Theologische ontwikkeling

In de oud gereformeerde gemeente waarin ik ben opgegroeid, had men een voorkeur voor de Schotse en Engelse theologen, omdat deze het meest christocentrisch waren. Toen de geestelijke dingen voor mij gingen leven, ben ik dan ook als vanzelf in deze geschriften terecht gekomen. Ze hebben veel voor mij betekend. Het heldere onderscheid tussen wet en evangelie is bevrijdend geweest. De grond voor het geloof ligt niet in ons berouw, maar in Christus' offer en de onvoorwaardelijke nodiging tot Hem. Hier ligt de basis voor de zekerheid, namelijk dat we zeker zijn van Hem. Deze benadering heeft mijn eerste preken sterk beïnvloed. Toch was er een eenzijdigheid. Ik preekte de wet en daartegenover het evangelie. Zondaren moesten nu het evangelie gaan geloven. Ik legde te eenzijdig nadruk op de verantwoordelijkheid van de mens.

Toen ik de catechismus voor het eerst als predikant behandelde, merkte ik lacunes. Ik herinner mij hoe ik voor het eerst over de Drieëenheid moest preken. Ondanks allerlei verklaringen, kwam ik er niet uit. Het gaf studie en gebed om dit heilgeheim meer te verstaan. De Heere gaf het ook. Het was voor mij een correctie op de te eenzijdige nadruk op de verantwoordelijkheid van de mens. God maakt zondaren zalig. In die zin herken ik mij in de ontwikkelingsgang van Calvijn: in de eerste druk van de Institutie bouwt hij zijn theologie op vanuit de tegenstelling van wet en evangelie, later is de relatie Vader-Zoon-Heilige Geest het uitgangspunt voor zijn theologisch denken.

Door deze meer trinitarische gedachtengang kwam er theologisch ruimte voor het werk van de Heilige Geest. Ik was altijd wat huiverig voor het bevindelijk aspect, omdat ik vreesde dat het mensen zou terugwerpen op zichzelf en dat het een ongewenste gemoedelijkheid zou werken. Ook kenmerken van het christelijk leven kwamen op deze wijze in beeld. Ik leerde echter zien dat er ook op een gezonde wijze kan worden gesproken over de kracht van de godzaligheid in de diepte van de ziel. De geschriften van de puriteinen in het algemeen en van John Owen in het bijzonder hebben een belangrijk aandeel gehad in deze geestelijke verdieping.

De catechismus was ook op een andere wijze weerbarstig. In vraag 4 lezen we dat Christus ons de wet leert. Naar mijn gevoelen had Christus met de wet niets te maken. Immers, de wet verdoemt ons en het evangelie maakt levend. De wet eist en biedt geen enkele troost en het evangelie geeft alleen maar en is enkel belofte. De benadering van dit leerboek bleef echter bij mij hangen. Het opende mijn ogen ervoor dat wet en evangelie niet alleen aan elkaar zijn tegengesteld, maar tevens in elkaars verlengde liggen. Het evangelie schaft de wet niet af, maar vervult het. De wet blijft ons ontdekken. Heiliging betekent niet dat de wet verleden tijd is, maar het recht van de wet wordt vervuld als we naar de Geest wandelen (Rom. 8:4).

Bovendien werd het voor mij duidelijk dat de wet wordt verkondigd in het kader van het genadeverbond. Het verbond kreeg gestalte. Zoals het ongehoorzame Israël Gods volk werd genoemd, zo noemt de Heere vandaag de gedoopten Zijn volk. Er is verwachting voor onze nakomelingen. Bovendien is het zo'n machtige troost dat Gods Woord waar is, ook als wij niet waar zijn. Luther kon in zijn hoogste aanvechtingen niet terugvallen op zijn bekering, maar beleed: "Ik ben gedoopt."

De les van vraag 4 van de catechismus voerde mij ook tot een nader verstaan van zondag 23. Aanvankelijk meende ik dat de rechtvaardiging een eenmalige zaak is in het christelijk leven. Vraag 60 leert ons echter dat ons geweten ons niet aanklaagde, maar aanklaagt. De rechtvaardiging is geen gepasseerd station, maar gaat als een spiraal het hele christelijke leven door. Rechtvaardiging en heiliging staan niet na elkaar, maar naast elkaar. Heiliging is geen vrucht van de rechtvaardiging, maar van Christus.

