4. AMBTEN

De kerk is het lichaam van Christus. Alle leden van Gods kerk behoren tot Zijn lichaam. De gelijkenis van de Wijnstok (Joh. 15) maakt duidelijk dat zelfs onbekeerden toch in Christus zijn ingelijfd. De doop spreekt daar ook duidelijk over. Eerlijkheidshalve moeten we vaststellen dat er onvruchtbare ranken aan de Wijnstok zijn.

Er heeft een geweldige verbreding plaatsgevonden van het Oude Testament. Toen vormden slechts enkelen de kerk. Thans zijn alle gelovigen gezalfd met de zalving van Christus tot profeet, priester en koning. De ambten gelden van alle christenen. Wij zijn een koninklijk priesterdom om te verkondigen de deugden van Degene die ons geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2:9).

Alle leden zijn dan ook verantwoordelijk voor het geheel van de gemeente. De regering van de gemeente berust bij haar zelf. Overigens betekent dit geen democratie, maar Christocratie. Niet onze wil of die van de meerderheid is doorslaggevend, maar geheel de gemeente is geplaatst onder het gezag van Gods Woord. Ook wijzen wij de hierarchie af waarin een plaatsvervanger van Christus de kerk op deze aarde zou regeren. Het is principieel dat de kerkenraad in haar besluitvorming niet uitgaat van de meerderheid, maar door te luisteren naar elkaar en rekening te houden met elkaar zoekt te verstaan wat de wil van God is. Het nemen van een meerderheidsbesluit is een noodoplossing.

Het algemene priesterschap van alle gelovigen komt tot uitdrukking in het bevestigingsformulier van de ambtsdragers. Zij zijn door de gemeente en mitsdien door God geroepen. Wat de Roomse Kerk heeft voorbehouden aan de priesters, verklaart de Reformatie een zaak te zijn van de gemeente. Concreet krijgt dat ook gestalte in de zesjaarlijkse stemming waarin de belijdende leden van de gemeente bepalen of zij zelf de ambtsdragers benoemen of de kerkenraad daartoe (gedeeltelijk) machtigen. Het is ook wezenlijk dat ieder gemeentelid een zelfstandig oordeel vormt over de leer van Gods Woord.



drie ambten

De regering (sleutelmacht) van de gemeente behoort aan Christus. Voor zover de gemeente het eigendom van Hem is, berust deze bevoegdheid bij de gemeente in haar geheel, de uitoefening daarvan heeft God voorbehouden aan ambtsdragers. De verheerlijkte Christus heeft apostelen, profeten, herders en leraars gegeven (Ef. 4:11). Christus Zelf weidt Zijn gemeente door middel van de ambten. De ambtsdragers komen zo op uit de gemeente en zij staan tegenover de gemeente als zij handelen met het gezag van God en Zijn Woord. Zij mogen hun ambt niet misbruiken om over de gemeente te heersen, maar dienen haar te dienen.

Wij kennen de drie ambten van ouderling, diaken en predikant. De ouderling regeert de gemeente en houdt toezicht op de leer. Tucht valt in het bijzonder onder zijn verantwoordelijkheid. De diaken is geroepen om mensen in nood te hulp te komen en "troostrijke redenen" te spreken. De predikant is de pastor (=herder). Vaak menen mensen dat hij twee taken heeft, namelijk herder en leraar. Dat is niet terecht; hij is herder op de manier van leraar, zowel in de prediking als in de catechese. Door het onderwijs weidt hij de gemeente als een herder in de grazige weiden van Gods Woord. Tussen deze ambtsdragers is geen sprake van rangorde. De predikant is niet belangrijker dan de ouderling of de diaken.

Het is niet de taak van een predikant om op een burgerlijke psycho-sociale wijze ieder genoeg aandacht te geven. De verwachtingen van de dienaar van het Woord zijn vaak scheef gegroeid. De onderlinge zorg is een zorg van de hele gemeente. De predikant is een vrijgestelde ambtsdrager. Hij hoeft niet voor zijn eigen inkomen te zorgen. Zo kan hij alle energie gebruiken om grondig te graven in de Schriften, zich te verdiepen in kerk en theologie om zo de gemeente geestelijk te leiden door de turbulentie van onze tijd. De evangeliedienaar kan (zeker in een grote gemeente) niet overal achteraan gaan, wel is hij voor ieder in nood en met vragen beschikbaar. Het zogenaamde crisispastoraat (onder ambtsgeheim) vraagt naast de prediking en catechese zoveel dat er weinig tijd overblijft. Wel is het van belang dat hij de kudde doorgaat om zo de schapen te leren kennen en in de prediking in te gaan op de noden van de gemeente. Stelt men hogere eisen aan de predikant, dan is uitbreiding van het aantal predikantsplaatsen noodzakelijk.



het ambt aller gelovigen

Gezien het priesterschap van alle gelovigen betekent de bevestiging van ambtsdragers niet dat de gemeente monddood wordt gemaakt of dat de ambtsdragers plaatsvervangend werk zouden doen in de gemeente. Neen, alle leden van de gemeente zijn voor elkaar en voor het geheel verantwoordelijk. De ambtsdragers geven structuur aan alle arbeid in de gemeente, maar het is niet zo dat de rest van de gemeente zich voor haar luiheid kan verontschuldigen. Elk gemeentelid is geroepen om persoonlijk de prediking te toetsen. Ieder mag de predikant rekenschap vragen van zijn boodschap. Als gemeente hebben we elkaar nodig en mag ieder zijn of haar inbreng geven. We zijn als het ware één groot gezin. De kerkenraad neemt ieders inbreng serieus, is bereid tot verantwoording, maar heeft haar eigen zelfstandigheid in de besluitvorming.

Het openbare ambt in de gemeente staat niet open voor de vrouw (1 Kor. 14:34, 1 Tim. 2:12). Wij wijken daarin af van de kerkorde van onze kerk, die deze ruimte wel kent. Als kerkenraad weten we ons echter geroepen deze orde te toetsen aan Gods Woord. De vrouw is werkelijk niet minder dan de man. Christus vergelijkt Zijn gemeente zelfs met een bruid (Ef. 5 en Openb. 12). In Christus is noch man, noch vrouw (Gal. 3:28). In de genade kunnen vrouwen vaak meer zijn dan de mannen. Man en vrouw zijn volstrekt gelijkwaardig, maar niet gelijk. De man is het hoofd van de vrouw. Ze hebben in de schepping en in de herschepping een verschillende plaats en functie van de Heere gekregen. Alleen in het erkennen van die ereplaats komen beiden tot hun bestemming. Het moet overigens duidelijk zijn dat er geen geschrift is dat zoveel respect voor de vrouw opbrengt als Gods Woord. Al eeuwenlang beschermt de Heere haar tegen de tirannie van de man en nu tegen de onderdrukking van de emancipatie. Hoewel Gods Woord er niets uitdrukkelijk over zegt, lijkt het ons aan de meest voorzichtige kant als we deze terughoudendheid voor de vrouw in het kerkelijke leven ook betrachten voor de openbare ledenvergaderingen van de gemeente.

In onze gemeente functioneert een kerkvoogdij met eigen rechtspersoonlijkheid die verantwoordelijk is voor het beheer van de materiële belangen van de gemeente. Bestuurlijk functioneert dit lichaam zelfstandig naast de kerkenraad, besluiten die leer en leven raken, vallen (mede) onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad.