2. SACRAMENTEN
a. de doop
Wij kennen naar de inzetting van Christus twee sacramenten, namelijk de doop en het avondmaal. Wij bedienen de doop niet op grond van iemands geloof, maar op grond van Gods verbond. In het Oude Testament maakt de Heere reeds duidelijk dat kinderen bij Zijn volk horen. Daarom ontvangen ze ook het teken daarvan in de besnijdenis.
Het Nieuwe Testament brengt daarin geen verandering. Als de kinderen er in de oude bedeling bijhoren, behoren ze er in de nieuwe bedeling niet minder bij. Jezus heeft dat uitdrukkelijk bevestigd toen Hij de kleine kinderen heeft omhelsd, de handen heeft opgelegd en heeft gezegend. De kerk is geen vereniging waar men door bewuste keuze lid van wordt. De kerk is evenals een volk; we worden als Nederlander geboren. Zo worden we ook als christen geboren uit kerkelijke ouders.
Baptisten en evangelischen hebben (onbewust) de neiging om het Nieuwe Testament hoger te waarderen dan het Oude Testament. Het gevolg daarvan is dat we in het Nieuwe Testament moeten zoeken naar het doopbevel voor kleine kinderen. Aangezien dat daar ontbreekt, wijst men de kinderdoop af. Wij gaan echter uit van de volstrekte eenheid van Oude en Nieuwe Testament. Wat in het Oude Testament is gezegd, hoeft in het Nieuwe Testament niet te worden herhaald. Het nieuwe verbond (Jer. 31:31) is niet absoluut. Wij zijn immers mede-erfgenamen van dezelfde beloften als Israel (Ef. 2:19; 3:6). Dezelfde God, dezelfde Zaligmaker, hetzelfde geloof (Rom. 4), dezelfde zaligheid wordt ons verkondigd.
Zoals de Heere tegen het onbekeerlijke hardnekkige Israel zegt dat zij Zijn kinderen zijn (Jer. 3:14), zo zegt Hij het thans tegen de gemeente, inclusief haar kinderen. Hij zegt zelfs dat verbondskinderen met Hem zijn ondertrouwd. Dat zegt niets over ons en over onze kinderen, maar dat zegt alles over God.
Hier schittert de machtige waarde van de Heilige Doop. Velen weten alleen wat de doop niet betekent. Anderen weten alleen te zeggen dat de doop ons oordeel zal verzwaren als we onbekeerd sterven. Sommigen menen dat de doop niet meer betekent dan dat je een belofte aan God doet om je kinderen christelijk op te voeden. Deze dingen zijn waar, maar vormen niet het hart van de doop. In de doop geeft God ons Zijn beloften, geeft Hij Zichzelf, zegt Hij tegen de kleinste kinderen: "Ik ben de Heere uw God". De doop is niet gebaseerd op ons geloof, maar op Gods eeuwig Woord. Dat Woord is zo vast, dat we zelfs de kleinste kinderen kunnen dopen. De doop blijft waar, ook als wij onbekeerd zijn of als we zo vertwijfeld zijn dat we niet meer kunnen bezien dat we een kind van God zijn. Dan is het een machtige troost dat de zaligheid buiten onszelf ligt.
Al te veel wordt de waarde van Gods verbond verwaarloosd. Velen houden kinderen uit gewoonte ten doop. Ouders zijn te weinig werkzaam met Gods toezeggingen voor hun kinderen. In feite zijn we zo baptisten die ook nog de kinderdoop hebben. Gods verbond is een machtige zegen. Het plaatst ons voor de hemeldeur. Tegelijk geeft het aan hoe verschrikkelijk het is om verloren te gaan. Het verbond is geen schild tegen Gods toorn, maar het roept ons op tot een nieuwe gehoorzaamheid. Wie Gods verbond verbreekt of niet inwilligt, haalt Gods verbondswraak over zich.
b. tussen doop en avondmaal
We dopen op grond van Gods verbond. Ouders die "ja" zeggen tegen de Heere, doen daarmee ten diepste belijdenis. In feite is het de grootst mogelijke tegenstrijdigheid dat ouders wel een kind ten doop houden, maar zelf geen geloofsbelijdenis afleggen. Toch is dat in de gemeente wel praktijk. We wijzen ouders op de onmogelijkheid hiervan. Toch weigeren we de doop niet. Wij achten Gods verbond belangrijker dan het geloof van de ouders. Wij zijn er ook huiverig voor dat mensen alleen belijdenis afleggen om hun kind ten doop te kunnen houden.
De kinderdoop vraagt om publieke inwilliging van Gods verbond in het afleggen van openbare geloofsbelijdenis. In het uur van onze geloofsbelijdenis zeggen we tegen de Heere dat wij Zijn verbond aanvaarden. Dat betekent dat we de enige God aanhangen, liefhebben en vertrouwen van ganser harte, de wereld verzaken, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen. We bevestigen onder ede dat we de Heere zullen dienen. Dat betekent niets minder dan waarachtig geloof en bekering.
