JONATHAN EDWARDS ALS OPWEKKINGSTHEOLOOG
1. BIOGRAFISCH DEEL
De achtergrond van de kerk in Nieuw-Engeland
We kunnen de opwekkingstheologie van Edwards niet verstaan zonder zijn achtergrond daarbij te betrekken. We kijken daartoe eerst in het moederland Engeland. In Engeland is er nooit sprake geweest van een geheel reformatorische landelijke kerk zoals in ons land. Vanaf het begin van de Reformatie waren er spanningen. Puriteinen waren niet tevreden met de reformatorische leer alleen, maar wilden ook in de eredienst onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Gods Woord.
Aan het begin van de zeventiende eeuw komen groepen puriteinen naar Nederland. Zij behoren tot de zogenaamde "separatisten". Dit zijn de meest radicale puriteinen die bovendien van geen band tussen kerk en staat willen weten. Later zijn er uit deze stroming ook baptisten voortgekomen. Men verblijft in ons land in Amsterdam en Leiden. Toch voelt men zich hier niet thuis. Het christelijke leven is te oppervlakkig.
In het najaar van 1620 vertrekt een eerste groep met de Mayflower naar Nieuw-Engeland. Het is de bedoeling om naar de reeds bestaande kolonie Virginia te reizen, maar men komt noordelijker uit, namelijk bij Cape Cod. Als men het schip verlaat, maakt men een plechtig verbond met God dat het nieuwe land voor Hem zal zijn. Men heeft de oprechte bedoeling hier een theocratie te vestigen. Het nieuwe land moet een "City upon a Hill" zijn.
In latere jaren neemt de toestroom van immigranten enorm toe. Vooral na 1630 zijn er zelfs duizenden die hier hun heil zoeken. De druk van Karel I en van bisschop Laud zijn daar mede debet aan. Toch is er in deze latere stromen wel verschil met de eerste pioniers. Nu zijn er veel meer die zich laten leiden door geld en goed.
Om het theocratisch ideaal te verwerkelijken gaat men er vrij spoedig toe over om van hen die geloofsbelijdenis wensen af te leggen een bekeringsverslag te vragen. Het is ook zo dat alleen belijdende leden van de gemeente in het maatschappelijke leven volle rechten hebben. Heel de samenleving is eigenlijk kerkelijk.
Dit hoge geestelijke ideaal blijkt niet reëel te zijn. In een tweede en derde generatie moet het verval wel komen. Dat blijft dan ook in Nieuw-Engeland niet uit. Formalisme sijpelt de kerk binnen. Daarmee breken ook zonden door. Men probeert de zuiverheid van kerk en samenleving op peil te houden, maar er zijn veel mensen van de tweede generatie die geen verslag kunnen geven van hun bekering. Hoe moet het met hen en met hun kinderen? Mogen hun kinderen dan wel worden gedoopt?
Om deze reden zien we in de preken van de tweede helft van de zeventiende eeuw veel aansporingen tot reformatie. De vastendagen staan in het teken van de oordelen van God. We kunnen hierbij onze vragen hebben. Was het verval zo erg als men beweerde? Is er ook geen sprake van idealisering van het verleden? Is de sombere teneur ook niet te danken aan de spanningen van de oorlogen met de Indianen? De rampen van ziekten? De dreiging dat Engeland de rechten voor de kolonisten niet wil verlengen?
Toch zijn er enkele concrete ontwikkelingen aan te geven:
1. Eén van de concrete ontwikkelingen was het Half-way covenant. De oorspronkelijke kolonisten lieten alleen wedergeboren ouders toe om hun kind te laten dopen. Aangezien de groei van Gods koninkrijk achterbleef bij de groei van de bevolking, ontstonden er problemen. Een belangrijke vraag was: hoe nu te handelen met kinderen?
Reeds in 1662 veranderde de synode haar opvatting. Ouders met een moreel leven konden "own the covenant" en zo hun kinderen laten dopen. Het was niet langer nodig om een bekeringsverslag te geven. Zij hadden echter niet de volle rechten van een gemeentelid. Zij hadden geen stemrecht en konden niet ten avondmaal komen. Vandaar de uitdrukking "half-way". De kerkopvatting is hiermee grondig gewijzigd. De kerk is niet langer een vergadering van gelovigen, maar ook een moeder der gelovigen.
