DE GEEST VAN OPWEKKING
EEN
ONDERZOEK NAAR DE LEER VAN DE HEILIGE GEEST
IN DE
OPWEKKINGSTHEOLOGIE VAN JONATHAN EDWARDS (1703-1758)
PROEFSCHRIFT
ter verkrijging van de graad van doctor in de godgeleerdheid aan de
Theologische Universiteit te Apeldoorn,
op gezag van de rector prof. dr. J.W. Maris,
hoogleraar in de dogmatische vakken,
volgens het besluit van het college van hoogleraren
in het openbaar te verdedigen
op DV vrijdag 11 januari 2002
des namiddags om 15.00 uur
in de aula van de universiteit
Wilhelminapark 4 te Apeldoorn
door
Willem van Vlastuin
geboren op 6 maart 1963 te Maarn
De
examencommissie:
prof. dr. W.
van ‘t Spijker, promotor
prof.
dr. A. de Reuver, co-promotor
prof. dr. J.W. Maris
prof. dr.
H.J. Selderhuis
prof. dr. M.
te Velde
ter nagedachtenis aan Jan van Vlastuin (1939-1997)
voor Wilma
voor onze
kinderen
WOORD VOORAF
Dit woord vooraf van academische
dank is omringd door de namen van hen die een stempel op mijn leven hebben
gezet. Dit boek is opgedragen ter nagedachtenis aan mijn vader Jan van
Vlastuin. Zijn opvoeding en levenswandel toonden mij wat ik in de geschriften
van Edwards zou herkennen, namelijk de kracht van de godzaligheid. Met dit boek
dank ik mijn beide ouders voor alle zorgen die ze voor mij hadden en de
mogelijkheden die ze mij gaven om te studeren.
Ik dank mijn promotor Prof. Dr. W.
van ‘t Spijker die dadelijk bereid was om dit onderzoek te begeleiden. Zijn
kennis van het detail en zijn inzicht in de grote verbanden stelden hem in
staat om ook in een studie die niet direct op zijn terrein ligt, behartenswaardige
analyses te geven en dienovereenkomstige kritiek te leveren. Bovendien zijn de
gesprekken over kerk en theologie, ambt en persoonlijk geestelijk leven voor
mij onvergetelijk.
Prof. Dr. A. de Reuver ben ik zeer
erkentelijk dat hij als co-promotor wilde optreden. De intensieve manier waarop
hij heeft meegewerkt aan de voltooiing van dit proefschrift dwingt groot
respect af. Door zijn betrokkenheid is niet alleen de helderheid van het betoog
vergroot, maar vooral ook de fijnzinnigheid van de theologische anlyse
verdiept.
Grote dank komt mij toe aan twee
vrienden. Drs. A. Baars maakte ondanks zijn drukke werkzaamheden tijd vrij om
een eerste concept van dit proefschrift door te worstelen en met zijn ervaring
in het berglandschap van zowel de theologie van Edwards als de theologie van
Calvijn de helpende hand uit te steken. Hetzelfde geldt voor Dr. P. de Vries
die met zijn parate kennis van de details van de historie van Engeland en
Nieuw-Engeland kernachtige opmerkingen aanreikte om het geheel aan te scherpen.
Ook de opmerkingen en aanwijzingen van K.P. Minkema, redacteur van de
wetenschappelijke uitgave van Edwards’ werken, waren belangrijk.
De examencommissie van de
Theologische Universiteit in Apeldoorn heeft zich grondig verdiept in de proeve
van dit proefschrift. De kritiek die zij leverde, heb ik als opbouwend ervaren.
Bovendien was dit een hulpmiddel om me nog meer in bepaalde theologische
vraagstukken te verdiepen.
Voor mijn speurtocht in Edwards’
theologie waren verschillende boeken nodig die in Nederland niet binnen
handbereik zijn. De bibliotheken van de Universiteiten te Groningen en Utrecht
boden de nodige faciliteiten. De medewerkers van Beinecke Rare Book and
Manuscript Library diepten verschillende manuscripten van preken op.
Onvergetelijk is de noeste zoekarbeid van wijlen P. de Klerk die uit de immense
bibliotheek van het Calvin Theological Seminary te Grand Rapids geschriften
naar boven wist te halen die niemand wist te vinden. Het beeld van Charles
Chauncy, van de Great Awakening en van Edwards is zo onmiskenbaar scherper
geworden.
Mevr. J. Veldhuijzen uit Katwijk
was bereid om het proefschrift minitieus te controleren op taal- en
spellingsfouten. Dhr. G. Franken uit Opheusden en dhr. J.D. van Woerden uit
Plockton in Schotland wilden hun oog laten gaan over het gebruik van de Engelse
taal. Heel hartelijk dank.
Het grootste deel van deze studie
is geschreven in de pastorie van Opheusden. In de tijd van Wouterswoude werden
de eerste voorbereidingen getroffen, terwijl in Katwijk de laatste afwerking
restte. Ik dank de gemeenten die mij de gelegenheid gaven om te ervaren dat er
een heilzame wisselwerking bestaat tussen theologische studie en pastorale
arbeid.
Het grootste offer is gebracht
door mijn vrouw. Sinds ons huwelijk weet zij eigenlijk niet beter dan dat haar
man in zijn vrije tijd studeert. Haar aanwezigheid bracht mij niet alleen
steeds terug tot de nuchtere werkelijkheid, maar was door de geborgenheid ervan
steeds een inspiratie om te volharden. Zonder haar zou dit boek anders zijn dan
het nu is, want ik ben die ik ben door haar.
Over al de genoemde personen staat
de koepel van Gods trouw en genade. De Heere leerde - in de gemeenschap met de
heiligen van thans en met Gods kinderen uit het verleden van Reformatie en
Great Awakening - door Zijn Geest iets zien van de weergaloze diepte in Zijn
Woord als openbaring van Zichzelf. In dat licht is onze kennis oppervlakkig.
Aan Hem ben ik eeuwig dank verschuldigd dat Hij mij de eerste beginselen van het bijbels abc leerde. Eenmaal komt de
dag dat alle schaduwen wijken en Zijn glorie zichtbaar schittert.
INHOUDSOPGAVE
WOORD VOORAF....................................................................................... 7
INHOUDSOPGAVE..................................................................................... 9
INLEIDING.................................................................................................................................. 15
1. De verschillende
categorieën in het Edwards-onderzoek........................................ 15
2. De stand van het
theologisch Edwards-onderzoek.................................................. 18
3. De doelstelling van
dit onderzoek............................................................................... 20
4. De opzet van dit
onderzoek.......................................................................................... 22
5. De vergelijking met
Calvijn........................................................................................... 24
6. De bronnen van dit
onderzoek..................................................................................... 26
7. De relevantie van dit
onderzoek.................................................................................. 27
A.
