1. PREDIKING
De prediking vormt het hart van de gemeente. Hier vindt de bediening der verzoening plaats. De Heere gebruikt het persoonlijk onderzoek van Gods Woord, maar de publieke eredienst heeft een meerwaarde. Zoals men in het Oude Testament verlangde naar het heiligdom, zo neemt thans de openbare samenkomst van de gemeente deze plaats in. Hier is de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in het bijzonder merkbaar in het beslag op de gemeente. Het is niet voor niets dat men in landen waar christenen worden verdrukt, toch als gemeente blijft samenkomen. Het zou juist dan verleidelijk zijn om privé-christen te zijn.
De gemeente wordt geboren uit het Woord van God. De laatste eeuwen menen velen dat wetenschappelijke ontdekkingen de geloofwaardigheid van het Woord ondermijnen. Wij erkennen dat het geloof in Gods Woord wel wordt aangevochten. Tegelijk zijn we ons ervan bewust dat de wetenschap haar eigen grenzen overschrijdt als ze feiten voor onmogelijk gaat verklaren. De wetenschap kan alleen beschrijven wat gebeurt en kan nooit zeggen wat onmogelijk is. Als God onze Schepper is -en dat is Hij! - dan is Hij bij machte om in onze werkelijkheid te handelen, te scheppen, doden op te wekken en Zijn Zoon geboren te laten worden.
De kern van de prediking is gegeven met het geloof dat God drieënig is; Vader, Zoon en Heilige Geest. Dit is een mysterie. Vader, Zoon en Heilige Geest vormen niet elk afzonderlijk een derde deel van God, maar zijn elk God. Toch is er geen sprake van drie goden. Evenmin is er sprake van dat de Vader meer zou zijn dan de Zoon, of dat de Vader alleen een manier is waarop God Zich soms aan mensen laat kennen. De Zoon is een andere persoonlijkheid dan de Vader.
Christus staat in het centrum van de prediking. Tegelijk beseffen we dat Hij is gezonden door de Vader en gezalfd met de Heilige Geest. Ons leven wordt gedragen door de diepe overtuiging van de drieëenheid. Dit noemen wij trinitarisch-christocentrische prediking. Hieronder volgt de uitwerking daarvan:
a. de Vader
Het eigenlijke werk van de Vader is dat Hij deze wereld heeft geschapen uit het niets. Hij heeft Adam en Eva geplaatst in het paradijs. Het was zeer goed in Gods ongerepte schepping. Wij hadden vreugde in God. Wij konden kiezen voor het goede of het kwade. Zouden we deze keuze niet hebben kunnen maken, dan waren wij niet echt vrij.
de zondeval
Zonder dat er aanleiding voor was, hebben wij het vertrouwen in God opgezegd. Wij duldden Hem niet boven ons. We hebben door de eenvoudige daad van het eten van de verboden boom tot uitdrukking gebracht dat wij zelf op Gods troon willen zitten en onze eigen wetten willen maken (Gen. 3:1-6). De schuld van deze daad rust op ieder mens, omdat God het eten van deze boom op de rekening schrijft van ieder (Rom. 5:18-19). Ieder mens heeft de (eeuwige) dood verdiend (Rom. 3:19). Wij zijn strafwaardig. Dezelfde neiging die in het hart van Adam was, leeft in ieders hart. Wij negeren God en verzetten ons tegen Zijn heerschappij. In de kleinste kinderen blijkt dat zij het kwaad niet hoeven te leren, maar dat het in hun hart aanwezig is. Alle geweld en oorlogen in deze eeuw zijn slechts een bevestiging van de belijdenis dat de mens niet goed is, maar een boos hart heeft. Alle zaden van kwaad leven in ieders hart.