Op zichzelf kunnen we hiervan niet zeggen dat het een geestelijk verval aangeeft. Men wil juist de heiligheid van de volle leden handhaven. De praktijk is echter weerbarstiger. Als men met een moreel leven half-weg is, is men toch op de goede weg. Het morele leven komt zo in de plaats van de persoonlijke relatie met God door wedergeboorte.
2. Formeel aanvaardde men de geloofsbelijdenis van Westminster. In de praktijk zijn er echter steeds meer voorgangers die niet van harte achter de calvinistische beginselen staan. Een zekere gematigdheid ("moderatism") komt op. Vooral in de jaren dertig en veertig van de achttiende eeuw worden deze problemen steeds groter. Predikanten moeten geschorst worden omdat zij openlijk arminiaanse beginselen voorstaan.
3. De spanning van het Half-way covenant is niet te handhaven. Aan de ene kant een hoge geestelijke norm voor het avondmaal en een lage norm voor de doop. Stoddard kiest voor een consequentie en stelt het avondmaal ook open voor moreel levende mensen. De sacramenten zijn in zijn ogen niet alleen een zegel, maar ook instrument voor het geloof. De beloften van Gods verbond worden aan iedereen verzegeld. Hij verwijst naar het pascha in het Oude Testament; dat was ook voor elke Israëliet en niet alleen voor de bekeerden onder hen. Zo moet het ook zijn met het sacrament dat de vervulling daarvan is in de nieuwe bedeling. Het is bijzonder treffend dat de kerken van Nieuw-Engeland hiermee in praktijk brengen, wat zij in de kerk van Engeland onder kritiek stelden.
4. Al met al dienen we in de ontwikkelingen van Nieuw-Engeland de invloed van de verlichting aan te wijzen. De mens kwam meer in het middelpunt en werd de maat van alle dingen. De afhankelijkheid van God kreeg minder klemtoon. Het bederf van het menselijk hart werd niet langer benadrukt. Het wonder van de wedergeboorte vlakte af. De ijver verminderde.
Treffend is de toonzetting van de prediking. Preekten de "getrouwen" aanvankelijk de noodzaak van reformatie en de oordelen van God, aan het einde van de zeventiende eeuw komt er een wending. Men spreekt meer en meer over het werk van de Heilige Geest. Reformatie zou een vrucht van revival dienen te zijn. Zo kwam er gebed om de milde regen van de Geest.
Zijn geestelijk leven
In deze situatie komt Jonathan Edwards op 5 oktober 1703 ter wereld in de pastorie van East Windsor. Zijn vader is hier predikant, terwijl zijn moeder een dochter is van de belangrijke Stoddard die in Northampton al tientallen jaren een stempel op de gemeente drukt. Als een van de weinige vrouwen in haar tijd, heeft moeder Esther gestudeerd. Jonathan is de enige zoon in een gezin met tien dochters. Ze wonen in een natuurlijke omgeving met uitgestrekte landerijen, eindeloze bossen en niet te vergeten de Connecticut-rivier. Het leven is vrij geïsoleerd in deze samenleving.
Zijn opvoeding kenmerkt zich door bewustheid van het heilige en besef van de dood. Zijn vader wordt opgeroepen om als legerpredikant te dienen tijdens de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, ook wel "Queen Anne's War" genoemd. Een halfzuster van zijn moeder wordt met twee van haar kinderen door Indianen omgebracht. Onuitwisbaar zijn de tijden van opwekking in de gemeente van zijn vader Timothy. Zijn moeder Esther komt in deze tijd tot de volle ruimte in Christus en krijgt samen met twee van zijn zussen toegang tot het avondmaal. Samen met zijn vrienden bouwt hij een hut in het moeras, waarin zij samen tot God bidden. Toch is hij niet van mening dat hij in deze tijd reeds genade bezit. Hij vreest dat velen zich met dergelijke indrukken vergissen.
Als Jonathan 13 jaar oud is, vertrekt hij naar het latere Yale College in New Haven. De grondbeginselen van Latijn, Grieks en Hebreeuws heeft hij zich reeds eigen gemaakt in de pastorie. Hij moet zich verder ontwikkelen in de beginselen van algebra, aardrijkskunde, natuurkunde, astronomie en logica. Hij komt hier in aanraking met de geschriften van de verlichtingsfilosoof John Locke. Hij legt veel aantekeningboeken aan. Hij filosofeert daarin over onderwerpen als "ruimte", "gedachten", en "bestaan", maar ook over de regenboog, elasticiteit, lichtbreking, bloedcirculatie, enz. Levenslang blijft hij zich oefenen in wiskunde. Hij is helemaal op de hoogte van de natuurkundige ontwikkelingen van zijn dagen. Hij is bepaald geen traditioneel iemand. Hij staat open voor nieuwe inzichten. Ten diepste probeert hij de moderne opkomende wetenschap in dienst te stellen van Gods Woord, om zo tot een diepere kennis van God te komen.