HISTORISCH DEEL
1. HET THEOLOGISCH-GEESTELIJKE KLIMAAT VÓÓR DE GREAT AWAKENING 31
1. De ontwikkeling van het puritanisme in Nieuw-Engeland ....................................... 31
2. De kerkelijke praktijk.................................................................................................... 39
3. De invloed van de verlichting....................................................................................... 41
4. De openheid voor opwekking........................................................................................ 44
Evaluatie.............................................................................................................................. 48
2. DE PREDIKER TIJDENS DE GREAT AWAKENING................................ 49
1. Jeugd en opleiding (1703-1726)..................................................................................... 49
2. Geestelijk leven............................................................................................................... 50
3. Predikant in Northampton (1726-1750)....................................................................... 53
4. Zendeling te Stockbridge (1751-1758)......................................................................... 58
5. Levenseinde en blijvende invloed................................................................................. 60
6. Enkele karakteristieken van zijn opwekkingsprediking............................................. 62
a. Hel en hemel...................................................................................................... 63
b. Gods soevereiniteit en onze verantwoordelijkheid......................................... 65
c. Zonde en genade................................................................................................ 68
d. Rechtvaardiging en heiliging............................................................................ 71
e. Schijn en zijn...................................................................................................... 73
Evaluatie.............................................................................................................................. 74
3. DE VOORBEREIDING OP DE
GREAT AWAKENING...................................................... 77
1. Het model voor
opwekking: ‘A Faithful Narrative’................................................... 77
a. De publicatie van ‘A
Faithful Narrative’........................................................ 77
b. De betekenis van ‘A
Faithful Narrative’........................................................ 78
c. De inhoud van ‘A
Faithful Narrative’............................................................ 79
c1. Het werk van de Geest....................................................................... 80
c2. De uitstorting van de
Geest.............................................................. 81
c3. De vrucht van de
Geest..................................................................... 83
c4. Het snijvlak van de
Geest en de mens............................................. 84
d. Evaluatie ........................................................................................................... 84
2. Het blijven bij
opwekking: ‘Charity and its Fruits’................................................... 86
a. De achtergrond van ‘Charity and its
Fruits’................................................. 85
b. De inhoud van ‘Charity and its Fruits’.......................................................... 85
b1. De inwoning van de
Geest................................................................ 85
b2. De heiligmaking als
praktijk van liefde............................................ 87
b3. De Geest en de
persoonlijkheid........................................................ 88
b4. De gaven van de Geest...................................................................... 89
c. Evaluatie............................................................................................................. 91
3. De verwachting van
opwekking: ‘A History of Redemption’................................. 92
a. De achtergrond van ‘A
History of Redemption’.......................................... 92
b. De inhoud van ‘A
History of Redemption’................................................... 93
b1. De uitstorting van de
Geest.............................................................. 93
b2. De vrucht van de
Geest..................................................................... 93
b3. De Geest en de
schepping................................................................ 95
b4. De eenheid van de
geschiedenis..................................................... 95
b5. De voortgang van de
geschiedenis................................................. 97
c. Evaluatie............................................................................................................. 99
4. DE KRACHT IN DE GREAT
AWAKENING.................................................................. 101
1. De evangelist van de
Great Awakening: George Whitefield................................. 103
2. De profeet van de
Great Awakening: Gilbert Tennent........................................... 107
3. De theoloog van de
Great Awakening: Jonathan Edwards................................... 110
4. De radicaal van de
Great Awakening: James Davenport....................................... 112
5. Het verval van de
Great Awakening......................................................................... 114
6. De vrucht van de Great
Awakening.......................................................................... 116
Evaluatie............................................................................................................................ 121
5. DE STRIJD OM DE GREAT AWAKENING............................................ 123
1. De brede opwekkingsanalyse: ‘The
Distinguishing Marks’.................................... 123
a. De achtergrond van ‘The Distinguishing Marks’......................................... 123
b. De inhoud van ‘The Distinguishing Marks’.................................................. 124
b1. De uitstorting van de Geest.............................................................. 124
b2. Het snijvlak van de Geest en de mens............................................ 124
b3. De beproeving van de Geest............................................................. 126
b4. De hoop op de Geest......................................................................... 127
c. Evaluatie............................................................................................................ 128
2. De zelfkritische opwekkingsanalyse: ‘Some Thoughts’............................................ 128
a. De achtergrond van ‘Some
Thoughts’.......................................................... 128
b. De inhoud van ‘Some Thoughts’................................................................... 130
b1. Het werk van de Geest..................................................................... 130
b2. De uitstorting van de Geest.............................................................. 131
b3. De vrucht van de Geest.................................................................... 133
b4. Het snijvlak van de Geest en de mens............................................ 134
b5. De beproeving van de Geest............................................................. 136
b6. De hoop op de Geest......................................................................... 137
c. Evaluatie............................................................................................................ 137
3. De persoonlijke opwekkingsanalyse: ‘Religious Affections’..................................... 138
a. De achtergrond van ‘Religious Affections’.................................................... 138
a1. De opwekkingskritiek van Charles Chauncy................................. 138
a2. De kerkelijke verwikkelingen.......................................................... 142
a3. De
publicatie van ‘Religious Affections’......................................... 144
b. De inhoud van ‘Religious Affections’............................................................ 145
b1. De wedergeboorte............................................................................. 145
b2. De ervaring......................................................................................... 146
b3. De zekerheid van het geloof............................................................ 149
b4. De heiligmaking................................................................................ 153
b5. De vrucht van de Geest.................................................................... 155
b6. Het snijvlak van de Geest en de mens............................................ 156
b7. De beproeving van de Geest............................................................. 158
c. Evaluatie................................................................................................................ 159
6. DE UITWERKING VAN DE
GREAT AWAKENING..................................................... 161
1. Het gebed om
opwekking: ‘An Humble Attempt’................................................... 161
a. De achtergrond van ‘An
Humble Attempt’................................................. 161
b. De inhoud van ‘An
Humble Attempt’......................................................... 162
b1. De uitstorting van de
Geest............................................................ 162
b2. De vrucht van de
Geest................................................................... 162
b3. De beproeving van de
Geest.......................................................... 163
b4. De hoop op de Geest....................................................................... 164
c. Evaluatie........................................................................................................... 167
2. Het voorbeeld van
opwekking: ‘David Brainerd’.................................................... 167
a. De achtergrond van
‘David Brainerd’.......................................................... 167
b. De inhoud van ‘David
Brainerd’................................................................... 170
b1. Het werk van de Geest....................................................................... 170
b2. De uitstorting van de
Geest............................................................ 171
b3. De vrucht van de
Geest................................................................... 172
b4. Het snijvlak van de
Geest en de mens........................................... 173
b5. De beproeving van de
Geest.......................................................... 173
b6. De hoop op de Geest....................................................................... 174
c. Evaluatie........................................................................................................... 175
3. Een reformatie in
opwekking: ‘An Humble Inquiry’............................................... 175
a. De achtergrond van ‘An
Humble Inquiry’.................................................. 175
b. De inhoud van ‘An
Humble Inquiry’........................................................... 177
b1. Het werk van de Geest..................................................................... 177
b2. De uitstorting van de
Geest............................................................ 179
b3. De vrucht van de
Geest................................................................... 179
b4. De beproeving van de
Geest.......................................................... 185
c. Evaluatie........................................................................................................... 186
TUSSENBALANS..................................................................................... 187
B. SYSTEMATISCH DEEL
1. HET WERK VAN DE
HEILIGE GEEST........................................................................... 193
1. De voorbereiding op de
wedergeboorte................................................................... 193
2. De wedergeboorte........................................................................................................ 195
3. De rechtvaardiging...................................................................................................... 198
4. De heiliging................................................................................................................... 201
5. De zekerheid.................................................................................................................. 204
6. De ervaring.................................................................................................................... 206
7. Een vergelijking met
Calvijn....................................................................................... 208
Evaluatie............................................................................................................................ 217
2. DE UITSTORTING VAN DE HEILIGE GEEST....................................... 219
1. De omschrijving van opwekking................................................................................. 219
2. De verschijnselen van opwekking............................................................................... 224
3. De kwetsbaarheid van opwekking.............................................................................. 229
4. Een vergelijking met Calvijn........................................................................................ 231
Evaluatie............................................................................................................................ 239
3. DE VRUCHT VAN DE
HEILIGE GEEST......................................................................... 241
1. De roeping tot de kerk................................................................................................. 241
2. De reformatie van de
kerk .......................................................................................... 244
3. De verbondssluiting en
de kerk................................................................................. 246
4. De zending door de
kerk............................................................................................. 248
5. Een vergelijking met
Calvijn....................................................................................... 250
Evaluatie............................................................................................................................ 256
4. HET SNIJVLAK VAN DE
GEEST EN DE MENS.......................................................... 257
1. Het snijvlak van het
menselijk inzicht....................................................................... 257
2. Het snijvlak van de
menselijke geest........................................................................ 259
3. Het snijvlak van het
menselijk vlees......................................................................... 262
4. Het snijvlak van de
boze geest.................................................................................. 264
5. Onder de hoogspanning
van de Heilige Geest ....................................................... 266
6. Een vergelijking met
Calvijn....................................................................................... 267
Evaluatie............................................................................................................................ 273
5. DE BEPROEVING VAN DE
HEILIGE GEEST............................................................... 275
1. Christus en de Geest.................................................................................................... 275
2. Woord en Geest........................................................................................................... 277
3. Schepping en Geest .................................................................................................... 283
4. Persoonlijkheid en
Geest............................................................................................. 286
5. Een vergelijking met
Calvijn....................................................................................... 289
Evaluatie............................................................................................................................ 298
6. DE HOOP OP DE HEILIGE
GEEST................................................................................. 299
1. De eenheid in de
geschiedenis.................................................................................. 299
2. De voortgang door de
geschiedenis ....................................................................... 301
3. Het einde van de
geschiedenis.................................................................................. 303
4. De zin van de
geschiedenis........................................................................................ 305
5. Een vergelijking met
Calvijn....................................................................................... 308
Evaluatie............................................................................................................................ 316
C. EVALUEREND
DEEL
1. DE KARAKTERISTIEKEN VAN DEZE PNEUMATOLOGIE.................................... 319
2. DE PLAATS VAN DEZE PNEUMATOLOGIE.............................................................. 320
3. DE HEILSHISTORISCHE VRAAG BIJ DEZE PNEUMATOLOGIE........................... 322
4. DE INTENTIE VAN DEZE PNEUMATOLOGIE........................................................... 325
5. HET CHRISTOLOGISCHE GEHALTE VAN DEZE PNEUMATOLOGIE............... 327
6. HET TRINITARISCHE KARAKTER VAN DEZE PNEUMATOLOGIE.................. 331
7. EEN MODALISTISCHE TENDENS IN DEZE PNEUMATOLOGIE?........................ 336
8. DE KEERZIJDE VAN DEZE PNEUMATOLOGIE.......................................................... 339
9. DE RELEVANTIE VAN DEZE PNEUMATOLOGIE..................................................... 341
SUMMARY.............................................................................................. 346
BIBLIOGRAFIE....................................................................................................................... 357
1. Primaire literatuur......................................................................................................... 357
a. Werken van Edwards...................................................................................... 357
b. Secundaire bronnen........................................................................................ 358
II. Secundaire literatuur................................................................................................... 360
a. Calvijn-studies................................................................................................. 360
b. Edwards-studies.............................................................................................. 363
c. Opwekkingsliteratuur...................................................................................... 367
III. Tertiaire literatuur....................................................................................................... 370
REGISTER VAN PERSONEN.................................................................... 381
CURRICULUM VITAE............................................................................. 389
INLEIDING
Een nieuwe studie over Jonathan Edwards behoeft
geen verontschuldiging. Zijn geschriften blijken een vruchtbare bron van
onderzoek te zijn.[1] Vooral
toen na de beide wereldoorlogen het ongebreidelde culturele optimisme was
geknakt, werd Edwards weer actueel.[2]
Het staat voor niemand ter discussie dat hij behoort tot de grootste
intellectuelen, predikers, psychologen, theologen en filosofen.[3]
1. De verschillende
categorieën in het Edwards-onderzoek
Tientallen jaren is Edwards het symbool
geweest van het puritanisme dat verantwoordelijk is voor alle gebreken in de
Amerikaanse samenleving.[4]
In de jaren dertig beginnen andere geluiden te klinken. A.C. McGiffert laat in
1932 een biografie over Edwards het licht zien, omdat in de religieuze crisis
van het geliberaliseerde protestantisme de waarheden van het calvinisme
dringend nodig zijn.[5]
J. Haroutunian in Piety versus Moralism hamert in die tijd op hetzelfde
aambeeld. De neo-orthodoxe H.R. Niebuhr roept de theologie van Edwards in
herinnering. De mens is zondaar, maar is tegelijkertijd in staat tot
christelijke deugden. In zijn The Kingdom of God in America van 1937
spreekt hij de hoop uit dat een Edwards redivivus de History of the Work of
Redemption zal actualiseren en zo de religie zal revitaliseren.
