, maar spontaan. Het is onvoorwaardelijk en het is altijd gericht op God. Ik kan me voorstellen dat na het horen van deze eigenschappen de vraag dringt: "Is mijn berouw wel oprecht?" Dit kan een geweldige worsteling zijn in uw binnenste. Dan mag ik u zeggen dat het niet gaat om de diepte van uw berouw, maar om de aard ervan. We hebben niet meer berouw nodig dan om tot de Heere Jezus te komen. Berouw is geen doel in zichzelf. Ontbreekt het jou aan berouw? Is er dan geen Zoon en is er dan geen Geest van die Zoon Die alles geven wat jou ontbreekt? Christus maakt door Zijn Geest van stenen harten vlesen harten. Roep Hem dan aan. Breng u harde hart tot Hem, opdat Hij het verwonde en met Zijn balsem vervulle. Omdat Hij het heeft gezegd: "Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen."

3. De verwerping van Saul

De tekst plaatst ons voor nog een probleem. De HEERE verwerpt Saul als koning, omdat Saul het woord van de HEERE verwerpt. Terwijl de Heere hem toch eerst heeft uitgekozen om koning te zijn. Hij heeft zelfs de Geest ontvangen. Saul was onder de profeten. De Geest van God werd vaardig over hem toen hij moest strijden tegen de Ammonieten die Jabes in Gilead hadden belegerd. Nu verwerpt de HEERE Saul en dat oordeel voltrekt zich ook aan hem. Saul is tot zijn dood toe regerend vorst gebleven, maar de Geest wijkt en de boze geest krijgt Saul meer en meer in zijn wurgende greep. Deze boze geest heeft God gezonden. Hij bidt tot God en de Heere antwoordt hem op geen enkele wijze. Hij is niet meer onder de profeten, maar doodt de priesters. Hij verwijdert geen tovenaars meer, maar komt in uiterste vertwijfeling in Endor terecht.

Kan de Heere eerst iemand uitkiezen om hem dan later weer te verwerpen? Betekent dit dat je de doop kunt zien als een teken dat God je heeft uitverkoren en onderscheid maakt waar het niet is in deze wereld en je toch verwerpt? Kun je de Geest ontvangen, terwijl je later afvallig wordt? Is het niet huiveringwekkend dat Gods trouw rust op de trouw van onbetrouwbare mensen? Is God eigenlijk wel te vertrouwen als Hij berouw kan hebben van Zijn daden?

Laten we eerst deze huiver maar eens overeind laten staan en niet op een goedkope wijze onder de tafel te werken. Je kunt blijkbaar op een bepaalde manier door God zijn verkoren, terwijl het voor God mogelijk is om dat te herroepen. Denk dan aan de Heilige Doop. Het is een geweldig voorrecht als God Zijn Naam in één adem met jouw naam noemt. Dat betekent dat de Heere jouw naam net zo op prijs stelt als Zijn eigen Naam. De woorden, de beloften van God worden je toevertrouwd. Je bent tot de hemel toe verhoogd. Je wordt een kind van God genoemd. Je draagt het merk- en veldteken van de Heere Jezus Christus. De drie-enige God zweert onder ede dat Hij jouw zaligheid wenst. De waarde van de doop is niet minder dan de roeping tot het ambt van Saul. Eerder andersom.

Kunnen wij al deze voorrechten verliezen? Kan de Heere ons verwerpen ondanks het feit dat Hij in de doop het teken en zegel heeft gegeven dat Hij ons heeft aangenomen tot Zijn kinderen? Dat kan! Al gaat het misschien minder dramatisch dan bij Saul, dit is het resultaat als je net als Saul omgaat met de voorrechten van God. Je moet er wel veel voor doen. Het gaat niet vanzelf. De HEERE heeft Saul niet van de ene op de andere dag aan de kant gezet. God handelt niet willekeurig. In 1 Sam. 13:8-15 lezen we dat Saul zelf het priesterwerk ter hand neemt, omdat hij niet kan wachten op Samuël. Hoezeer dit ook te begrijpen is, hij vergrijpt zich aan Gods orde. Hij gaat zijn eigen gang. Daarin heeft hij volhard. Er zijn allerlei woorden in de Schrift die spreken over de zonde van Saul. Hij heeft zich "afgekeerd" van de HEERE, Hij heeft gedaan wat "kwaad is in de ogen van de HEERE", hij is "weerspannig", kortom, het is om zijn "ongerechtigheid" dat God Zijn gezalfde onbruikbaar acht in Zijn dienst.