Van zijn persoonlijkheid krijgen we in het algemeen de indruk dat hij wat stil en solistisch is. Zo hebben we bijvoorbeeld niet de indruk dat hij gedurende zijn studietijd vrienden heeft gekregen.
De dingen van Gods koninkrijk hebben Edwards altijd beziggehouden. Na de opwekkingen in de gemeente van zijn vader is de ernst weer ingezonken. De dood van zijn grootvader Richard in 1718 maakt diepe indruk. Uit een brief die hij een jaar later als jongen van zo'n veertien jaar schrijft, blijkt het diepe besef van de kortstondigheid van het leven. In het laatste jaar van zijn studie bepaalt een ernstige ziekte hem bij zijn staat voor God. Hij schrijft ervan hoezeer hij heen en weer werd geschud en goede voornemens had. Het zoeken van de zaligheid was het voornaamste van zijn leven. Toch bleef een echte doorbraak nog uit. Het is in de vroege zomer van 1721 dat de geestelijke vreugde zijn deel wordt. Hij schrijft daar het volgende persoonlijke verslag van:
"De eerste keer die ik mij herinner van de innerlijke zoete vreugde in God en de goddelijke dingen, waar ik sindsdien zoveel in heb geleefd, was tijdens het lezen van 1 Tim. 1:17: "De Koning nu der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen". Toen ik deze woorden las, kwam er in mijn ziel, die er als het ware geheel mee werd doortrokken, een geestelijke beleving ("sense") van de heerlijkheid van Gods Wezen; een nieuwe beleving, geheel verschillend van enig ding dat ik ooit tevoren heb ervaren. Nooit schenen woorden uit de Schrift mij toe als deze woorden. Ik dacht bij mijzelf hoe uitnemend Gods Wezen is en hoe onuitsprekelijk gelukkig het is als ik God mag genieten en bij Hem wordt opgenomen in de hemel, en als het ware voor eeuwig in Hem verslonden ben! Ik bleef tot mijzelf over deze woorden van de Schrift spreken, en als het ware zingen. Ik bad God dat ik Hem zou genieten. Ik bad op een wijze die geheel verschillend was van hetgeen voor mij gebruikelijk was. Er was een nieuw gevoel ("affection"). Maar het kwam nooit in mijn gedachte op dat hier iets geestelijks in was, of van een zaligmakende aard".
Wezenlijk voor de jonge Jonathan is de aanvaarding van Gods soevereiniteit. Dit is de bron van zijn geestelijk leven. Omdat het een hoeksteen is in zijn theologie, laten we hem opnieuw zelf aan het woord:
"Van mijn kinderjaren af is mijn geest vol geweest van tegenwerpingen tegen de leer van Gods soevereiniteit, dat Hij kan kiezen wie Hij wil tot het eeuwige leven en verwerpen wie Hij wil, om hen voor eeuwig te laten omkomen en eindeloos gepijnigd te worden in de hel. Het was voor mij een verschrikkelijke leer. Maar ik herinner mij heel goed dat ik werd overtuigd van en bevredigd met de soevereiniteit van God en Zijn rechtvaardigheid om zondaren naar Zijn eeuwig welbehagen te behandelen. (...) Sinds deze eerste overtuiging heb ik vaak een ander besef gehad van Gods soevereiniteit dan ik voorheen had. Ik heb er niet alleen een overtuiging van gehad, maar ook een heerlijke overtuiging. De leer is mij voorgekomen als buitengewoon aangenaam, helder en zoet. Ik wens absolute soevereiniteit aan God toe te schrijven. Maar mijn eerste overtuiging was niet zo".