Wij geloven dat deze donkere werkelijkheid in de prediking van Gods Woord zonder omwegen aan de orde moet worden gesteld. Geen arts of psychiater kan deze diagnose stellen. Wij realiseren ons dat de tijdgeest zeer optimistisch is over de goedheid van de mens. Dat denken sijpelt ook de kerk binnen. Dat maakt het extra noodzakelijk dit aspect van Gods Woord te verkondigen. De zonde is zo erg dat het eten van de verboden boom het hele mensdom voor God verdoemelijk maakt. Ieder zondaar ligt onder de vloek van God. Wij worden geboren als kinderen van Gods toorn. We heten zelfs een erfgenaam van de hel. Het erge is ook dat wij onszelf uit deze situatie niet kunnen en willen verlossen. Wij maken het alleen maar erger. Wij zijn er beducht voor om onze verlorenheid slechts oppervlakkig aan te roeren. Het erkennen hiervan is de eerste stap naar behoud. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.
Het is fundamenteel voor het christelijk leven dat we de goede schepping en de diepe zondeval erkennen. Zou er geen sprake zijn van een goede schepping, dan is alle hoop op verbetering uitgesloten, want dan hoort het wezenlijk bij deze wereld. Het leert ons ook Gods aardse gaven te waarderen. Huwelijk, liefde, gezondheid, taal, lichamelijke schoonheid, intelligentie, kunstzinnigheid en andere talenten zijn uitnemende gaven van onze Schepper. Zonder de zondeval is het lijden in deze wereld ons een raadsel. Wie gelooft in de zondeval heeft geen antwoord op alle vragen, maar ziet wel dat het een wonder is dat zoveel goeds kwade mensen treft. Gód hoeft Zich niet te verantwoorden, maar wij moeten ons verantwoorden voor het kwaad dat wij over Gods goede schepping hebben gebracht.
Gods onuitsprekelijke Gave
In de prediking klinkt het dat God Die de wereld heeft geschapen, haar na de zondeval niet heeft losgelaten. Hij heeft de wereld die in het boze ligt zo lief gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven (Joh. 3:16). De Vader heet vaak rechtvaardig tegenover de barmhartigheid van de Zoon. Dat is een verkeerd godsbeeld. De Vader is barmhartig en rechtvaardig. De Zoon is eveneens barmhartig en rechtvaardig.
De Vader is het Die een zondaar rechtvaardigt. Dit is zo'n machtig wonder. Gods wet klaagt de zondaar aan dat hij schuldig staat aan elk gebod. De zondaar heeft geen verweer en kan alleen maar erkennen dat hij zwaar en menigmaal heeft misdreven. De advocaat die pleit in dit hoogste gerechtshof, vraagt geen geld, maar geeft Zichzelf. Hij pleit niet op verzachtende omstandigheden, maar onderschrijft de schuld van de zondaar. Hij wijst dan op Zijn betaling en eist op grond van Gods rechtvaardigheid dat Hij de zonde niet tweemaal zal straffen. Daarop spreekt God de arme zondaar vrij. De alwetende God ziet geen zonde in de zondaar. De rechtvaardige God rechtvaardigt de onrechtvaardige zondaar op grond van de gerechtigheid van Christus. Zo is de moordenaar aan het kruis even rechtvaardig als Paulus na dertig jaar apostelschap, ja even rechtvaardig als Christus. Niet slechts Gods genade, maar ook Gods gerechtigheid is een garantie van de eeuwige zaligheid. Deze vrijspraak klinkt in de hemel en in het evangelie. Naar de mate van het geloof heeft de zondaar de troost en kracht hiervan. Dit rechtvaardigende geloof is per definitie aangevochten. De zondaar ziet zoveel zonden, terwijl hij moet geloven dat God geen zonde ziet. Het geloof moet elke week worden gevoed door de prediking (vraag 84 HC).