Wie slaat dan niet de schrik om het hart? Wie moet niet van zichzelf zeggen dat hij dagelijks in zoveel opzichten struikelt en de Heere verdriet doet? Het is een machtig appel om u wakker te schudden uit zorgeloosheid en de verdoving van genade als een goedkope geruststelling. Deze geschiedenis is verkondiging om u/jou aan de Heere te verbinden, opdat Hij u/jou vasthoudt en voor struikelen bevrijdt.

Maar is God dan wel betrouwbaar als Hij uiteindelijk Saul verwerpt die Hij eerst heeft uitgekozen? Er staat toch maar dat God berouw heeft van Zijn aanstelling van Saul tot koning; als God berouw kan hebben van Zijn daden, is Hij dan niet grillig? Kun je nog wel in de nood van je eigen onbetrouwbaarheid de toevlucht nemen tot de Heere alleen? Het berouw van God is een moeilijk punt. Hier botst onze kennis van God met onze eigen beperktheid. Het laat ons in ieder geval zien dat onze zonden God niet onverschillig laten. Zo totaal als berouw ons hart verscheurt, zo verscheuren uw zonden Gods hart. God is niet een onbewogen beweger die Zich op een grote afstand van het wereldgebeuren bevindt en die het verder koud laat hoe het toegaat en hoe jij leeft. Het onderstreept dat God een levende God is. Bovendien kunnen we Hem niet narekenen. We moeten ons verstand kruisigen om God te begrijpen. Onze vaderen - bijvoorbeeld Calvijn - hebben van Gods berouw altijd gesproken als een mensvormige wijze van spreken over God. Het dient om het voor ons enigermate begrijpelijk te maken. God wil een verandering, maar Hij verandert niet Zijn wil. We kunnen deze uitspraak te kort door de bocht vinden. Deze gereformeerde theologen hebben ook niet onder woorden kunnen brengen wat het geheim van God is. Ze hebben echter wel recht gedaan aan het geheel van Gods Woord en het overweldigende getuigenis daarin van Gods trouw. Gods berouw over het aanstelling van Saul als koning staat in het bredere kader van Zijn onberouwelijkheid en trouw. Als Hij Saul verwerpt, is dat opdat Zijn raad zal bestaan. Dit zijn geloofsuitspraken.

Deze geheimen zijn beter te ervaren dan te begrijpen. In de geweldige en intense worsteling van eigen ontrouw, in de ervaring van onze geestelijke hoererij, in de afgrond van al ons volhardende verzet en onze eigenwilligheid en onverbeterlijkheid tegenover de Heere, worden wij nochtans op de levende God en Zijn trouw geworpen en we komen niet beschaamd uit. Al is de hele wereld ons tegen en spannen alle duivelen en hemelen tegen ons samen, als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Al kunnen wij het dan niet onder woorden brengen en beredeneren, we verwonderen ons des te meer dat de genadegift en roeping van God onberouwelijk zijn, dat Hij nooit laat varen het werk van Zijn handen. Hij blijft getrouw, ook als wij ontrouw zijn. Hij zou Zichzelf moeten verloochenen als Hij niet Zichzelf blijft. Hij is niet grillig, maar door en door een Man van Zijn Woord: "Ik roem in God, ik prijs het onfeilbaar Woord. Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord. Wat sterveling zou mij schenden?" We jubelen het uit: "Hij is geen mens dat Hem iets berouwen zou (vers 29), het is trouw al wat Hij ooit beval, Hij zal nooit laten varen het werk dat Zijn hand begon."

