5. IDENTITEIT
In alle eeuwen kent de kerk spanningen over allerlei praktische dingen. Vaak is het "zoveel hoofden, zoveel zinnen". Reeds de eerste christenen hadden daar op een geweldig ingrijpende manier mee te maken. De Joden-christenen waren gewend aan de reinigingswetten, aan de spijswetten, aan de besnijdenis en aan de sabbat. De heiden-christenen weten van al deze voorschriften niet. Hoe moest men met deze verschillende tradities omgaan? Moesten alle heidenchristenen worden gedwongen tot de wetten van Mozes? Paulus heeft daarover onherhaalbare dingen geschreven in Rom. 14. Als gulden regen houdt hij ons de liefde voor. Al is Paulus er voor zichzelf geheel van overtuigd dat het geoorloofd is om varkensvlees te eten, in het bijzijn van een Joodse medebroeder doet hij dat beslist niet. Hij verloochent liever zichzelf dan dat hij iemand die gevoelig is voor de tradities ergert. Hij gaat zelfs zover dat hij Timotheus laat besnijden, om daarmee de Joden te winnen. Als hij echter merkt dat men meent zonder besnijdenis niet zalig te kunnen worden, biedt hij alle tegenstand en laat Titus niet besnijden. Als de eer van Christus in het geding is, is hij onverschrokken en ontoegeeflijk, betreft het zaken van minder belang, dan gaat hij liever zelf een stapje terug dan een ander in zijn geweten te belasten. Luther heeft in deze zin in zijn "De vrijheid van een christen" op onnavolgbare wijze uiteen gezet dat het handhaven van tradities ons geen streepje voor geeft op de zaligheid. Tegelijk leert hij ons dat het afschaffen van tradities evenmin een kenmerk van de christen is. Calvijn leert ons dat we naar gelang de zeden van een volk gebruiken kunnen veranderen: "Ik erken wel dat men niet lichtvaardig en ook niet dikwijls en niet om geringe oorzaken tot vernieuwing moet komen" (IV,X,30).
de preekstoel staat centraal
In een andere tijd of in een andere situatie (bijv. evangelisatiepost) gelden andere uitgangspunten dan in de hervormde gemeente van Opheusden die reeds eeuwen bestaat en zich kenmerkt door een aantal tradities. De inrichting van de eredienst is heel sober. We weten ons in die zin leerlingen van Calvijn die met grote klem het Woord van God centraal heeft gesteld. Ondanks het feit dat we in een tijdperk leven van visualisering en korte indringende boodschappen, menen we dat het Gods bedoeling voor alle tijden is dat Zijn Woord wordt gepreekt. Bovendien, als we ons hierin laten leiden door de omstandigheden, zal men het nog meer afleren om te luisteren naar de rustige ontvouwing van het Woord van God. Gezien het belang van de prediking staat niet de avondmaalstafel, maar de kansel centraal. Uiteindelijk zijn de sacramenten zegels gehecht aan het Woord. Opdat we zo het Woord des te beter verstaan en er zeker van zijn.
de eredienst
Dit betekent niet dat de rest van de eredienst onbelangrijk is. Het is een geweldig moment als votum en groet worden uitgesproken. We bevinden ons daarmee op heilige grond. God Zelf ontmoet ons en heiligt de samenkomst van de gemeente. De lezing van de wet herinnert ons aan de centrale plaats daarvan. Het is tenslotte het enige gedeelte van de bijbel dat de Heere met Zijn eigen vinger heeft geschreven. Zonder de wet is het evangelie zonder inhoud. De belijdenis van het geloof verbindt ons op een geweldige wijze met de kerk van alle eeuwen en plaatsen. De zegen aan het einde van de dienst is geen vrome wens, maar werkelijkheid. God zegent ons.
In de eredienst wordt de lezing van de wet, de geloofsbelijdenis en de Schrift verzorgd door een ouderling. Het is niet alleen een gewoonte, maar op deze wijze brengen we ook tot uitdrukking dat de ambten samen de gemeente leiden. Bovendien leert de ouderling zo voor de gemeente te staan, in het geval dat hij onverwacht moet voorgaan of een preek lezen.
We maken in de eredienst gebruik van de Statenvertaling. Dit is niet de meest eenvoudige vertaling, het is wel de meest letterlijke vertaling. Het Woord van God is reeds honderden jaren oud en ontstaan in een andere cultuur. Bovendien is het vanaf het begin van de christelijke kerk zo geweest dat bijbelse kernbegrippen vreemd zijn in deze wereld. Een woord als "wedergeboorte", "bekering", "geloof", "rechtvaardiging" of "zaligheid" komt naar zijn eigenlijke strekking niet in de maatschappij voor. De bijbel kunnen wij derhalve nooit omzetten naar een vlot leesbaar boek. Reeds in de tijd van de Statenvertaling koos men ervoor om liever een moeilijke vertaling te hebben, dan een vertaling die tekort deed aan de oorspronkelijke bedoeling van de Heilige Geest. We zijn niet tegen een nieuwe vertaling op zichzelf. Ook de Statenvertaling is ooit een nieuwe vertaling geweest. De huidige nieuwe vertalingen stellen echter vertaalkundig en theologisch zeer teleur. De Statenvertaling is in haar taalgebruik soms verouderd, maar we verkiezen deze vertaling dan toch boven een onbetrouwbare weergave van Gods Woord.