Romeinen 7 is van cruciaal belang voor gereformeerde theologie. Paulus spreekt hier niet op een dieptepunt in zijn geestelijk leven. Integendeel, hij erkent dat hij een vermaak heeft in de wet van God. Hoe geestelijker we zijn, hoe meer we belijden: "Ik ben vleselijk." Dit is enorm vernederend, omdat het de christen terugbrengt tot een arme zondaar. De kracht en de diepte van de zonde onderschatten we al te gemakkelijk. Deze noties vormen een krachtig tegenwicht tegen optimistische heiligingsprogramma's en evangelische groeiverwachting. Tegelijk geeft het een geweldige bevrijding van krampachtigheid. We hoeven niet volmaakt te zijn om christen te zijn. Vooral de theologie van Kohlbrugge is hier een corrigerende factor. Geven de Schotten wel eens de indruk dat de bekeerde mens altijd bekeerd is, de prediker van Elberfeld spreekt op een diepe wijze vanuit de blijvende nood van de christen. Het geloof is geen sprong in de hoogte, maar een buigen in de diepte. Zijn theologie kan naar mijn besef worden samengevat in de regel: "Schoon ik arm ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig."

Deze kruistheologie geeft ons een nuchtere visie op Gods kerk en werk. Als er geen volmaakte christenen zijn te verwachten, kunnen we dat zeker niet verlangen van Zijn kerk. Zo krijgt wel het verlangen naar Gods toekomst fundamentele betekenis. Alleen door het oordeel heen zal de hemel op aarde komen. Dit betekent overigens niet dat er in onze theologie geen gezond radicalisme moet zijn. Doodde men in het Oude Testament alle vijanden, wij worden nieuwtestamentisch geroepen onze leden, onze oude natuur, te doden. Bonhoeffer herinnert er ons in zijn "Navolging" aan dat de rechtvaardiging van de zondaar nooit kan betekenen dat wij de zonde rechtvaardigen.

Er is een ander probleem dat veel energie van mij heeft gevraagd. Hoe moeten wij aankijken tegen de kerk van Christus in ons land? In de oud gereformeerde gemeenten waarin ik ben opgegroeid, was oorspronkelijk een diep verlangen om terug te keren naar de Nederlandse Hervormde Kerk. Mijn voorgeslacht is niet oud-gereformeerd van origine; mijn ouders zijn beide hervormd gedoopt. Bovendien hebben we de plicht om de eenheid zoveel mogelijk gestalte te geven. Toen ik zag dat afscheiding geen garantie is voor zuiverheid en dat de belijdenis van de vaderlandse kerk nog steeds gereformeerd was, heb ik in afhankelijkheid van de Heere gemeend dat het mijn weg was om in deze kerk te dienen.

Nu het Samen-op-Weg proces steeds meer gestalte krijgt, heeft dat opnieuw een worsteling gegeven over Gods kerk in ons land. Het grote probleem van dit geesteloze en goddeloze proces is dat de gereformeerde belijdenis wordt verlaten en liberale geschriften als grondslag worden aanvaard. Het is vooral de bestudering van Calvijn geweest, die mij heeft laten zien dat de leer is als de ziel van Christus' lichaam. We kunnen in de leer geen compromis sluiten. De aanvaarding van de Leuenberger Konkordie betekent een ontkrachting van de Dordtse Leerregels en mitsdien een verloochening van de volkomen genade van God. Ik zie een parallel met de eerste eeuwen van het christelijk geloof. Men mocht alles belijden, zolang men maar offerde aan de keizer. Men weigerde. De belijdenis van de kerk is een banier van Christus. We mogen Hem niet verloochenen.

Zo weet ik mij verbonden met het voorgeslacht. Van de Schotten leerde ik het onvoorwaardelijk evangelie kennen, van de puriteinen de kracht en diepte van geestelijk leven en van Kohlbrugge de blijvende gebrokenheid van het christelijk leven. Calvijn ga ik steeds meer waarderen om zijn evenwichtigheid. Hij spreekt altijd met twee woorden. We komen het beslissende van de wedergeboorte bij hem tegen, zowel als het gebrekkige van het geloofsleven. Hij verkondigt de waarachtigheid van Gods beloften en de geweldige noodzaak van boete om daarin te delen. De schepping is goed en tegelijk heet de duivel de overste van deze wereld. Wat mij bij de studie van hem is opgevallen, is dat hij veel ernstiger is dan ik altijd heb vermoed. De indruk dat ernst een product is van later tijd, is in ieder geval niet juist.

Het is een schone bezigheid om de diepten van Gods Woord in de gemeenschap met alle heiligen te verstaan. Wat hebben eeuwen van studie in en worsteling met de Schrift ons nog maar een gering inzicht opgeleverd. Honderden jaren van onderzoek in de schepping betekent dat we nog maar aan het begin staan van de kennis van de natuur. Nog veel meer geldt dat wij geestelijk slechts ten dele kennen. Wat zullen we ons verbazen over de rijkdom van het Woord als Christus in Zijn wederkomst alle gordijnen zal wegschuiven en we Hem zullen zien zoals Hij is!