Gods eeuwig plan
De verkiezing en de verwerping schrijven we vooral toe aan de Vader. God bestuurt ons leven en bepaalt wie er zalig wordt en wie niet. Tegen de tendens om te zwijgen van de verwerping, menen wij dat we ook deze keerzijde aan de orde moeten stellen. Overigens betekent dat niet dat de verwerping op dezelfde manier de oorzaak is van de verdoemenis als de uitverkiezing van de zaligheid (Dordtse Leerregels). Als we Gods eeuwig plan voorstellen als een systeem, verschillen we niet van de Islam die ook Gods albestuur belijdt. Allah is echter een god zonder hart. De verkiezende Vader vraagt geen offer, maar gééft het offer van Zijn Zoon. De leer van Gods verkiezing bedoelt ons te vernederen en tot aanbidding te brengen. Het leert ons dat de zaligheid buiten onszelf ligt. Dat is verootmoedigend en bevrijdend. In Gods soevereiniteit schittert het God-zijn van God. Gods eeuwig welbehagen is het fundament van het evangelie.
b. de Zoon
Christus is het centrum van de prediking. Als Hij niet wordt verkondigd, is de prediking leeg. Zonder Hem kunnen allerlei schone en ware dingen worden gezegd, maar het merg ontbreekt. Wij kunnen niet tot God komen, maar God komt tot ons. Sterker; God komt niet alleen tot de mens, maar Hij is Zelf mens geworden. De Heere Jezus is gestorven aan het kruis en is op de derde dag werkelijk opgestaan. We hebben niet alleen een vernederde Zaligmaker, maar een Koning Die roemrijk dood en graf overwon en in de hemel is opgevaren. Hij bidt daar aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij is bezig terug te komen met grote kracht en heerlijkheid op de wolken van de hemel. Wereldwijd worden er christelijke gemeenten gesticht en roept God zondaren uit de duisternis van hun zondige bestaan. Tegelijk gaan ook antichristelijke machten naar een hoogtepunt. In Zijn wederkomst zullen alle doden worden opgewekt en Christus zal ieder oordelen. Er zal dan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde worden geboren, zonder verdriet en zonder onrecht.
Wij geloven dat ieder gelovige deel heeft aan Christus. Dat betekent dat de zwakste gelovige volledig rechtvaardig is in de ogen van de heilige God. We hebben door het geloof deel aan alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus (Ef. 1:3). Er zijn in die zin geen stadia in het leven van de christen. De opwas in de kennis van Christus betekent niet dat wij via een voorspelbaar geestelijk traject van ervaringen gaan. Een "second blessing" (doop met de Heilige Geest) wijzen wij af. We ontvangen niet steeds nieuwe dingen, maar we gaan steeds dieper en grondiger zien wat ons in de Heere Jezus Christus is geschonken (1 Kor. 2:12).
een ernstige roepstem
Dit evangelie wordt aan alle zondaren verkondigd met bevel van geloof en bekering. De prijs voor ons behoud is betaald. In Hem is een nieuwe stand van zaken aangebroken. God is verzoend. Het grootste ogenblik uit Gods geschiedenis is het kruis. Het voorhangsel van de tempel is gescheurd om voor altijd te tonen dat de weg naar het hemelse heiligdom is gebaand. Het offer van Christus is genoeg om ieder te reinigen. Hij nodigt dan ook alle zondaren zonder onderscheid. Zijn nodiging is ernstig en welgemeend; hoe diep bewogen was Hij met het onbekeerlijke Jeruzalem. Wenend roept Hij hen tot Zijn vrede (Luk. 19:41-42). Hij hangt ons als het ware om de hals en bidt dat wij ons met God laten verzoenen (2 Kor. 5:20). De grootste misdadigers hebben door alle eeuwen in Zijn bloed verzoening gevonden. Wij zijn er beducht voor om karig te spreken over de ruimte in de Heere Jezus Christus. Dat is een belediging voor Hem.
