6. TUCHT
Als de gemeente naar haar wezen het lichaam van Christus is, schept dat ook verplichtingen. Wij hebben de dure roeping om als lichaam van Christus ons te onderscheiden van de wereld. De kerk is een vreemdeling op aarde. De kerk die werelds is in haar beleid, leven en denken verliest haar zelfsrespect en het respect van de wereld. Christus was anders dan de wereld.
Op de gemeente rust ook de roeping het lichaam van Christus heilig te houden en niet te laten verontreinigen door dwaling en zonde. Waar geen tucht wordt uitgeoefend, wordt Gods toorn over de gemeente uitgeroepen. In Korinthe waren veel mensen ziek en stierven wegens ontheiliging van het avondmaal.
Tucht geschiedt in het algemeen door de prediking van het Woord. Daarin wordt de waarheid verkondigd en de zonde aangewezen. Tucht geschiedt ook in het persoonlijk vermaan. Wegens het priesterschap van alle gelovigen is dit een zaak van heel de gemeente. Onderlinge tucht begint bij het broederlijke vermaan. Men heeft persoonlijk te waarschuwen of met enkele getuigen. Als al deze pogingen op niets uitlopen, maakt men de zonde van een gemeentelid tot een zaak van de gemeente door het aan de kerkenraad voor te leggen.
De tucht moet worden gehandhaafd in de eerste plaats omwille van de eer van Gods Naam. De wereld buiten de kerk mag niet de indruk krijgen dat in de kerk alles ermee door kan. Dan wordt er een smet geworpen op de Naam van de Heere. In de tweede plaats moet door het uitsnijden van het gezwel van de zonde, het hele lichaam van Gods gemeente worden bewaard voor verontreiniging. In de derde plaats bedoelt tucht de zondaar niet kwijt te zijn, maar te behouden. De ernst van de maatregelen is bedoeld om tot inkeer te brengen. Tucht is derhalve niet juridisch, maar medisch van aard. We wijzen naar het voorbeeld van Christus geen hoer of tollenaar af, maar we nemen wel afstand van de zonde.
waarover gaat de tucht?
Op welke terreinen functioneert de tucht? Art. 32 NGB spreekt over de discipline in de kerk. Daarin ontdekken wij dat de tucht verder gaat dan alleen het handhaven van de tien geboden. De regeerders van de kerk stellen "een zekere ordinantie in". De menselijke regels die men als kerkenraad stelt, hebben geen waarde in zichzelf zoals de tien geboden, maar moeten dienstig zijn "om eendrachtigheid en eenheid te voeden en te bewaren en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid van God". Tegenover de dopersen die afschaffing wensen van alle kerkelijke wetten en orde handhaven wij de noodzaak hiervan. Het is niet verkeerd om vormen en gebruiken vast te leggen. Naar de zeden van een volk en de tijd mogen er voorschriften zijn. Het apostelconvent te Jeruzalem bepaalde dat de heiden-christenen zich zouden onthouden van afgodenoffer, het verstikte en van bloed (Hand. 15). Dat was geen belemmering van de christelijke vrijheid, maar een kerkelijk verbod om Gods gebod om een broeder niet te ergeren concreet gestalte te geven.
Tegelijk moeten de ambtsdragers zich ervoor hoeden dat ze afwijken van en ingaan tegen hetgeen Christus ons heeft verordineerd. Wij mogen de gewetens niet binden door menselijke wetten. Dit is het geval wanneer het niet handhaven van een vorm veel hoger wordt opgenomen dan het leven in zonde tegen Gods geboden. Of als er zinloze en nietszeggende voorschriften worden gegeven. Of als men aan het handhaven van kerkelijke inzettingen de zaligheid verbindt.