De studie van O.E. Winslow in 1941 is een
rehabilitatie van Jonathan Edwards. Zij geeft een correctie op de karikatuur
van H.B. Parkes in Jonathan Edwards: The Fiery Puritan uit 1930. Aan de
hand van de bronnen tekent zij op historisch integere wijze de mens Edwards en
zijn tijd. Zij neemt echter radicaal afstand van zijn theologie en doet evenmin
een poging om hem tot een tijdgenoot te maken.
De grote doorbraak in het Edwards-onderzoek
is gekomen toen P. Miller in 1949 zijn Jonathan
Edwards publiceerde.[6]
Zonder theologische verwantschap ziet deze onderzoeker Edwards als een
grondlegger van de Amerikaanse cultuur. Hij tekent hem niet als een
‘hel-en-verdoemenis-prediker’, maar als een modern mens die de inzichten van
John Locke actualiseert in de crisissituatie van die dagen.[7] Locke zou verantwoordelijk zijn voor de
“sensational preaching” van Edwards en zo voor de Great Awakening. Volgens
Miller - die tevens de grondlegger is van de wetenschappelijke uitgave van
Edwards’ werken - heeft Jonathan Edwards de Nieuwe Wereld op moderne leest geschoeid.
Deze cultuurhistorische benadering is enthousiast bijgevallen. P.J. Tracy
prijst de visie van Miller.[8]
Ook de studie die onder leiding van B. Oberg en H.S. Stout werd gedaan, zocht
het moderne van Edwards boven tafel te krijgen.[9]
Verder zijn M.I. Lowance[10]
te noemen alsmede L. Chai.[11]
De visie van Miller is echter ook van
diverse kanten weersproken. Ten eerste zijn er
onderzoekers die de moderniteit van Edwards kritiseren. Een voorbeeld hiervan
is J.F.
Wilson.[12] Ten tweede zijn er geleerden die benadrukken dat Edwards ondanks zijn
gebruik van Locke een calvinistisch theoloog is gebleven. Hiertoe behoren J. Haroutunian, C. Cherry[13], V.
Tomas [14],
H.F. May [15], P.
Dassow [16],
B.A. Fisher [17],
F.J.E. Woodbridge[18],
I.H. Murray [19], P.
Gay en V.L. Parrington. [20]
Anderen relativeren de invloed van Locke op Edwards, zoals H.P. Simonson[21],
R.F. Lovelace [22] en P.
Helm. [23]
Dit soort onderzoekers erkent dat Edwards zich een kind van de verlichting
toont door zijn kritische analyse, zelfstandige manier van denken en erkenning
van natuurwetenschappelijke onderzoeksresultaten.[24]
In hun ogen gebruikt hij dit gereedschap om inhoudelijk felle kritiek te
leveren op het denken waarvan ook Locke een exponent is.[25]
Edwards gebruikt dit instrumentarium om de puriteinse orthodoxie te verdedigen.[26]
Deze wetenschappers menen dat zijn gebruik van rationale argumenten Edwards
niet tot een rationalist maakt[27],
omdat hij nimmer op grond van de rede de openbaring in twijfel trekt. [28]
Het Woord blijft de laatste gezagsinstantie.
Ten derde zijn er wetenschappers die een heel andere wijsgerige
invloed op Edwards vermoeden. Er zijn relaties gelegd
met het denken van F. Hutcheson[29],
G.W. Leibniz, I. Watts en zelfs F.E.D. Schleiermacher.[30]
P. Ramsey zoekt Edwards’ aandacht voor ervaring niet zozeer bij Locke als wel
bij de illuminatieleer van Augustinus.[31]
D.C. Brand, C. Cherry en J.H. Gerstner bevestigen de invloed van de kerkvader
en het neoplatonisme.[32]
N. Fiering heeft de meest fundamentele kritiek gegeven door duidelijk te maken
dat Edwards’ metafysica in het geheel niet overeenkomt met Locke, maar met
Malebranche.[33] Ook
D.C. Brand en C. Schröder denken in deze richting.[34]
Er is nog een vierde vorm van kritiek op
Millers benadering aanwijsbaar. Deze komen we tegen bij R.W. Jenson. Als we in
Edwards’ God geloven, dienen we niet alleen te onderzoeken wat hij historisch
heeft betekend, maar hem vooral als theoloog serieus te nemen. Jenson ziet in
de creatieve theologie, de in de triniteit gewortelde metafysica en de
authentieke godsvrucht van Northamptons pastor mogelijkheden om een heilzame
correctie op de verlichtingstheologie uit te oefenen. Toch is het de vraag of
Edwards zichzelf in de vergelijking met K. Barths religiekritiek en radicale
christologie zou herkennen.[35]
Naast deze cultuurhistorische, filosofische
en zuiver theologische benadering van Edwards, komen we ook een
filosofisch-theologische invalshoek tegen. J.H. Gerstner heeft niet alleen
theologisch affiniteit met Edwards, maar verzwijgt tegelijkertijd niet dat
Edwards’ visie op de rationaliteit van de Schrift en de schepping onmisbaar is.[36]
Kortom, we kunnen spreken van een
Edwards-opwekking. Zijn werk wordt vanuit verschillende invalshoeken en
wetenschappelijke disciplines onderzocht. Deze verschillende benaderingen
hebben hun waarde, maar we doen Edwards geen recht als we deze gezichtspunten
isoleren van hetgeen voor hem het meest belangrijk was. Hij zag zichzelf in de
eerste plaats als christen die Gods openbaring doordenkt. De bedorvenheid van
het menselijk hart, de soevereiniteit van Gods genade, de verzoening door
Christus en de onweerstaanbare kracht van de Geest zijn de grote thema’s voor
Edwards. De meest radicale scheiding in de mensheid is die tussen
wedergeborenen en niet-wedergeborenen.
Het voorliggende onderzoek kiest duidelijk
voor een bepaalde categorie in de verschillende Edwards-disciplines, namelijk
de theologische. Dit onderzoek gebeurt zo objectief mogelijk. Het is niet de
bedoeling om met bepaalde inzichten van
deze theoloog een eigen boodschap door te geven. We trachten hem zo weer te
geven dat hij zichzelf in de weergave zou herkennen. Dat betekent overigens
niet dat we hem niet kritisch zullen bevragen op zijn standpunten en de
theologische consequenties daarvan.
2. De stand van het
theologisch Edwards-onderzoek
In het onderzoek van Edwards’ theologie
gaat het niet alleen om de totaalconcepties van zijn theologie. Er is
differentiatie en specialisatie. Er is bijna geen aspect van zijn theologie dat
geen onderwerp van studie is geweest. Zijn Godsleer, schriftleer, kerkleer en
rechtvaardigingsleer passeerden de revue. Zijn visie op hel en hemel is
beschreven, zijn verbondsopvatting, zijn benadering van de heiliging, zijn
verwachting voor de toekomst, zijn wedergeboorte- en ervaringstheologie, zijn
theocratische gedachten, zijn prediking, enzovoort. Deze theologische
opvattingen zijn weer geplaatst in dogmen-historisch, sociologisch,
apologetisch of metafysisch
perspectief.
Te midden van dit onderzoek is er grote
aandacht voor Edwards als opwekkingsprediker en als opwekkingstheoloog. Zijn
plaats in de opwekkingen van de achttiende eeuw in Amerika wordt algemeen
erkend. J.I. Packer schrijft Edwards een pioniersrol in de opwekkingstheologie
toe[37],
P. Miller noemt hem een "theorist of the Awakening" [38],
C.C. Goen spreekt van een "theological defense"[39],
terwijl R.F. Lovelace hem omschrijft als een "Theologian of
Revival".[40] J.A.
Conforti meent dat Edwards’ meest originele bijdrage aan de kerkgeschiedenis
daarin bestaat dat hij opwekking centraal plaatst in Gods plan van verlossing.[41]
M.J. Crawford sluit zich hierbij aan.[42]
G.S. Claghorn noemt Edwards
“the father of the Great Awakening.”[43] Volgens D.M. Lloyd-Jones moeten we Edwards raadplegen om
iets te weten over opwekking.[44]
Kortom, wie Edwards zegt, zegt opwekking.