Er zijn over zijn geestelijk leven dingen meer te zeggen. Opmerkelijk is ook hoe hij Gods heerlijkheid in de natuur ziet weerspiegeld. Zijn betrokkenheid op de uitbreiding van Gods koninkrijk is intens. De kern van zijn meditaties over de eeuwige dingen is een persoon, namelijk Christus Jezus. Zowel Zijn Persoon als ook Zijn werk zijn centraal voor Edwards. Het boek Hooglied spreekt op een bijzondere wijze tot zijn ziel. Zijn geestelijk leven kenmerkt zich door het wonderlijke geheimenis van de ontmoeting tussen de schuldige zondaar en de levende God. Dit is niet vaag, maar een concrete ervaring:
"Sinds ik naar Northampton ben gekomen ben, heb ik vaak een heerlijk vermaak gehad in God, in een besef van Zijn heerlijke deugden en de uitnemendheid van Jezus Christus. (...) De weg van de zaligheid door Christus is mij heerlijk, uitnemend en schoon voorgekomen. (...) God is voor mij heerlijk, om Zijn Drie-eenheid. Het heeft mij vaak verheven gedachten van God gegeven dat Hij bestaat in drie personen; Vader, Zoon en Heilige Geest. De heerlijkste vreugde die ik ervaren heb kwam niet van de hoop op mijn goede staat, maar in het zien van de heerlijke inhoud van het evangelie. (...) Sinds ik in deze stad leef, heb ik vaak een aandoenlijk besef gehad van mijn zondigheid en vuilheid. Regelmatig in zo'n mate dat ik luid moest wenen. Soms zo'n aanzienlijke tijd dat ik mezelf af moest zonderen. Ik heb een veel groter besef van mijn eigen boosheid en het bederf van mijn hart gekregen, dan ik ooit voor mijn bekering had. (...) Ik weet niet beter uit te drukken wat mij zonden mij toeschijnen dan door een opeenstapeling van oneindigheid op oneindigheid en een vermenigvuldiging van oneindigheid met oneindigheid. (...) Ik weet zeker dat ik slechts een heel klein besef van mijn zondigheid heb".
Zijn boodschap
Aan het einde van 1726 krijgt Edwards een beroep naar de gemeente van Northampton. Hij moet zijn hoogbejaarde grootvader Stoddard bijstaan in prediking en pastoraat. Als de "pope van Massachusetts" twee jaar later sterft, rust de volle verantwoordelijkheid op de schouders van de jonge pastor. Vooral gezien het gezag dat zijn voorganger heeft en de tientallen jaren dat hij in deze plaats heeft gediend, is het geen geringe opgave om in zijn voetsporen te gaan.
De plaats telt ongeveer tweehonderd gezinnen. Midden in staat op een heuvel de ruwhouten kerk waar men op zondag samenkomt in de twee-urige eredienst. Om de stad liggen versterkingen tegen de bedreiging van de Indianen en de wilde dieren. Daarbuiten bevinden zich schapenweiden en eindeloze bossen. Aangezien de stad aan een rivier ligt, kan ze in haar eigen onderhoud voorzien.
Vijf maanden na zijn aankomst treedt hij in het huwelijk met de 17-jarige predikantsdochter Sara Pierrepont. Zij komt uit het geslacht van Thomas Hooker. Zwaarder dan haar schone uiterlijk weegt Jonathan Edwards haar godsvrucht. Dit zal de diepe band zijn die hen in de eerste plaats aan de Heere en zo aan elkaar verbindt.
Edwards is niet iemand die veel bezoekwerk doet. Hij is liever in zijn studeerkamer te vinden. Wel staat hij voor iedereen klaar. Hij voert het woord op bijbelkringen aan huis. Hij is ijverig in catechese. Vaak roept hij jongeren uit de gemeente bij zich om met hen te bidden en persoonlijk onderwijs aan hen te geven. Lichamelijke ontspanning krijgt hij door wandelingen, paardrijden of hout hakken.
Veel kanselgaven heeft Edwards niet. Toch spreekt hij zijn preken uit met zo'n geladenheid en ernst, dat ze niet nalaten veel indruk in de gemeente achter te laten. Zijn kracht is dat hij geen algemeenheden verkondigt. Zijn woorden zijn niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Uit het hart spreekt hij tot het hart. Hij laat de toepassing onder verwijzing naar de Heilige Geest niet over aan de hoorders, maar juist dit aspect van zijn boodschap is het krachtigste. Hij zegt niet alleen dat zondaren ontdekt moeten worden, maar is werkelijk ontdekkend. Hij spreekt niet algemeen over troost, maar giet de balsem in de gewonde zielen.