Wat is Zijn verkiezing een machtig wonder. Ik heb nooit naar God gevraagd, maar Hij heeft mij liefgehad met een eeuwige liefde en mij getrokken uit de macht van de boze. In mij was geen geloof, maar Hij bracht mij tot de aanvaarding van Zijn veroordeling en vrijspraak. Ik was niet gewillig, maar Hij maakte mij zeer gewillig op de dag van Zijn heirkracht. Hij is werkelijk een God van volkomen zaligheid. Hij verkiest, Hij verwerft en Hij verwerkelijkt het heil in mijn ziel. Hij heeft gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus, gelijk Hij mij heeft uitverkoren in Christus voor de grondlegging der wereld. Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.

Onderwijl roept de persoon van deze eerste gezalfde koning, deze eerste Messias, om de laatste Messias. Wat een machtig contrast licht er dan op in het geheel van de Schrift. Saul bleek niet geschikt voor zijn ambt en taak. Hij was onbruikbaar. Hij zocht zichzelf. Overal waarin Saul het liet afweten, schittert de heerlijkheid van Gods grote Zoon. Hij heeft het nooit af laten weten. Hij heeft nimmer gestruikeld. Hij kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen.. Het was de zuivere liefde van Zijn hart om alleen Gods wil te doen. Hij werd op geweldige wijze verleid om niet de onderste weg van lijden en sterven te gaan. Hij kon met één knieval alle koninkrijken van de aarde ontvangen. Maar Hij heeft geweigerd, omdat Hij de wil van Zijn Vader alleen maar wilde doen. Dat was Zijn eten en drinken, Zijn lust en Zijn leven. Hij heeft zelfs in de hof van Gethsemane, toen de wil van God zo geweldig zwaar was, volhard tot het einde en gezegd: "Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede." God heeft Hem dan ook niet verworpen, maar Hem met eer en heerlijkheid gekroond. Zijn koningschap is tot in alle eeuwigheid. Hij heeft Hem een Naam gegeven Die boven alle Naam is, opdat in de Naam van Jezus Zich zou buigen alle knie degenen die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn.

Hier is uw Messias, uw Koning. Hoemeer wij het hart van Saul in ons ontdekken, hoemeer we uitroepen: "Zo moet de Koning eeuwig leven. Mijn hart vervuld met heilbespiegelingen, zal het schoonste lied van ene Koning zingen. Wat is Hij heerlijk en begeerlijk. Hij heeft de wil van God volkomen volbracht. Laat ik dan maar verwerpelijk zijn, maar Hij is de grote Uitverkorene, in Wie ik niet verloren kan gaan. In Hem zie ik mijn eeuwige onveranderlijke persoonlijke verkiezing tot zaligheid. In Zijn werk zal ik roemen, eeuwig en altoos."

literatuur

Beek, A. v.d., preekschets 1 Sam. 15:2-3, Postille 86-87.

Calvijn, J., Preken over 1 Samuël in: Verklaring van de bijbel. Goudriaan 1979.

Douma, J. Samuël. De knecht des Heeren, Kampen 1937.

Edelkoort, A.H., De profeet Samuel, Baarn z.j.

Gordon, R.P., 1 + 2 Samuel. A Commentary.

Goslinga, C.J., Samuël, in: Korte verklaring der Heilige Schrift, Kampen 1948.

Goslinga, C.J., 1 Samuël. Commentaar op het Oude Testament, Kampen 1968.

Henry, M., Matthew Henry’s Commentary on the whole Bible, Mc Lean z.j.

Klein, R.W., World Biblical Commentary, volume 10.

Long, V.P., The Reign and Rejection of king Saul. A Case for LIterary And Theological Coherence (SBL Dissertation Series 118), Atlanta 1989.

Spek, W. van der, 1 Samuël: Een koningsboek, Zoetermeer 1996.

Spurgeon, De gelijkenissen van de Heiland, Franeker z.j.

Tuinstra, E.W., preekschets over 1 Sam. 15:22, Postille 79-80.

Wagner, studie van woord "ma’as", in: T.W.B.Z.A.T., band IV, 618-633.

Yonick, S., Rejection of Saul as King of Israel. According to 1 Sm 15: stylistic study in theology (Doctoral Dissertation), Jerusalem 1970.

Zijl, A.H. van, 1 Samuël, deel I, De prediking van het Oude Testament, Nijkerk 1988.