In het Oude Testament zongen de levietenkoren de psalmen die de Heere vooral door middel van David heeft gegeven voor de publieke eredienst. Nieuwtestamentisch zijn alle christenen profeten. Dezelfde woorden liggen nu in de mond van de gehele gemeente. Het zangboek dat God ons heeft gegeven, is zo rijk dat wij de inhoud daarvan nog lang niet kennen. Wij maken daarbij gebruik van de berijming van 1773. Op deze uitgave is best het een en het ander af te dingen. Tegelijk zal het moeilijk zijn om een betere berijming te vinden. Derhalve blijven wij gebruik maken van de woorden waarmee onze (groot)ouders leefden en stierven.
Het boek der psalmen is het enige gedeelte in de Schrift dat uitdrukkelijk is bedoeld voor de openbare eredienst. Derhalve zullen de psalmen centraal moeten staan. Wij sluiten gezangen niet categorisch uit, aangezien we ook enige gezangen aan ons psalmboek hebben toegevoegd. Tegelijk houden we ons daaraan. De Christus is volop in de psalmen aanwezig, zeker omdat het berijmd is vanuit het nieuwtestamentische gezichtspunt. De psalmen zijn bovendien een middel om de band met Israel levend te houden. Verder laat de praktijk zien dat het invoeren van vrije liederen niet zelden dwalingen in de kerk brengt.
Wij zingen de psalmen niet-ritmisch. Daaraan ligt geen principe ten grondslag, maar in de volksziel is de gemeentezang op deze wijze reeds eeuwen ingedrongen. We beseffen dat dit een traditie is, maar we zien geen reden hier verandering in aan te brengen. Een andere traditie is dat wij twee diensten per zondag hebben, die ongeveer anderhalf uur duren. Ambtsdragers plegen tijdens de uitoefening van hun ambt een zwart kostuum te dragen.
kleding
In de eredienst dragen de vrouwen van de gemeente een hoofddeksel. Het is onze overtuiging dat deze aanwijzing van de apostel Paulus in 1 Kor. 11 niet de gang van zaken in die dagen beschrijft, maar waarschuwt tegen het afschaffen van deze bijbelse gewoonte. In het Oude Testament droeg de priester een muts. Het was een teken dat hij nog onverzoend was en dat hij zonder Christus niet voor God kon komen. In het Nieuwe Testament is de verzoening geschied. Christus is nu het hoofd van de man. Dat deksel op het hoofd is meer dan voldoende. De man draagt derhalve geen hoofddeksel meer. Hij staat vrij tegenover God. De vrouw die in het Oude Testament buiten de eredienst stond, neemt er nu geheel aan deel. Onze vertaling kan de verwarring wekken dat het haar van de vrouw haar deksel is. Het grondwoord maakt echter duidelijk dat het hoofddeksel op haar is overgegaan, om tot uitdrukking te brengen dat zij in de man is begrepen. Christus is het hoofd van de man en de man is het hoofd van de vrouw.
Hetzelfde verband van de Schrift leert ons dat het een eer is voor een vrouw om lang haar te dragen. Dit woord "eer" heeft een geweldig diepe inhoud. Het wordt ook wel vertaald met "heerlijkheid". In Luk. 2:14 laten de engelen ons weten dat de volle heerlijkheid van God schittert in de baby Jezus. Zo schittert de heerlijkheid van de man in de vrouw. En de heerlijkheid van de vrouw schittert in haar lange haar. Wat krijgt dit eenvoudige gebruik dan een diepe inhoud.
Het onderscheid tussen man en vrouw is in ons land altijd tot uitdrukking gebracht in de kleding. In andere culturen is het anders, maar in onze cultuur betekende dat altijd dat de man geen rok draagt en de vrouw geen broek. De laatste tientallen jaren zien we in onze cultuur een geweldige vloedgolf van antichristelijk denken doorbreken. Normen en waarden staan volop ter discussie. Ook de emancipatie van de vrouw behoort daarbij. Het is onmiskenbaar dat men dit in de kleding tot uitdrukking heeft willen brengen. De christen beproeft de geest van de tijd en heeft daar afstand van te nemen. Hoewel de verkeerde herkomst van gewoonten niet beslissend blijft voor het afwijzen daarvan (denk aan het scheren van de baard dat door homo's in Griekenland is begonnen), is het onderscheid in kleding tussen man een vrouw een zinvolle traditie om het bijbelse onderscheid tussen man en vrouw aan te geven. Derhalve pleiten wij in onze plaatselijke gemeente zeer beslist voor dit onderscheid in kleding, niet alleen in eredienst of de catechese, maar ook in het persoonlijke leven.
Wij doen een beroep op ieder lid van de gemeente om deze identiteit van de reeds eeuwen bestaande gemeente van Opheusden te respecteren. In de kernzaken mogen we ontoegeeflijk zijn, maar waar het de vormgeving betreft, mag er van de christen flexibiliteit en zelfverloochening worden verwacht.