In zijn preken verklaart hij kort de tekst, vervolgens zoekt hij de centrale boodschap van de tekst, hij ontwikkelt zijn thema en komt dan tot geweldig krachtige toepassingen naar zijn hoorders. Als we de preken nu nog lezen voelen we in de toepassing de climax en spanning. Elke toepassing is fris. Hij raakt het hart en het geweten.
Zijn preken kenmerken zich hierdoor dat zij geen product van de geest van zijn tijd zijn, maar deze ontmaskeren. Hij verkondigt de waarheid voor alle tijden niet tijdloos. Hij weet wie er naar hem luisteren en welke accenten hij moet leggen.
We kunnen heel kort zeggen dat Edwards in de tijd van de opkomende menselijke autonomie God present stelt. God is niet een optelsom van dogma's en opvattingen, maar Hij is de levende, de heilige, de soevereine, de rechtvaardige en de genadige God. In zijn dagboeken zien we een nauwkeurige zielkundige beschrijving van de hoogten en diepten van geestelijk leven, in zijn preken is hij niet zozeer beschrijvend, maar confronterend met Gods majesteit. Niemand kan deze preken vrijblijvend aanhoren. Het vraagt niets anders dan buigen voor God en zich voor de eeuwigheid aan Hem gewonnen geven.
In een aantal treffende thema's maakt de opwekkingsprediker dit concreet. Hij spreekt indringend over hel en hemel. De laatste ernst en consequentie van ons leven stelt hij eerlijk aan de orde. Zo laat hij het licht van de eeuwigheid over de tijd schijnen. Indrukwekkend is zijn preek "Zondaren in de hand van een toornig God". God is op geen enkele wijze iets verplicht aan zondaren. Ook moreel levende mensen, zoekende en ernstige mensen hebben het niet aan zichzelf, maar aan Gods algemene genade alleen te danken dat zij nog niet in de hel zijn. Wie vertrouwt op zijn ernst en ijver is even dwaas als de spin die meent met zijn web een vallende rots op te kunnen vangen. Zo kan hij zeggen dat de onwedergeboren mens bij wijze van spreken aan een rotte draad boven de hel hangt. Hij is er niet op uit om zijn hoorders mismoedig te maken, maar hij waarschuwt ernstig tegen goedkope genade. Veel gemeenteleden komen naar de kerk om troost te ontvangen, terwijl zij wakker geschud moeten worden. De grootste hinderpaal voor de zaligheid is namelijk niet onze zonde, maar de valse hoop. Zo ook als hij spreekt over de hemel; dan moet je wel verlangen naar de plaats waar God alles is. Hartelijk en gunnend stelt hij de gelovigen hun heerlijke toekomst in het verschiet.
Als Edwards spreekt over Gods soevereiniteit valt daarover niet te discusseren. Nog minder te redeneren. Het verootmoedigt de hoogmoedige mens en brengt alle hulde aan God toe. Hij preekt de soevereiniteit niet als een systeem, maar als de werkelijkheid van de levende God. De soevereine God is ook de God Die Zijn Zoon aan deze wereld heeft gegeven.
Hij kan zoveel nadruk leggen op de soevereiniteit van God omdat hij zoveel nadruk legt op de verantwoordelijkheid van de mens. Hij kan zeggen: "God does all and we do all". Hoewel er geen aanknopingspunten in de zondaar zijn, heeft de zondaar met al zijn mogelijkheden de zaligheid te zoeken. We moeten met zonden breken, verhinderingen overwinnen en net als Noach ons grote offers getroosten voor ons behoud. Te veel zondaren beginnen met zoeken, maar eindigen als de vrouw van Lot. Zij komen nooit in het Zoar der behoudenis aan. Bij veel kerkgangers komt het nooit tot een besliste overgave, keuze en doorbraak.
Een derde kenmerkende trek in de prediking van Edwards is de prediking van de zonde. Hij verkondigt met grote krachtig de zondigheid van de zonde. Het totale bederf van het menselijk hart stelt hij onomwonden aan de orde. Wij zijn vijanden van God. Hij preekt de zonde niet moralistisch. Hij heeft het dus niet over de gespen van zijn tijd, of de kleding, maar wel over diefstal, huichelarij, zondagsontheiliging, biddeloosheid, misbruik van het avondmaal, het onteren van ouders, onreine gedachten. In dit alles legt hij vooral de wortel van de zonde bloot. Hij boort zo diep in het menselijk hart, omdat hij ook diep wenst te boren in het Goddelijk hart. De liefde van God is weergaloos. Iedere zondaar wordt uitgenodigd om onmiddellijk tot Christus te vluchten. De deur der genade is niet alleen voor gekwalificeerde zondaren open, maar voor alle zondaren.