In het algemeen wordt er wel studie gedaan
naar de leer van de Heilige Geest in het puritanisme. G.F. Nuttall stelde in
1946 dat de puriteinen als pioniers dit terrein hebben verkend.[45]
D.A. Stover onderzocht dit aspect in de theologie van John Owen. [46]
C.N. Weisiger deed hetzelfde voor R. Sibbes.[47]
C.S. Malefyt nam de Amerikaanse tak voor zijn rekening.[48]
Het is de leer van de Heilige Geest die het hart van de verschillende
controversen in Nieuw-Engeland vormt: het antinominiaanse conflict, de
spanningen rondom het kerklidmaatschap en de verschillen in waardering van de
Great Awakening. Het merkwaardige is echter dat in deze studies nauwelijks
uitdrukkelijke aandacht is voor de leer van de Heilige Geest in de Great
Awakening. Dat de soevereiniteit van de Heilige Geest hier in het geding is,
wordt door wetenschappers die met Edwards theologisch congeniaal zijn algemeen
aanvaard, maar een monografie op dit terrein ontbreekt.
Er zijn enkele studies die de pneumatologie
aan de orde stellen.[49]
P. Wilson-Kastner schreef haar
Coherence in a fragmented world: Jonathan Edwards' Theology of the Holy
Spirit.[50] Deze studie is echter beperkt en de conclusies zijn
algemeen. Het is ook de vraag in hoeverre zij recht doet aan de theologie van
Edwards. Dat ligt anders bij het artikel van P. Ramsey ‘Defying and Assisting
the Spirit’, dat echter hoofdzakelijk handelt over de lastering tegen de Geest.
Het artikel van B.M. Stephens geeft aanzetten tot een theologische analyse,
maar mist door de beknoptheid de uitwerking daarvan.[51]
R.C. DeProspo schrijft meer over het geheel van Edwards’ theologie en over de
verhouding natuur en geest, dan over de Heilige Geest.[52]
In het derde deel van het werk van J.H. Gerstner over Edwards komt de heilsorde
uitdrukkelijk aan de orde.[53]
Dat kunnen we niet dan tot onze schade negeren. Echter, ook in dit werk is er
geen sprake van een historisch-systematisch onderzoek naar het werk van de
Geest in opwekking. We kunnen in geen van deze gevallen spreken van een studie
waarin de structuren van de pneumatologie uiteen worden gezet, laat staan dat
hier de relatie met opwekking duidelijk is.
T.T. Taylor heeft verdienstelijk werk
gedaan.[54]
Hij legt nadruk op Edwards’ leer van de Heilige Geest in het kader van de Great
Awakening. Bovendien wijst hij verbanden aan met vroegere discussies over de
Heilige Geest. Deze studie is echter meer een
inventarisatie van de verschillende probleemvelden in de puriteinse
traditie dan een analyse van het werk
van de Geest in opwekking. De studie van N.C. Shaw is van eminent belang, maar
meer contextueel-historisch van aard dan theologisch.[55]
Onderzoeken we opwekkingsstudies, dan valt
op dat de grootste aandacht naar de verschijnselen, het karakter en de effecten
uitgaat. Men bestudeert de aard van de vroomheid, men beschrijft nauwkeurig de
geschiedenis, men analyseert de internationale contacten, men doet onderzoek
naar mogelijke oorzaken of men richt zich op de beoordeling van deze
geestelijke krachten. Er zijn studies over het verband met de zending, met de
Amerikaanse revolutie, met de sociale vernieuwingen, met de ontwikkeling van
het baptisme, enzovoort. In deze wetenschappelijke onderzoeken wordt in het
algemeen geen uitdrukkelijke aandacht geschonken aan het werk van de Geest of
aan Edwards’ pneumatologie in het bijzonder. De opwekkingsstudies die
uitdrukkelijk het werk van de Heilige Geest aan de orde stellen, zijn niet
historisch-systematisch van aard en missen veelal een wetenschappelijk
karakter.[56]
Er valt dus te spreken van een leemte in het
onderzoek van Edwards’ theologie. In zijn geschriften ter verdediging en ter
verbreiding van opwekking spreekt hij echter te nadrukkelijk over
"Outpouring of the Holy Spirit" om dit aspect van het werk van de
Heilige Geest niet te onderzoeken. Deze studie wil dat gat opvullen. De titel
van dit boek ‘De Geest van opwekking’ brengt tot uitdrukking dat dit onderzoek
zich concentreert op het karakter van het werk van de Heilige Geest in een
opwekking. De ondertitel ‘Een onderzoek naar de leer van de Heilige Geest in
de opwekkingstheologie van Jonathan Edwards (1703-1758)’ geeft een nadere
toelichting op de doelstelling van dit onderzoek.
3. De doelstelling van
dit onderzoek
Het voorliggende onderzoek richt zich dus op
een bepaald aspect van Edwards’ theologie, namelijk zijn pneumatologie. De
spits van het onderzoek is vooral gericht op de verhouding van de leer van de
Heilige Geest tot de opwekkingstheologie van
Edwards. De centrale doelstelling van deze studie is een antwoord op de
volgende vraag: Wat is karakteristiek voor de pneumatologie van Jonathan
Edwards in relatie tot opwekking? Met andere woorden: Is er iets in de
structuur van Edwards’ leer van de Heilige Geest waardoor het theologisch
mogelijk is om over een opwekking te spreken?
Om een antwoord te krijgen op deze vraag
doen we een tweeledig onderzoek: historisch en systematisch. De reden voor het
historisch deel is gegeven met het feit dat de leer van de Heilige Geest bij
Edwards geen vrucht is van abstract theologiseren, maar in de concrete praktijk
van het kerkelijke en geestelijke leven is ontwikkeld. We kunnen Edwards’
theologie niet verstaan zonder de historische context waarin hij zijn inzichten
heeft gevormd. Dit leidt tot een begrenzing van het onderzoek. Niet alle
opwekkingen die Edwards als een opwekking zag, waarover hij heeft geschreven en
waarvan hij door correspondentie of historische literatuur op de hoogte was,
worden in het onderzoek betrokken. De studie concentreert zich op de Great
Awakening omdat het theologische debat zich in deze periode heeft toegespitst
en tot de meest verfijnde vorm is gekomen.
De bedoeling van het historisch deel is niet
om nieuwe historische details van de Great Awakening te ontdekken. Dat
onderzoek wordt door anderen en op andere wijze verricht. De beschrijving van
de Great Awakening is geen doel in zichzelf, maar dient als decor om Edwards
des te beter te kunnen plaatsen. Deze benadering brengt met zich mee dat het
onderzoek zich niet richt op historische bronnen van deze opwekking, maar wordt
verricht aan de hand van secundaire literatuur. Uiteraard worden van Edwards
wel de bronnen geraadpleegd.
De bedoeling van dit historisch deel is het
peilen van de diepte en de strekking van Edwards’ inzichten tegen de achtergrond
van zijn dagen. Om het eigenlijke van zijn gedachten op te merken, plaatsen we
deze ook in een historisch perspectief.
Er wordt nagegaan hoe de mening van de opwekkingstheoloog zich gedurende
de tijd voor de Great Awakening, tijdens deze opwekking en daarna heeft
ontwikkeld. Daarom staat in dit deel van het onderzoek de behandeling van negen
geschriften van Edwards centraal. Het zijn werken die gerelateerd zijn aan
opwekking. Hiermee worden tevens de bouwstenen aangereikt die in de
tussenbalans worden geïnventariseerd en in het systematische deel worden
geanalyseerd.
Na het historisch deel volgt het
systematisch deel. Het onderzoek concentreert zich in het systematisch deel op
de vragen van de pneumatologie en dan met name die vragen die vanuit Edwards’
opwekkingstheologie naar voren komen. De bedoeling van dit deel is helder zicht
te krijgen op de karakteristieken van Edwards’ leer van de Heilige Geest door
het onderzoek van bepaalde deelaspecten. In de eerste plaats worden daartoe de
pneumatologische patronen die Edwards zelf aangeeft geanalyseerd. Dit betreft
het gewone heilsordelijke werk van de Geest, het buitengewone werk van de Geest
in een opwekking, de verhouding van de Heilige Geest tot de menselijke geest en
het eschatologisch perspectief, alsmede de relatie van de Geest tot de kerk.
In de tweede plaats wordt in dit analytisch deel nagegaan hoe de relatie is
tussen het subjectieve werk van de Geest en de objectieve structuren in
schepping en herschepping. Impliciet is deze verhouding in Edwards’ geschriften
aanwezig, maar in dit onderzoek is dat explicieter gemaakt.
De bedoeling van het evaluerende deel is
niet alleen om de karakteristieke elementen van Edwards’ pneumatologie te
verzamelen, maar ook om te onderzoeken of uit de subthema’s van het
systematisch deel een totaalconceptie, een pneumatologisch grondpatroon, kan
worden geformuleerd. Een secundair doel van het evaluerende deel is de
doordenking van de consequenties van dit grondpatroon.
4. De opzet van dit
onderzoek
In deze paragraaf geven we een nadere
toelichting op de praktische uitwerking van de doelstelling van het onderzoek.