De kerk van de Reformatie kenmerkte zich door sterke beginselen met een milde toepassing. Men is in de uitoefening van de tucht beslist en mild geweest. Men heeft afstand genomen van de rigoureuze handelswijze van de dopersen die alle nadruk op de volmaaktheid van de gemeente legden. Reformatoren legden meer nadruk op de tucht in de leer dan in de levenswandel. Een kerk zonder tucht was in hun ogen nog wel een ware kerk van Christus als het Woord er recht werd verkondigd. De Heere leert ons immers ook om niet al te rechtvaardig en niet al te goddeloos te zijn (Pred. 7:16-17). De beslissing valt vooral bij het avondmaal: "Hoewel de onzuiverheid van de samenkomsten verdragen dient te worden, wanneer het Woord wordt gepredikt (...) dient toch de gemeenschap van het avondmaal zuiver te zijn" (Bucer). In de kerk zal een spanning blijven tussen ideaal en werkelijkheid.
is er nog tucht?
Hoe functioneert de tucht in onze gemeente? Er is wel eens de gedachte dat in de Nederlandse Hervormde Kerk alle tucht is verdwenen. Dat is niet het geval. Wie belijdenis des geloofs wil afleggen, maar hoofdzaken van de christelijke religie loochent of daarin dwaalt, wordt niet in de volle gemeenschap van de kerk opgenomen. Vooral rondom het avondmaal is er sprake van tucht. Wie in concrete zonden leeft, krijgt in een bezoek van ouderlingen de vermaning om zich van de tafel van de Heere te onthouden. Concreet is dat het geval als iemand in de zonde van homosexualiteit, overspel, fraude, ruzie, leugen, zondagsontheiliging, enz. leeft. Naar analogie van het apostelconvent in Hand. 15 verwachten wij van avondmaalgangsters dat zij niet alleen aan de tafel, maar ook in hun normale dagelijkse leven een rok of jurk dragen.
Ook rondom de doop is er sprake van tucht. Wij zullen de doop nooit weigeren, wel uitstellen. Wij weten dat God genadig is tot in het duizendste geslacht. Wij vragen van ouders dat zij trouw meelevend zijn met de kerkelijke gemeente. De doop kan niet worden losgemaakt van het ambtelijk onderwijs (Matth. 28:19). Men kan nooit "ja" zeggen tegen God als men niet elke rustdag publiek Gods Naam belijdt in de openbare kerkgang. Ook hier vragen wij kleding die past bij de identiteit van de gemeente.
Ook rond de kerkelijke bevestiging van het huwelijk is er sprake van tucht. Als een paar een onwettige scheiding achter de rug heeft, kunnen we daar niet publiek Gods zegen aan verbinden. Datzelfde geldt voor het geval dat men heeft samengewoond. Wel is er bij het breken met de zonde, of het zo mogelijk herstellen van het kwaad en schuldbelijdenis altijd een weg terug.
Wij zijn overtuigd van de grote geestelijke gevaren van de TV. Het is een medium dat het belangrijkste aandeel heeft gehad in de erosie van het christelijke geloof in ons land. Misbruik is algemener dan goed gebruik. Toch sluiten we het laatste niet helemaal uit. Dat is de reden dat we op het bezit hiervan geen tucht uitoefenen. Het is echter wel zo dat leden met een TV niet als ambtsdrager worden benoemd. Zolang de integratie van computer en TV geen feit is, houden we deze lijn vast. Ambtsdragers dienen een voorbeeld te zijn voor de gemeente. Aan hen mogen hogere eisen worden gesteld dan voor een ander gemeentelid (1 Tim. 3).
Ook bij benoeming van andere leidinggevenden op de verenigingen of de zondagsschool is er omwille van het voorbeeld sprake van een zekere tucht. De kerkgang en het openbare optreden worden door de kerkenraad in haar overwegingen bij het benoemingsbeleid betrokken.
Wij oefenen geen tucht uit op randkerkelijke leden van de gemeente. Wij vermanen ontrouwe kerkbezoekers, maar we gaan niet zover dat we tot de uiterste vorm van tucht overgaan en excommiceren. Wij blijven hopen en bidden dat de Heere door de relatie die met de kerk blijft, zal werken. En dat gebeurt ook.