Even krachtig onderstrepen we dat het geen vrijblijvende zaak is om géén belijdenis af te leggen. Als we belijdenis weigeren, belijden we dat we God niet als Koning wensen. Zo moge de klem worden gevoeld. Er is een plicht tot geloofsbelijdenis. Tegelijk geldt dat voor de bewuste publieke belijdenisdaad een bepaalde rijpheid nodig is. Derhalve dwingen we niemand tot belijdenis. Geloofsbelijdenis kan alleen in het ware geloof geschieden. Zo is de persoonlijke wedergeboorte buitengewoon nodig. De God van het verbond schenkt ons alles wat ons ontbreekt. Mild en overvloedig!
c. het avondmaal
Naast het sacrament van de doop kennen we het sacrament van het avondmaal. Viermaal per jaar staat de tafel aangericht. Christus is dan persoonlijk tegenwoordig. Niet doordat brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus, maar door Zijn Geest. Deze tegenwoordigheid is nog rijker dan wanneer Hij lichamelijk het avondmaal zou bedienen in het midden van de gemeente. Hij onderwijst in het heilgeheim van Zijn lijden. Hij versterkt het geloof. Hij voedt de ziel.
Wij zijn de overtuiging toegedaan dat openbare geloofsbelijdenis nodig is ter toeleiding aan het avondmaal. We ontkennen daarmee niet dat ook kinderen de Heere kunnen vrezen. Wel is het nodig dat men zich bewust rekenschap kan geven van de inhoud van het geloof. Overigens was het in Genève de regel dat kinderen tussen 10 en 14 jaar geloofsbelijdenis aflegden.
Wij roepen in de prediking niet op om tot het avondmaal te komen, wel om tot Christus te komen. We komen niet aan het avondmaal om onze gevoelens van angst of depressie kwijt te raken, maar we komen daar om te belijden dat wij zo dood zijn, dat wij niet meer buiten de dood van Christus kunnen. We moeten eerst tot Christus komen, voordat we tot het avondmaal komen. Zonder het besef van onze zonden en vloek, zonder de overgave aan Christus, zonder bekering van al onze zonden, eten en drinken we onszelf een oordeel.
In onze gemeente is vanouds een schroom ten aanzien van het avondmaal. Deze schroom is terecht. De publieke avondmaalsgang betekent heel nadrukkelijk dat we belijden dat de Heere Jezus onze Zaligmaker is geworden. We belijden ermee dat we eenmaal aan het grote avondmaal in de hemel mogen aanzitten. Het schept ook extra verplichtingen in ons gedrag.
De laatste jaren is er een toename van het aantal avondmaalgangers. Dit kan betekenen dat men oppervlakkiger over het avondmaal denkt. Het kan ook betekenen dat er vruchten zijn van geloof en bekering, dat sluimerend geloof meer opbloeit, of dat misverstanden rond het avondmaal zijn weggenomen. Vanuit het oordeel van de liefde houden wij avondmaalgangers voor ware kinderen van God. Naar een woord van Bucer kunnen er beter honderd rammen (=huichelaars) teveel aan de tafel komen, dan dat één kreupel schaap van de Heere Jezus Christus zou ontbreken.
Een toename van avondmaalgangers dient gebed te zijn in een toename van levensheiliging, niet in het minst bij de avondmaalgangers zelf. Als er meer avondmaalgangers komen, terwijl de avonddiensten en de doordeweekse bijbellezingen minder worden bezocht, is er sprake van tegenstrijdige ontwikkelingen. Het is geen vrucht van de Geest als we in kleding en vrije tijd wereldser gaan leven.
Het oordeel over het hart van anderen komt ons niet toe en is voor ons volstrekt onmogelijk. De discipelen geloofden dat Judas een kind van God was. Evenmin had Filippus vermoed dat Simon de Tovenaar geen kind van God zou zijn. Men vergiste zich in beide gevallen. Het is de taak van de dienaar van het Woord om in het bijzonder in de voorbereidingsdienst aan te geven voor wie het avondmaal van de Heere is ingesteld. Wij moeten onszelf onderzoeken. Dan komen we aan anderen niet toe.
Om te onderstrepen dat avondmaal geen automatisme is, houden we een voorbereidingsdienst op het avondmaal. Bovendien is er censura morum in deze week van voorbereiding. Publieke zonde kan aan het avondmaal niet worden geduld. Wie daar als gemeentelid in zwijgt, stemt toe. Zo komt Gods toorn door de zonde van één over het geheel van de gemeente. Het is niet vrijblijvend om lid te zijn van de heilige gemeente van de Heere. We zijn voor elkaar verantwoordelijk.
Gasten kunnen incidenteel deelnemen aan het avondmaal nadat zij zich bij de kerkenraad hebben bekend gemaakt. Zij die structureel willen deelnemen aan het avondmaal kunnen alleen aangaan als er toestemming is van de eigen gemeente.