Het historisch deel is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 1 wordt de situatie
belicht waarin de Great Awakening is ontstaan. Welke geestelijke krachten
waren hier werkzaam? Daartoe richt de studie zich op de puriteinse wortels van
het kerkelijk en geestelijk leven in Nieuw-Engeland. Tevens is er een onderzoek
naar de invloed van de verlichting. Daarbij komt de vraag aan de orde of het
theologisch-geestelijk klimaat opwekkingsgezind is.
In het tweede hoofdstuk beschrijven we
Edwards als prediker. Aangezien boodschap en persoonlijkheid een onlosmakelijke
eenheid vormen, ontkomen we er niet aan om een onderzoek te doen naar zijn
(geestelijke) wortels. Het gaat niet om een complete biografie, of om een
bespreking van alle problemen van de biografische gegevens.[57] Dit hoofdstuk richt zich
vooral op die momenten in zijn leven waarin opwekking voor Edwards beslissend
is. Tegelijk geeft dit hoofdstuk meer biografische gegevens dan in relatie tot
het thema strikt nodig is. Dit is gedaan omdat er in Nederland geen biografie
van Edwards beschikbaar is.[58]
Zo ontstaat er een beknopte dwarsdoorsnede van zijn leven. Het hoofdstuk
eindigt met de karakteristieken van zijn opwekkingsprediking.
In het volgende hoofdstuk komen voor het
eerst geschriften van Edwards aan de orde.
Dit hoofdstuk richt zich op een drietal geschriften die als doelstelling
hebben reveil te bevorderen. De situatie waarin elk geschrift is ontstaan, wordt
kort weergegeven. Vervolgens worden die aspecten van de inhoud besproken die in
relatie staan tot het werk van de Heilige Geest.
De bedoeling van het vierde hoofdstuk is om
de bredere contouren van de Great Awakening in het oog te krijgen. Vanuit de
vele mogelijkheden die daartoe zijn, is gekozen voor een biografische
benadering. De gekozen personen zijn elk representatief voor een bepaald
krachtenveld in het geheel van deze geestelijke beweging. Er is gekozen voor de
personen Tennent, Whitefield, Davenport en Edwards. Op deze wijze ontstaat er
tevens een beeld van de eigen plaats van Edwards in de breedte van deze
opwekking. Verder worden de politieke en sociale vruchten van deze grote
opwekking beknopt aangewezen.
In het vijfde hoofdstuk komt de polemiek
tussen Edwards en Charles Chauncy aan de orde. Met een beroep op
gemeenschappelijke puriteinse voorvaders komt de laatstgenoemde voorganger tot
tegengestelde conclusies: hij keurt opwekkingen af. In de studie wordt dit
conflict beschreven en geanalyseerd, terwijl het eigene van Edwards’ geschriften
tegen de achtergrond van deze controverse wordt belicht.
In het laatste hoofdstuk komen de
geschriften van Edwards aan de orde die hij geschreven heeft na het hoogtepunt
van de Great Awakening. Ook deze publicaties worden geplaatst in hun context
om zo de diepte ervan des te beter te verstaan.
Na het historisch deel volgt een
tussenbalans waarin we de belangrijkste resultaten uit het voorgaande deel
rubriceren. Tevens verkennen we het grote landschap van de pneumatologie om zo
in het systematische deel tot een analyse en plaatsbepaling van Edwards’ leer
van de Heilige Geest te komen.
Vervolgens komt het systematisch deel. Het
onderscheid tussen historisch deel en systematisch deel is niet absoluut. Het
eerste deel wordt gekarakteriseerd door inventariseren, terwijl de eigenlijke
analyse plaats vindt in het tweede deel. Zonodig wordt in dit systematisch deel
ook verwezen naar andere geschriften van Edwards om zijn bedoelingen scherp te
krijgen. Het eerste hoofdstuk analyseert Edwards’ visie op het gewone
heilsordelijke werk van de Geest zoals dat in de wedergeboorte, de rechtvaardiging
en de heiliging gestalte krijgt. Ook besteden we in dit verband aandacht aan
het voorbereidende werk, de zekerheid en de geestelijke ervaring.
In het volgende hoofdstuk komen we op grond
van Edwards’ eigen werk tot een omschrijving voor het verschijnsel opwekking.
Aangezien opwekking in het geheel van dit onderzoek een belangrijk begrip is,
geven we nu reeds de omschrijving die in dat hoofdstuk nader wordt toegelicht
en uitgewerkt: Opwekking is een buitengewone soevereine intensivering van het
gewone werk van de Heilige Geest in een gemeenschap.[59]
Naast deze omschrijving komen de karakteristieken van een opwekking - zoals
Edwards die zag - aan de orde.
In het derde hoofdstuk wordt de visie op de
kerk in relatie tot het werk van de Geest nader onderzocht. De vraag wordt
gesteld of de gelovige opkomt vanuit de gemeente, of dat de gemeente is
gefundeerd in de individuele gelovige. Een vraag is ook hoe reformatie van
kerkelijke structuren in het kader van reveil functioneert. Vervolgens is er
aandacht voor de relatie tussen het werk van de Geest in opwekking en zending.
Het vierde hoofdstuk gaat in op het snijvlak
van Gods Geest met de menselijke werkelijkheid. We analyseren hoe volgens
Edwards het werk van de Geest wordt verbasterd door de invloed van de
menselijke kennis, de menselijke psyche, onze vleselijkheid en de invloed van
de duivel. Vervolgens komt ook de laster tegen de Heilige Geest aan de orde.
Deze analyse geeft inzicht in de mogelijkheid van vleselijke ontsporingen
tijdens geestelijke opwekkingen.
We onderzoeken in het volgende hoofdstuk wat
de bedding is waarbinnen de Geest Zich beweegt. De verhouding tot Christus, het
Woord, de schepping en de persoonlijkheid komen dan aan de orde. Tot slot
behandelen we de voortgang van het werk van de Heilige Geest in de
geschiedenis.
Het is ook van belang te weten dat deze
subthema’s die per hoofdstuk worden belicht tevens de criteria zijn voor de
selectie van datgene wat uit Edwards’ geschriften in het historisch deel naar
voren wordt gebracht.
Dan volgt een derde deel, namelijk het
evaluerende deel. Met behulp van de analyses en de evaluties van het tweede
deel worden de karakteristieken van deze leer van de Heilige Geest in kaart
gebracht. We zoeken ook naar de plaats van deze pneumatologie in de
katholiek-gereformeerde traditie. De doelstelling van dit gedeelte is tevens om
dit denken over de Heilige Geest en Zijn werk te bevragen op de
heilshistorische, christologische en trinitarische consequenties. Hierna volgt
een paragraaf waarin de keerzijde van Edwards’ benadering wordt uitgesproken.
Ten slotte wordt de vraag gesteld naar de relevantie van Edwards’
inzichten.
5. De vergelijking met
Calvijn
Om het eigene van Edwards helder te krijgen,
willen we in dit onderzoek gebruik maken van een vergelijkend onderzoek. Deze
vergelijking is geen doel in zichzelf, maar
het is een hulpmiddel om de kern van Edwards’ denken te laten uitkomen. We
beperken de vergelijking tot één theoloog.
Voor een zinvolle vergelijking worden de
volgende voorwaarden gesteld. In de eerste plaats dienen de te vergelijken
visies theologisch-geestelijke verwantschap met elkaar te vertonen. Met andere
woorden: ze moeten vergelijkbaar zijn. Vervolgens moet de vergeleken theoloog
herkenbaar en toegankelijk zijn. Het heeft weinig zin Edwards’ theologisch
inzicht te spiegelen aan een persoon die geen brede herkenning oproept. We
zoeken naar een persoon die dogmen-historisch geschikt is om als oriëntatiepunt
te dienen. Ten derde dient de vergelijking een nader inzicht te geven hoe
Edwards staat in de brede katholiek-protestantse hoofdstroom van de
kerkgeschiedenis.
Deze genoemde voorwaarden geven een
beperking in de vergelijkingsmogelijkheden.
Verschillende onderzoekers wijzen op de verwantschap van Edwards met
Augustinus.[60] Het
katholieke karakter van de kerkvader staat niet ter discussie. Toch lijkt een
vergelijking met hem minder geslaagd. Als Edwards de naam van Augustinus
noemt, is dat zelden of nooit inhoudelijk, maar altijd als historische
grootheid.[61]
Edwards bezit geen geschriften van Augustinus.[62]
Bovendien wordt de herkenbaarheid en de toegankelijkheid van het denken van
Augustinus bij de christelijke lezer minder groot geacht.
Een vergelijking met een puriteinse
voorvader in Nieuw-Engeland behoort tot de mogelijkheden. Bovendien zou het de
historische ontwikkeling van de theologie aan het licht brengen. Het nadeel
hiervan is echter dat we dan niet goed zicht krijgen op Edwards in relatie met
de katholieke kerk van alle tijden en plaatsen. Bovendien roepen de namen van
mensen als Shepard of Hooker ook geen brede herkenning op.