Het zijn zijn preken geweest over de rechtvaardiging door het geloof alleen die zo ontzettend veel losgemaakt hebben in zijn gemeente. Bezien we deze preken tegen de achtergrond van zijn situatie, dan moeten ze onthutsend geklonken hebben. Het is één groot bombardement op alle brave burgerlijkheid en moralisme. Onze goede voornemens en ernst vormen geen grond voor de zaligheid. Er is al geruime tijd nieuwe ernst in Northampton, maar een preek over Rom. 3:19 "De rechtvaardigheid van God in de veroordeling van zondaren" is voor velen de genadeslag. Ze gaan door de knieën, om uit genade alleen te leven.
In balans met de rechtvaardiging door het geloof alleen benadrukt hij sterk de heiliging. Het is niet genoeg om door de enge poort van wedergeboorte te gaan, maar dit is "slechts" het begin van een leven van zelfverloochening. We bereiken de volmaaktheid hier niet, maar we verlangen er wel naar. Edwards is het meest bekend om zijn preken over de hel, maar zijn meeste preken gaan over de aard en de noodzaak van het nieuwe leven. Hij is diep overtuigd van de mogelijkheid en werkelijkheid van geestelijke groei.
Een laatste kenmerk van de preken van Edwards is zijn onderscheidenlijk element. Hij onderscheidt de christen van de naamchristen. Er is tussen hen geen gradueel, maar een wezenlijk verschil. Er is geen grijs tussengebied; we zijn in Adam of we zijn in Christus. Tegen de gedachte dat allen in de kerk gelovigen zijn, maakt hij scherpere onderscheidingen. Het wordt helemaal dringend als niet alle ervaring zaligmakend is. Steeds nauwkeuriger worden zijn omschrijvingen van het kenmerkende werk van de Heilige Geest. Religie is geen moralisme, formalisme of intellectualisme, maar een brandend hart. Wie preken leest als "Ware genade onderscheiden van de ervaring van de duivelen" of "zondaren in Sion hartelijk gewaarschuwd" voelt hoever de arglistigheid van het menselijk hart strekt. Zo legt hij de vraag aan het hart; bent u werkelijk wedergeboren? Velen die in onze kerken bekend zouden staan als grote gelovigen en als steunpilaren van het geestelijke leven, worden door Edwards hooguit bij de onwedergeboren zoekers ingedeeld (John Gerstner).
Een droevig einde
In 1744 is er in de gemeente een tuchtkwestie. Enkele jongens bezitten een boek met instructies voor vroedvrouwen. Als Edwards hiervan hoort, leest hij de namen van deze jongeren zondermeer publiek voor. Rechtlijnig als hij is, behandelt hij deze zaak niet voorzichtig. Officieel is met de schuldbelijdenis van drie jongens de zaak beklonken, officieus gebeurt er meer dan de notulenboeken vermelden. Het gezag van de voorganger wankelt. Mede hierdoor roept een tractementsverhoging weerstand op.
Naast de spanning met de gemeente, zijn er de zorgen over de aanvallen van de Indianen en de Fransen. Er is niemand die in het midden van de jaren veertig geloofsbelijdenis aflegt. Onderwijl werkt de begaafde pastor onverdroten aan zijn geschriften.
Er komt nog een punt van wrijving in de gemeente. Edwards komt er openlijk voor uit dat het standpunt van Stoddard in het licht van de Schrift niet houdbaar is. Het avondmaal werkt het geloof niet, maar versterkt het. Hij kiest daarop voor de andere consequentie. Niet alleen het avondmaal, maar ook de kinderdoop is alleen voor degenen die belijdenis van godsvrucht doen. Hij vraagt geen bekeringsverslag, maar men moet wel verklaren het werk van Gods Geest in het hart te kennen. Tegenover critici houdt hij staande dat het werk van Gods Geest zich niet onbewust voltrekt. Hoewel het ideaal van de eerste kolonisten slechts één generatie houdbaar bleek, is Edwards zo doordrongen van de kracht van Gods genade dat hij het hierop waagt.