Hoewel Christus de toorn van God tegen de zonde van het ganse mensdom droeg (zondag 15) ten behoeve van de uitverkorenen, is de kracht van Christus' offer een reden om alle zondaren te nodigen tot Zijn heil. Elke preek druppelt het bloed van Christus op de gemeente. We doen altijd wat; òf we nemen Christus door het geloof aan òf we verwerpen Hem. Het onbekeerd-zijn is niet iets passiefs, maar we doen dat actief. We moeten iets doen om verloren te gaan; namelijk Christus Die Zich aan ons geeft, verwerpen. Als we onbekeerd de kerk uitgaan, achten we het bloed van de Heere Jezus onrein. Ongeloof is erger dan moord.
Deze krachtige prediking van Christus is nodig om tot de zekerheid van het geloof te komen. Als we geen zicht hebben op het onvoorwaardelijk evangelie, zullen we nooit roemen in God om de vergeving van onze zonden en het recht op het eeuwige leven. De zekerheid van het geloof is niet anders dan dat we zeker zijn van Hem. De ankergrond voor onze verslagen ziel ligt niet in onszelf of in onze bekering, maar in Jezus Christus.
Christus komt tot ons in het gewaad van Zijn Woord, Zijn beloften. Thomas Boston betrok Joh. 3:27b ("Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet is gegeven") op de aanwezigheid van Christus in het evangelie. Zo is Hij ieder gegeven. Niemand gaat verloren omdat hij geen Zaligmaker had, maar omdat hij weigerde van deze grote ambtsdrager gebruik te maken. Zondekennis is nodig, maar het is nooit een voorwaarde. Wij achten het derhalve niet juist om de beloften te laten beheersen door de uitverkiezing. Zodoende worden zondaren op zichzelf teruggeworpen en niet op Gods onwankelbare toezeggingen. Dan moeten we eerst weten of we zijn uitverkoren en dan kunnen we gelovig gebruik maken van Gods belofte. Neen, de volgorde moet worden omgekeerd. Eerst het Woord en dan de persoonlijke toepassing daarvan. Het geloof rust niet op innerlijke bevinding, maar op het uiterlijke Woord van God.
Kan Gods Woord aan allen ernstig worden verkondigd, als er sprake is van Gods eeuwige verkiezing? We doen er beter aan hier de spanning te laten bestaan dan onze logica te laten heersen. De spanning tussen het algenoegzame offer van Christus en de persoonlijke verkiezing brengen we als volgt onder woorden: "Christus is niet voor ieder gestorven, maar er is voor ieder wel een gestorven Christus" (Thomas Boston).
c. de Geest
Wij geloven in de Heilige Geest. Hij is de grote Verwekker van het leven. Iedere ademhaling is te danken aan de Heilige Geest. Hij heeft gezorgd voor het eeuwige Woord van God. De Geest brengt ons tot geloof in de Zoon van God. Hij werkt op een onnaspeurlijke wijze geestelijk leven in de ziel.
Er is veel prediking waarin het werk van de Heilige Geest wordt verwaarloosd. Er blijft dan een tweeënige God over. De zondaar is echter niet alleen schuldig, maar ook onmachtig om de aangeboden verlossing aan te nemen. We zijn volstrekt blind om de heerlijkheid van Christus te zien. We zijn in onze wortel vijanden van God. We hebben de zonde, de wereld en onszelf zo lief, dat we liever verloren gaan dan uit genade worden behouden.
Het werk van de Geest krijgen wij nooit in de vingers en wij krijgen de vingers er niet achter. Het is krachtig, maar niet buitenissig. Wij houden wel van bijzondere dingen, maar Gods Geest werkt op een geheimenisvolle wijze. Elia verwachtte de Heere in de geweldige aardbeving, maar Hij was in het suizen van een zachte stilte (1 Kon. 19). Het is niet door kracht en niet door geweld, maar Gods Geest werkt in in onze ziel (Zach. 4:6).