Er kan ook worden gedacht aan een
vergelijking met een andere opwekkingstheoloog. Hierbij valt te denken aan
Wesley of Finney. Het nadeel hiervan is dat de inhoud van hun theologisch
denken evenmin breed bekend is. Ook Edwards’ plaats in het geheel van de
kerkgeschiedenis komt daarmee minder tot zijn recht. Verder vertegenwoordigen
deze beide theologen een stroming waartegen Edwards zich heeft afgezet,
namelijk het arminianisme. De theologische verwantschap is daardoor minimaal.
Na het aftasten van deze mogelijkheden van
vergelijking komen we uit bij de "theoloog van de Geest"[63],
Johannes Calvijn. Bij deze keuze zijn de volgende nadere overwegingen te
maken. In de eerste plaats heeft deze keuze een subjectief element in zich. Het
Schrift-verstaan en de theologie van Calvijn hebben voor de onderzoeker grote
waarde. Hij is zich er tevens van bewust dat Calvijn en Edwards in andere
context werkzaam waren. Dat betekent dat hun visies niet zonder meer naast
elkaar kunnen worden gelegd. Dit verschil in situatie neemt echter niet weg dat
de theologie ook iets heeft van alle tijden. Zo is op de achtergrond de vraag
aanwezig in hoeverre het denken van Edwards valt te combineren met en is te
integreren in de theologische visie van de reformator.
In de tweede plaats is er tussen Edwards en
Calvijn sprake van een kritische verwantschap. Edwards is als vernieuwend en
oorspronkelijk theoloog[64]
beslist geen kritiekloze volgeling van Calvijn. Hij oefent ook kritiek uit op
de reformator.[65] Toch
wil hij wel als een calvinist worden gezien.[66]
In de genadeleer denkt hij beslist in calvinistische kaders. Tegenover
arminiaanse tendensen van zijn dagen voelt hij zich verbonden met de
reformator. Deze positief-kritische houding komt de vergelijking ten goede.
Ten derde is Calvijn een toegankelijk
theoloog. Zijn naam roept brede herkenning op. De verhouding tot hem werpt ook
licht op Edwards in de brede stroom van de kerkgeschiedenis.
Vervolgens is een positiebepaling ten
opzichte van Calvijn van praktisch belang. In kerken van gereformeerde
signatuur is de verhouding met Johannes Calvijn veelzeggender dan de relatie
tot een bepaalde kerkvader, puritein of opwekkingsprediker. Calvijn is geen
absolute norm, maar tegelijk meer dan een technisch oriëntatiepunt. Zijn theologie
is een begrip en hij heeft historisch-theologisch gezag.
In de vijfde plaats is deze vergelijking
zinvol omdat dit onderzoek - aan de hand van een opwekkingsgezinde puritein -
wil bijdragen aan de ontmoeting tussen reformatorische en evangelische
theologie. Als de verhouding van Edwards tot Calvijn duidelijk wordt, geeft dat
ook helderheid voor hen die in de reformatorische traditie of in een meer
evangelische opwekkingstraditie willen staan. Aangezien ook veel evangelischen
hun stamboom terugleiden op de Reformatie[67],
is er zo bovendien sprake van een gemeenschappelijk referentiekader. Kortom,
als we het opwekkingsdenken van Edwards plaatsen tegen de achtergrond van een
reformatorisch theoloog, biedt dat oriëntatiemogelijkheden voor zowel
reformatorische als evangelische christenen.
Ten slotte gaat het in ons onderzoek niet in
de eerste plaats om historische ontwikkelingen in Nieuw-Engeland, maar deze
studie wil ten dienste staan aan de cultuuroverschrijdende katholiciteit van
de kerk. Ten diepste wil dit onderzoek niet anders dan samen met al de heiligen
de openbaring van God zoeken te verstaan. Zo zal juist de theologische
verscheidenheid ons terugbrengen tot Gods Woord.
De vergelijking met Calvijn vindt plaats aan
het einde van elk hoofdstuk in het tweede deel. Het nadeel hiervan is een
verbrokkeling in de Calvijn-gegevens. Een voordeel van deze opzet is echter dat
de relevante inzichten van Calvijn direct aansluiten op de betreffende thema’s
bij Edwards. Het comparatieve element komt zo beter tot zijn recht dan wanneer
dit in één apart hoofdstuk zou zijn ondergebracht.
6. De bronnen van dit
onderzoek
In ons onderzoek maken wij in de eerste
plaats gebruik van de geschriften die Edwards in de tijd van opwekking heeft
geschreven, waarin hij deze geestelijke beweging beschrijft, analyseert,
bekritiseert en verdedigt. Dit
betreft zijn geschriften A Faithful Narrative, The Distinguishing
Marks, Some Thoughts Concerning The Revival en A Treatise Concerning
Religious Affections. Hoewel de werken Charity and its Fruits, A
History of the Work of Redemption, An Humble Attempt, The Life of David
Brainerd en An Humble Inquiry in eerste oogopslag niet direct over
opwekking gaan, blijken ze er bij nader inzien toch direct op te zijn
betrokken. Dit is de reden dat deze werken samen de basis van het historische
deel vormen. Al deze bronnen zijn thans beschikbaar in de wetenschappelijke
editie van Edwards’ werken zoals deze worden gepubliceerd door de Yale
University Press te New Haven.
Aangezien Edwards’ preken onlosmakelijk zijn
verbonden met zijn opwekkingstheologie, hebben we hier ook onderzoek naar
gedaan. In de wetenschappelijke editie van Edwards’ werken zijn echter alleen
nog maar de preken beschikbaar van de jaren 1720-'33. Derhalve is bij het
onderzoek van de preken ook gebruik gemaakt van oudere edities van verzamelde
werken. Een belangrijke bron hierbij is The Works of Jonathan Edwards, gereviseerd
door E. Hickman in 1834 en in 1974 opnieuw uitgegeven door The Banner of Truth
Trust. Verder is de catalogus van al de manuscripten van Edwards’ preken in de
Beinecke Rare Book & Manuscript Library te New Haven geraadpleegd. Een
relevante selectie hieruit is gekopieerd. De bestudering hiervan is echter zeer
ingewikkeld. Het zou bovendien dubbel werk zijn om deze papiersnippers te
ontcijferen, aangezien er aan de wetenschappelijke editie van deze preken reeds
wordt gewerkt. Ik heb aangenomen dat de beschikbare preken representatief zijn
voor het geheel. Bovendien vormt de bestudering van Edwards’ preken niet de
scopus van dit onderzoek. Derhalve is afgezien van een gedetailleerd en grondig
onderzoek van de preek-manuscripten.
Om de historische context te verstaan is er
ook gebruik gemaakt van brieven van Edwards en persoonlijke
dagboekaantekeningen uit reeds genoemde beschikbare series van zijn werken. Om
Edwards’ grootste tegenstander, Charles Chauncy uit Boston, recht te doen en de
discussie tussen hen nauwkeurig te kunnen analyseren, zijn er de nodige
inspanningen geleverd om de opwekkingstraktaten en -boeken van Chauncy te
achterhalen.
In de systematische behandeling van de structuur
van Edwards’ theologie zijn uiteraard ook de andere werken van deze theoloog
geraadpleegd om zo dieper door te dringen tot zijn diepste theologische
intenties. Hierbij moeten we niet in de eerste plaats denken aan zijn grote
filosofische werken Freedom of the Will en Original Sin of zijn
metafysische Concerning The End For Which God Created The World, als wel
aan zijn Miscellanies, Notes
on Scripture en The Nature of True Virtue, die in de wetenschappelijke
editie voorhanden zijn. De Essay on Trinity en Treatise on Grace
zijn niet in de Yale-editie beschikbaar, maar zijn in een andere uitgave
bestudeerd.
Naast het gebruik van deze bronnen, wordt er
incidenteel verwezen naar andere bronnen uit de reformatorische of puriteinse
traditie. Naast deze bronnen is er ruimschoots gebruik gemaakt van secundaire
literatuur waarin opwekking of thema’s uit Edwards’ leven en werk worden
behandeld. Tot slot is er een derde laag van literatuur aan te wijzen, de
zogenaamde tertiaire literatuur. Deze studies staan als zodanig los van het
bestudeerde thema, maar kunnen er toch een verhelderend en aanscherpend licht
op werpen. Uiteindelijk is het gebruik van secundaire en tertiaire literatuur
slechts bedoeld om de bronnen zelf beter te verstaan en tot spreken te brengen.
Voor de vergelijking met Calvijn gebruikten
wij verschillende studies over zijn theologie, zonder de oorspronkelijke
teksten te verwaarlozen. Uiteraard is de bestudering van zijn theologie zeer
beperkt gebleven. De focus van dit onderzoek is immers niet gericht op Calvijns theologie.
7. De relevantie van dit
onderzoek
De relevantie van dit onderzoek is niet
alleen om de Edwards-kennis te vermeerderen, maar ook kan het wellicht een
bescheiden bijdrage leveren aan de vraag of het werk van de Heilige Geest in
een opwekking een zelfstandig thema binnen de systematische theologie in het
algemeen of de pneumatologie in het bijzonder dient te zijn. Volgens D.M.
Lloyd-Jones is dit een manco in de moderne studies over de Geest en Zijn werk.[68]
De bedoeling van dit onderzoek is niet om in deze kwestie een standpunt in te
nemen, maar ze beoogt wel de bezinning
hierover te stimuleren.