Voor Edwards zijn hier jaren van studie aan voorafgegaan voordat hij tot dit standpunt is gekomen. Hij gunt zijn gemeente echter niet de tijd om dit te verwerken. Dat is de reden dat er in zijn gemeente grote spanningen ontstaan. Men voelt wel aan dat dit verreikende gevolgen zal hebben voor de bestaande avondmaalgangers en voor het dopen van de kinderen. Uiteindelijk resulteert zijn standpunt hierin dat hij van zijn gemeente wordt losgemaakt. Ootmoedig draagt hij dit lijden. Zijn diepste overtuigingen waren in het geding.
De laatste jaren van zijn leven werkt hij in een Indianen gemeente. Hier publiceert hij zijn meest beroemde werken, nl. "Original Sin" en "Freedom of the Will". Zijn roem als verdediger van het calvinisme verspreidt zich snel. Men vraagt hem als president van het Princeton College. Hij is nog maar net in deze plaats aangekomen of de pokken breken uit. Open als hij staat voor moderne ontwikkelingen laat hij zich inenten. Dit kost hem echter het leven. Hij sterft op 22 maart 1758, terwijl zijn laatste woorden zijn: "Trust in God, and you need not fear". Hij stierf niet in het hoogtepunt van de opwekkingen. Dan zouden de kranten er vol van hebben gestaan. Nu is een enkele regel voldoende om de dood van deze strijder kenbaar te maken. Zijn grootheid ligt niet in zijn roem, maar in de diepte van zijn geloof.
EINDE
2. THEOLOGISCH DEEL
Opwekking
In de eerste jaren van Edwards' bediening in Northampton zijn er weinig vruchten van geloof en bekering te bespeuren. In de jaren 1734-'35 maakt Edwards een geweldige doorbraak van het werk van de Geest mee. Hij spreekt in dit verband voortdurend over een "outpouring of the Spirit". Soms lijkt het erop dat hij daarmee ontkent dat Pinksteren een uniek en onherhaalbaar gebeuren in de heilsgeschiedenis is geweest. Waar het hem echter om gaat is te benadrukken dat mensen een opwekking niet organiseren. Niet de ondersteuning van de staat maakt de kerk krachtig. De kerk kan alleen de wereld bewegen door de Heilige Geest. Het gebed moet daar dan ook op gericht zijn.
Edwards schrijft ervan dat de stad vol is van de tegenwoordigheid van God. Harten worden verbroken, zondaren worden onrustig, men komt tot Christus, gelovigen ontvangen diepe zekerheid over de vergeving van hun zonden. Naamchristenen gaan zien wat de kracht van Gods Geest is en moeten belijden dat zij dat missen. Alle zekerheden verdwijnen en zij komen ook tot bekering. Mensen buiten de kerk gaan beseffen dat dit een religie is die niet alleen bestaat in vormen en tradities en komen onder de indruk van Gods tegenwoordigheid. Het begint binnen de kerk, maar het heeft een uitstraling naar buiten. Er is geen huis waarin de genade van God niet openbaar komt. Het café gaat dicht en men komt samen in het huis van God of in andere huizen om Zijn Woord te onderzoeken, te bidden om de uitbreiding van Gods koninkrijk en Zijn lof te bezingen. In het stadje van 1200 inwoners komen er 300 in een half jaar tot bekering. Het grootste deel van de volwassenen komt tot het volwaardige lidmaatschap en zo tot het avondmaal des Heeren.
In zijn "Faithful Narrative" (Ned. uitgave; "Die God leeft nog") beschrijft Edwards het werk van de Heilige Geest in de gemeente. Hij noemt het een buitengewoon werk van de Heilige Geest. Het is van hetzelfde karakter als in andere tijden, maar intensiever. Zondaren worden eerst overtuigd van hun onbekeerd-zijn. Ze proberen hun leven te verbeteren. Zij moeten ervaren dat dit op niets uitloopt. Ze leren de vrijmacht van Gods genade te zien. Zo komen ze tot een onvoorwaardelijke overgave aan de Heere. In de weg van schuldbelijdenis krijgen ze oog voor Christus en Zijn gewilligheid. In Hem vinden zij rust en vrede. Het vervult tevens met diepe bewogenheid ten aanzien van allen die zonder God zijn.