kenmerken
De prediking schiet tekort als we alleen zonde en genade verkondigen met de oproep tot geloof of een keuze voor Jezus. Daaronder zou Judas het kunnen uithouden. Geloven is het meest vernederende wat een zondaar kan beoefenen. Het betekent een rechteloze en goddeloze te zijn voor de Heere. We worden niet gerechtvaardigd als zoekende en gewillige mensen, maar als goddelozen. Genade wordt op het schavot bewezen. Het leven met Jezus betekent sterven met Jezus. Zo bloeien de vruchten van geloof en bekering op uit een verbroken hart. In het brede kerkelijke leven van onze tijd zijn kenmerken vaak verdacht, omdat het mensen op zichzelf zou terugwerpen en niet op Christus. Toch is het is nodig dat we onszelf toetsen of we deel hebben gekregen aan de nieuwe geboorte. Zoals een bedrijf niet kan functioneren zonder boekhouding, zo kan het christelijk leven niet functioneren zonder zelfonderzoek. Het ontdekken van het gemis van geestelijk leven heeft reeds velen tot bekering gebracht.
Zonder er iets van af te doen dat wij tot Gods verbond behoren, zal in de prediking moeten doorklinken dat er twee soorten kinderen van dat ene verbond zijn; wedergeboren mensen en niet-wedergeboren mensen. De huiver hiervan moet worden gevoeld. Het is geen vanzelfsprekende zaak als mensen wel geloven. Het is een groot gevaar als de prediking de indruk wekt dat ieder reeds gelovig en wedergeboren is. Wedergeboorte is een machtig wonder van de Heilige Geest. Niet ieder serieuze kerkganger heeft deel aan Christus. De duivel gelooft zelfs in God en siddert, maar deelt niet in de verzoening van de Zaligmaker (Jak. 2:19). Het zijn geen enkelingen, maar zelfs velen die menen geloof te hebben, maar die niet zullen binnengaan in de hemel (Matth. 7:22-23). Helaas houden velen voor zwak geloof of zelfs sterk geloof dat niet meer is dan een indruk in het geweten of een beweging van het gevoel. Men spreekt dan alleen over "groeien" in het geloof en passeert het "komen" tot geloof. Er is echter geen gradueel, maar principieel verschil tussen een algemeen besef van zonde en respect voor Jezus enerzijds en zaligmakend geloof in Hem anderzijds. Wij dienen onderscheid te maken tussen de uitwendige en de inwendige roeping. Nog een stapje verder; de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden leert dat er een wezenlijk onderscheid is tussen algemene en zaligmakende werkingen van de Heilige Geest (Matth. 25).
onze oude natuur doden
Het leven uit Christus betekent een wandelen op de smalle weg. We gaan door een enge poort. De engte ligt niet aan God, maar wel aan ons. We moeten niet een paar stappen terug doen, maar sterven aan onszelf. Ons "ik" moet niet slechts worden bijgeschaafd, maar gedood. We worden nauwelijks zalig. Genade was voor Jezus niet goedkoop, maar evenmin voor ons. De rechtvaardiging van de zondaar mag nimmer leiden tot rechtvaardiging van de zonde. We moeten onszelf verloochenen, we kunnen geen zonde aan de hand houden, we moeten radicaal met de wereld breken. Bovendien probeert de duivel ons van God af te houden en het op een accoordje te gooien met de wereld. Het christelijk leven gaat dan ook niet vanzelf, maar het kost moeite en strijd. Gods kerk is op aarde een strijdende kerk. Zij strijdt echter wel met alle toewijding. Het is wel beweerd dat deze "ernst" een product is van de Nadere Reformatie, maar in de Reformatie was ze reeds voluit aanwezig (vr 114-115 HC).