In de tweede plaats verbreedt en verdiept
dit onderzoek de kennis van het piëtisme in het algemeen en van opwekking in
het bijzonder. In tijden van opwekkingen is de vroomheid als het ware
uitvergroot, zodat deze des te beter kan worden bestudeerd. Ook in Nederland
kennen wij opwekkingsbewegingen. De inbreng van de Amerikaanse
opwekkingstheoloog kan bevruchtend werken op het onderzoek in ons land.
Vervolgens kan dit onderzoek wellicht een
klein steentje bijdragen om meer zicht te krijgen op de eigenheid van de
Amerikaanse cultuur. Jonathan Edwards is immers cultureel, kerkelijk en
theologisch grondleggend geweest. Nog steeds geldt hij als de grootste
Amerikaanse theoloog en filosoof. Het is in Amerika uniek dat er een wetenschappelijke
uitgave tot stand komt van een religieuze persoonlijkheid.
Ten vierde kan deze studie van betekenis
zijn in de ontmoeting tussen reformatorische en evangelische theologie. Voor
deze ontmoeting is een bezinning op de puriteinse theologie van groot belang.
Is er inderdaad sprake van dat een gemeenschappelijk verlangen naar opwekking
verschillen overstijgt?
Dit boek wil in de vijfde plaats dienstbaar
zijn aan de ontmoeting tussen kerk en verlichting, piëtisme en rationalisme.
Edwards heeft in zijn dagen op vergelijkbare fronten zijn opwekkingstheologie
doordacht. Misschien kunnen we van Edwards’ inzichten leren. Als we zijn
overtuigingen niet delen, is het toch van belang dat we ook daarvan rekenschap
geven. In ieder geval kan zijn mening een bijdrage zijn aan de ontmoeting
tussen geloof en cultuur.
Tot slot stellen we vast dat de kerk nog
altijd een geestelijk krachtenveld is van bewegingen en theologische
opvattingen die alle een antwoord willen zijn op de actuele nood van de kerk.
Na de vernieuwing van de Reformatie komt de Nadere Reformatie op. In de
achttiende en de negentiende eeuw zien we in het Westen opwekkingsbewegingen
waarin ook met een zeker succes de negatieve zijden van de kerk bestreden
worden. Tegenover het Reveil, de Afscheiding en de Doleantie geeft in ons land
Ph. J. Hoedemaker een confessioneel-juridische benadering van het probleem. In
onze eeuw meenden velen dat de theologie van K. Barth het antwoord voor de
kerk op de uitdaging van de moderne tijd was, hoewel anderen deze mening niet
deelden.[69] We
krijgen details aangereikt betreffende vernieuwing van de liturgie[70],
missionair pastoraat[71],
dialogische catechese[72]
en een minder ambtelijke structuur van de kerk.[73]
W. Aalders ziet in navolging van Groen van Prinsterer[74]
de oorzaak van het algemene verval in de kerk en in de samenleving vooral in de
doorwerking van de desastreuze gevolgen van de Franse Revolutie, met name het
ongeloof.[75]
Fundamenteel is de cultuurcrisis die iemand als F.O. van Gennep aan de orde
stelt.[76]
Heel actueel in de Nederlandse situatie is het Samen-op-Wegproces als een
middel van de kerk om haar geloofwaardigheid tegenover de wereld tot uitdrukking
te brengen. Sommigen achten een opwekking uitgesloten wegens het ontbreken van
het christelijk levensbeschouwelijk kader.[77]
Anderen zien er wel vurig naar uit en houden het voor mogelijk dat het
christelijk geloof opnieuw de samenleving zal beïnvloeden, in plaats van zich
aan haar aan te passen.[78]
In de zee van al deze stemmen is de stem van Edwards het waard om opnieuw te
worden overwogen. Theologie is voor hem geen doel op zichzelf, maar als een
praktisch theoloog richt hij zich op de bevordering van het geestelijk leven.
[1] Elke tien jaar verdubbelt
het aantal studies over Edwards, H.F. May, ‘Jonathan Edwards and America’, 20.
Er is sprake van een “growth industry”, S.J. Stein, ‘Introduction’ in: Jonathan
Edwards’ Writings, ix. Voor een indruk van deze studies vanaf 1729 tot
1981, zie M.X. Lesser, Jonathan Edwards: A Reference Guide. Vgl. D.F. Coffin, ‘Bibliography of writings
about Jonathan Edwards from 1979 to 1991.' Verder is er een lijst van
Edwards-studies van R.O. Roberts, Whitefield in Print, 263-282.
[2] H.F. May, ‘Jonathan Edwards and America’, 23-26.
[3] I.H. Murray, Jonathan Edwards, xv-xvii,
xix-xxvii; J.H. Gerstner, The Rational Biblical Theology I,20. N. Postman, Wij
amuseren ons kapot, 59, merkt op dat Edwards een van de meest briljante en
creatieve geesten is in de geschiedenis van de Nieuwe Wereld.
[4] Voor een overzicht van de
waardering van Edwards vóór 1949 zie D.L. Weber, ‘Perry Miller and the Recovery
of Jonathan Edwards.’
[5] A.C. McGiffert, Jonathan Edwards.
[6] P. Miller, Jonathan Edwards, 133-164.
[7] J. Locke, An Essay concerning Human
Understanding. Tegenover Descartes stelt Locke dat er geen aangeboren kennis is. Ervaring
is de enige bron van kennis. Ons verstand is dus een ‘tabula rasa.’ Volgens
J.A.B. Jongeneel, Het redelijk geloof in Jezus Christus, 15, markeert
Locke de overgang van openbaringsgeloof naar het redelijke geloof. Voor de
empirische psychologie van Locke, zie H.P. Simonson, Jonathan Edwards, 23-32,
95-100.
[8] P.J. Tracy, Jonathan Edwards, Pastor.
[9] B. Oberg en H.S. Stout (eds), Benjamin Franklin, Jonathan Edwards and the representation of American Culture.
[10] De invloed van Locke op
Edwards zou “exceedingly strong” zijn, The Language of Canaan, 250.
[11] L. Chai, Jonathan Edwards and the Limits of Enlightenment, 114.
[12] J.F. Wilson, ‘History, Redemption and the Millennium.’
[13] C. Cherry, The Theology of Jonathan Edwards, 1-6, 15.
[14] V. Tomas, ‘The Modernity of Jonathan Edwards’, 70-73, 82-83.
[15] Edwards verwerpt
inhoudelijk de verlichting, H.F. May, ‘Jonathan Edwards and America.’
[16] P. Dassow, ‘Jonathan Edwards: Enlightened Puritan Admixture of Old and New Ideas.’
[17] B.A. Fisher, ’The Young Edwards: Lockean Influence.’
[18] “We remember him, not as the greatest of American philosophers, but as the greatest American Calvinist”, geciteerd door B.B. Warfield, ‘Edwards and the New England Theology’, 516.
[19] I.H. Murray, Jonathan Edwards, 64.
[20] Zie J. Opie (ed.), Jonathan Edwards and the Enlightenment, 101-105, 152-163.
[21] H.P. Simonson, Jonathan Edwards, Theologian of the Heart, 12-15, 23-32.
[22] R.F. Lovelace, Cotton Mather, 283.
[23] P. Helm, ‘Preface’, 18-23.
[24] Uit Edwards’ catalogus
blijkt dat hij de verlichting grondig bestudeerde, S.J. Stein, ‘Introduction’,
xvii-xviii.
[25] Edwards’ ‘sense of the
heart’ is een bovennatuurlijk gebeuren. Voor Locke behoort dit bij het
natuurlijke leven, D.C. Brand, Profile of the Last Puritan, 43. Naast N.
Fiering menen ook P. Helm, D. Laurence en J. Hoopes dat Edwards er meer aan is gelegen om Locke te bestrijden
dan te volgen, N.J. Shaw, Speaking for the Spirit, 111 n16. Newton is
als wetenschapper wel gelovig, maar antitrinitarisch, H.A.M. Snelders, ‘Isaac
Newton. Natuurwetenschapper, alchemist en theoloog’, 10.
[26] Voor een uitvoerige
behandeling en verdere literatuur, zie C.S. Storms, Jonathan Edwards and
John Taylor on Human Nature, 189-205.
[27] Bij Edwards is Gods
werkelijkheid redelijk, maar door onze zwakte lijkt het voor de mens soms
irrationeel. Er zijn redenen in God die de rede niet kent, K.P. Minkema,
‘Preface to the Period’, 22-24.
[28] Omdat de theologie bij
hem prevaleert boven de filosofie, is hij beklaagd, H.P. Simonson, Jonathan
Edwards, 131; I.H. Murray, Jonathan Edwards, xx-xxiii.
[29] D.C. Brand, Profile of the Last Puritan, 47vv.
[30] C. Schröder, Glaubenswahrnehmung, 5, 53-60, 65, 122-141.
[31] P. Ramsey, Editor’s Introduction”, JE (Yale) 1,43.
[32] D.C. Brand, Profile of the Last Puritan, 34, 84; C. Cherry, The Theology of Jonathan Edwards, 86; J.H. Gerstner, The Rational Biblical Theology I,99-107.
[33] N. Fiering, “The Rationalistic Foundations
of Jonathan Edwards’s Metaphysics”. Hij wijst er bovendien op dat Edwards Locke leest na
zijn logische vorming en dat zijn meeste filosofische ideeën een theologische
wortel hebben, 76-77. Zie ook
zijn Jonathan Edwards’s Moral Thought and its British Context, 125-126. Ook J. Carse wijst er op
dat Edwards de metafysica van Locke verwerpt, Jonathan Edwards & the
Visibility of God, 31-44.
[34] D.C. Brand, Profile of the Last Puritan, 38vv; C. Schröder, Glaubenswahrnehmung, 55-56.
[35] Zie bijv. R.W. Jenson, America’s
Theologian, 42, 63. Er zijn meer vragen te stellen: is Edwards iemand die
het ‘felix culpa’ voor zijn rekening neemt, 45?
[36] Edwards is een “Professional philosopher-theologian-evangelist”, J.H. Gerstner, The Rational Biblical Theology I,2.
[37] In ‘Jonathan Edwards and Revival’, 417.
[38] P. Miller, Errand into the Wilderness, 156.
[39] C.C. Goen, ‘Editor’s Introduction’, 1.
[40] R.F. Lovelace, Edwards as a Theologian of Revival; E. Hulse, Give Him no rest, 30, A. Baars, ‘Jonathan Edwards. Theoloog van de opwekking.’ R.A. Davies, I Will Pour out My Spirit, 26, noemt Edwards “a classic theologian on the subject.” Vgl. ook J.I. Packer, ‘Puritanism as a Movement of Revival.’
[41] J.A. Conforti, Jonathan Edwards, Religious Tradition and American Culture, 47-48.
[42] M.J. Crawford, Seasons of Grace, 132.
[43] G.S. Claghorn, ‘Introduction’, 79.
[44] D.M. Lloyd-Jones, ‘Jonathan Edwards and the
Crucial Importance of Revival’, 362. Hij vergelijkt Edwards met de Mount Everest, 355.
Zie ook W. van Vlastuin, ‘Jonathan Edwards als opwekkingstheoloog.’
[45] G.F. Nuttall, The Holy Spirit in Puritan Faith and Experience.
[46] D.A. Stover, The Pneumatology of John Owen: A Study of the Role of the Holy Spirit in Relation to the Shape of a Theology.
[47] C.N. Weisiger, The Doctrine of the Holy Spirit in the Preaching of Richard Sibbes.
[48] C.S. Malefyt, The Changing Conception of New England Pneumatology, 1635-1755.
[49] J. Owen gebruikt het
woord “pneumatologia” voor zijn verhandeling over de Geest, maar J. Flavel
gebruikt het voor een psychologische verhandeling over de ziel van de mens.
Gezien de invloed van Owen en het gebruik van het woord, vullen we het op de
moderne wijze.
[50] P. Wilson-Kastner, Coherence in a fragmented world.
[51] B.M. Stephens, ‘Changing Conceptions of the Holy Spirit in American Protestant Theology from Jonathan Edwards to Charles Finney.’
[52] R.C. DeProspo, Nature and Spirit in the Writings of Jonathan Edwards.
[53] J.H. Gerstner, The Rational Biblical Theology of Jonathan Edwards.
[54] T.T. Taylor, The Spirit of the Awakening: the Pneumatology of New England’s Great Awakening in Historical Context.
[55] N.J. Shaw, Speaking for the Spirit: Cotton, Shepard, Edwards, Emerson.
[56] Hier valt te denken aan
geschriften van E. Evans, J.I. Packer, S. Prime, R.F. Lovelace, D.M.
Loyd-Jones, R.O. Roberts, W.B. Sprague, J. Tracy, A. Wallis.
[57] Over Jonathan Edwards
zijn verschillende biografieën geschreven. De belangrijkste zijn in chronologische volgorde: S.
Hopkins, The Life and Character of the Late Reverend Mr. Jonathan Edwards, herdrukt
als Jonathan Edwards, A Profile; S.E. Dwight, The Life of President
Edwards; A.V.G. Allen, Jonathan Edwards; H.B. Parkes, Jonathan
Edwards, The Fiery Puritan; A.C. McGiffert, Jonathan Edwards; O.E.
Winslow, Jonathan Edwards; A.O. Aldridge, Jonathan Edwards; E.H.
Davidson, Jonathan Edwards: The Narrative of a Puritan Mind; E.M.
Griffin, Jonathan Edwards; P.J.
Tracy, Jonathan Edwards, Pastor; Religion and Society in Eighteenth Century
Northampton; I.H. Murray, Jonathan Edwards, a new biography. Een samenvatting hiervan
gaf I.R.K. Paisley, Jonathan Edwards. Theologian of Revival. P.J. Thuesen geeft een overzicht van de
Edwards-interpretaties volgens de verschillende biografieën, ‘Jonathan Edwards
as great mirror.’
[58] In het Nederlands
verscheen ooit Het leeven van den Weleerwaarden en zeer Geleerden Heer
Jonathan Edwards, vertaling door E. Nooteboom, vgl. J. van der Haar, From
Abbadie To Young, no. 93. Biografische noties zijn ook te vinden bij J.J.
van Poolsum, ‘Bericht van den Uitgeever.’
[59] Hoewel het woord
“revival” een Engels woord is, gebruiken we het in dit onderzoek toch als een
technische uitdrukking naast het woord "opwekking". Hoewel het woord
“reveil” is verbonden aan een bijzondere Europese beweging, gebruiken we het
een enkele maal als terminus technicus. De Nederlandse synoniemen als herleven,
ontwaken en opleven dekken het oorspronkelijke woord niet geheel, maar zijn wel
bruikbaar.
[60] Edwards’ spiritualiteit vertoont meer overeenkomst met Augustinus dan met Calvijn, P.J. Nagy, The doctrine of experience in the philosophy of Jonathan Edwards, 23, 26, 116. De augustiniaanse kleur van het puritanisme (in Nieuw-Engeland) wordt nader uitgewerkt door P. Miller, The New England Mind. The Seventeenth Century, 3-34.
[61] Het boek waarin de
verwantschap het sterkst zou kunnen zijn, Religious Affections, kent
geen enkele verwijzing naar Augustinus.
[62] Een blik in de (beperkte)
boekenlijst van Edwards’ bibliotheek leert snel dat er geen werk van Augustinus
wordt aangetroffen, D.F. Coffin, ‘A Select Bibliography of Jonathan Edwards’
reading’, 619.
[63] B.B. Warfield, Calvijn
als theoloog, 14. J. van Genderen, ‘Het werk van de Heilige Geest
volgens Calvijn’, 77, wijst erop dat dit niet kan betekenen dat dit zijn
centrale dogma is.
[64] J.F. Thornbury, ‘An Introduction to Joseph Bellamy’, iv.
[65] JE (Yale) 4,243. Voor Edwards’ houding ten opzichte van Calvijn, zie JE (Yale) 1,131; 2,64-65, 278n, 314n, 322n. Voor een theologische analyse van de verhoudingen, zie P. Ramsey, JE (Yale) 8, 745-750. Ramsey concludeert: “No one can read (Calvin’s views) (...) without noting the deep family resembles between them and Edwards’ views.”
[66] “I should not take it at all amiss, to be called a Calvinist, for distinction’s sake”, JE (Yale) 1,131.
[67] K. Runia, ‘De
spiritualiteit van de evangelischen’, 284.
[68] "Another interesting point to observe
is that if you want any help at all on the subject of revival you are more or
less driven back to books on the Holy Spirit and His work that were written
before 1860", D.M. Lloyd-Jones, The Puritans, Their Origins and
Successors, 8. Zie ook van hem, Revival, 54. Hetzelfde geluid treffen we ook aan
bij A. Murray, De Geest van Christus, 16-17 en H.O. Roscam Abbing, Nederland, schik u om God te ontmoeten, 101.
[69] W. Aalders, ‘Voorwoord.’
Ook H. Berkhof ziet de gevaren van goedkope genade, ‘Crisis der middenorthodoxie.’
[70] H. Jonker, Liturgische
oriëntatie, 104-110.
[71] G. Heitink, Pastoraat
als hulpverlening, 331, 335.
[72] L. van Driel en I.A.
Kole, Bij-tijds leren geloven, verkenning van het educatief klimaat in een
drietal kerkelijke gemeenten.
[73] T.L. Osborn, Zielen
winnen, daar waar zondaars zijn.
[74] G. Groen van
Prinsterer, Ongeloof en Revolutie.
[75] W. Aalders, Revolutie
en Reveil 1789-1989. Hij pleit voor een reveil, maar niet in de trant van
de Amerikaanse opwekkingen. Hij denkt meer aan een reformatie met de statuur
van de Hervorming, ‘Reformatie, revolutie, reveil’, 51-53.
[76] F.O. van Gennep, De
terugkeer van de verloren vader.
[77] Vgl. J. van der Graaf,
‘Nederland verloren als er geen opwekking komt.’ We staan niet in een onchristelijke
situatie, maar in een antichristelijke, W.J. Ouweneel, Godsverlichting, 162.
Ook P. Beyerhaus, ‘Cultuur van het Avondland bevindt zich in vergaande staat
van ontbinding’ verwacht geen reformatie of opwekking.
[78] Vooral op de jaarlijkse
predikantenconferentie in Leicester staat het thema opwekking centraal. Vgl.
ook W. van Vlastuin, Opwekking. Zie ook J. van der Graaf (red.), Verlegen
om geestelijke opleving en Gebeurt er nog iets?