Gods kinderen groeien op in de kennis van Christus. Ze voelen zich echter niet steeds grotere gelovigen. Voor hun eigen besef zien ze steeds meer hun verdorven natuur. De heiliging is geen vrucht van de rechtvaardiging, maar zowel de rechtvaardiging als de heiliging zijn vruchten van Christus. De rechtvaardiging blijft in het centrum van het geestelijk leven staan. Zo bloeit de heiliging op. De rechtvaardiging is nooit een gepasseerd station (vr 60 HC). Rechtvaardiging en heiliging staan niet na elkaar, maar naast elkaar. Er is nogal eens kritiek op prediking waarin de rechtvaardiging van de goddeloze het hart is. Dit betekent dat we nooit hebben begrepen wat het arme zondaarsleven inhoudt. Waarschijnlijk hebben we dan niet gepeild hoe diep de zonde wel is (Anselmus). Als de rechtvaardiging niet een blijvende plaats behoudt, krijgen we een wettische en krampachtige heiliging. Juist als we zien dat we niet volmaakt zijn, is het een geweldige troost als we zien dat het ook niet hoeft. Het onvolmaakte is geen bewijs dat we geen kind van God zijn.
gebroken christelijk leven
Wij zijn het oneens met de evangelische beweging die meent dat in Rom. 7:14-26 de onwedergeboren mens of de ingezonken gelovige wordt getekend. Hier is een christen in de kracht van de Geest aan het woord die van harte kan beamen dat hij een vermaak heeft in de wet van God naar de inwendige mens (vers 22). Juist de allerheiligsten komen tot de ontdekking hoe vleselijk ze zijn. Wij komen niet boven de strijd uit. Er staat een kruis, zelfs door de heerlijkste ervaringen. Het boek Job maakt ons evenals zoveel psalmen duidelijk dat de aanvechting een wezenlijke plaats heeft in het geestelijke leven. Het leven met God verloopt niet altijd gladjes en wij kunnen God niet narekenen. Gods volk is een ellendig en arm volk, en zo vertrouwen zij op de Naam van de Heere (Zef. 3:12). Wij worden almeer afgebroken in onszelf en leren almeer te leven uit Gods beloften alleen. Zo worden wij minder en zo schittert de Heere Jezus Christus steeds meer (Joh. 3:30). Arm in onszelf, zijn we rijk in Hem.
Het bovenstaande heeft ook consequenties voor de geestelijke ervaring. Het is niet zo dat de Heilige Geest alleen blijdschap geeft. De Geest geeft blijdschap (Rom. 14:17), maar de Geest leert ook zuchten (Rom. 8:26). Het werk van de Geest is overigens niet alleen in ons gevoel, maar ook in ons verstand en in onze wil. Zegen van God onder de prediking ontvangen we niet alleen als de snaren van onze ziel gevoelig gaan trillen, maar ook als we tegen de haren worden ingestreken of niet meer los kunnen komen van het onderwijs van het Woord.
De Geest is geen automatisme in de bediening van het Woord. Hij kan Zich zelfs geheel onttrekken zodat de prediking zonder uitwerking blijft (Jes. 6:9-10). Dit houdt tevens in dat de Geest ook buitengewoon krachtig kan werken door de prediking. Zo komt het in de gemeente tot een opwekking waarin Gods kinderen vervuld zijn met de Geest en Zijn vruchten dragen. Het verschil tussen naamchristenen en ware christenen komt openbaar. Zelfs de wereld komt onder de indruk en vraagt zich af: "Wat wil toch dit zijn?"
Ten slotte
De prediking moet het bijbelse evenwicht handhaven. Dat is heel moeilijk. Voordat we het beseffen wijken we af ter linkerzijde of struikelen we ter rechterzijde. Beide is even erg. De wet zal in haar scherpte aan de orde moeten komen, evenals het evangelie in haar weergaloze ruimte. Wij hebben de waarachtigheid van Gods verbond en beloften te verkondigen en tegelijkertijd met evenveel nadruk de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte. We handhaven tenvolle de menselijke verantwoordelijkheid en tegelijk bevestigen we Gods volstrekte soevereiniteit. We verkondigen het beslissende van de wedergeboorte en we erkennen het gebrekkige van het leven van het geloof. Belangrijk is ook dat we bij de prediking niet alleen letten op de onmiddellijke vruchten, maar ook op de vruchten voor de langere termijn. We hebben te waken tegen lijdelijkheid enerzijds en tegen gearriveerdheid anderzijds.