De fijnzinnige pastor van Northampton getroost zich veel moeite om duidelijk te maken dat er eenheid en verscheidenheid valt te bespeuren in het werk van de Heilige Geest. Er zijn tientallen variaties mogelijk op het losgesneden worden van de oude stam van Adam en ingeënt worden in Christus. Het zal duidelijk zijn dat christenen elkaar geen norm moeten zijn, maar zich moeten toetsen aan de constanten van grondige zondekennis, onvoorwaardelijke overgave aan Gods genade in Christus en de krachtige vernieuwing van het leven.
Wat maakt een opwekking tot een opwekking? Wanneer is daar sprake van? Waarom is een opwekking een buitengewoon werk van de Heilige Geest? In zijn opwekkingsanalyse geeft Edwards aan aantal redenen waarom opwekking buitengewoon is. We zouden het tegelijk kunnen zien als een model voor een opwekking.
- Opwekking is een buitengewoon werk van de Heilige Geest om het grote aantal personen dat tot bekering komt. Bij het grote aantal moeten we echt denken aan meerdere tientallen. In de gemeente. Zonder massaliteit is er geen sprake van opwekking.
- Opwekking is een buitengewoon werk van de Heilige Geest vanwege de algemeenheid; zowel jongeren als ouderen, rijken en armen komen tot de kennis van de Heere. Hier zien we een katholiek aspect in de opwekkingen. Er is voor die tijd de unieke openheid voor negers en Indianen. David Brainerd werkte onder de Indianen. Roden, zwarten en blanken zaten samen aan de avondmaalstafel.
- De opwekking is een buitengewoon werk van de Heilige Geest om de kracht en de snelheid. Als op de pinksterdag komen mensen in korte tijd tot heldere kennis van de Heere Jezus. Kunnen in andere perioden bekeringen jaren duren, pinksterkracht betekent ook echte doorbraak in het werk van de Geest in het hart. Het blijft niet jarenlang "sukkelen", maar de echte bekeringen zijn evenals in de Schrift ook snelle bekeringen.
- De opwekking is een buitengewoon werk van de Heilige Geest om de diepgang. Zowel de zondigheid van de zonde als de rijkdom van Gods genade is een levende werkelijkheid die diepe vreugde geeft. Men wordt grondig zondaar voor God, men wordt totaal afgebracht van alle eigen gerechtigheid en men komt tot een radicale overgave aan Jezus Christus. De zekerheid van de vergeving van de zonde is navenant.
- De opwekking is ook daarom een buitengewoon werk van de Heilige Geest, aangezien de uitbreiding ervan geweldig is in omliggende plaatsen. De kerk wordt niet bewogen door de wereld, maar de kerk oefent invloed uit in de wereld. Het is als op de pinksterdag dat buitenstaanders gaan vragen; wat wil toch dit zijn? Andere gemeenten worden jaloers en gaan begeren naar en bidden om hetzelfde. Er is sprake van een beweging.
- Tenslotte is opwekking ook daarom zo'n buitengewoon werk van de Heilige omdat de eredienst erdoor wordt vernieuwd. De samenkomst van de gemeente is meer dan een optelsom van individuen, maar op een bijzondere wijze is Gods tegenwoordigheid daarin voelbaar. Vooral in de lofzangen is iets van de hemel op aarde merkbaar.
Waren er voor Edwards andere opwekkingen, hij is de eerste die in dit werkje een diepgaande analyse geeft. Zijn wetenschappelijke aanleg stelt hem in staat om een nauwkeurige beschrijving te geven van de verschijnselen. Het is indrukwekkend te weten hoeveel dit boek is herdrukt. In zijn leven waren er reeds 90 herdrukken. Het werd gelezen in Amerika, Engeland, Schotland, Duitsland en Nederland. Men kwam onder de indruk en verlangde biddend om een opwekking als beschreven in de "Faithfull Narrative".
Great Awakening
De gevolgen blijven niet uit. 1740-'45 zijn de jaren van de grote opwekking. Als Whitefield in september 1739 in Amerika komt, is dat het begin van een krachtige geestelijke opleving. De rondreis die hij maakt, is de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis van de Verenigde Staten.
Hij is een oecumenicus voordat hierover werd gesproken. Aangezien christenen het toch wel nooit eens zouden worden over kerkelijke orde, wenste hij daarover niet te spreken. Hij werd door een bisschop bevestigd in de anglicaanse kerk, bediende het avondmaal bij congregationalisten en is begraven in een presbyteriaanse gemeente. De grenzen van de katholiciteit liggen voor hem daar waar de godheid van Christus wordt ontkend. Zo is in deze beweging de man die de verschillende stromingen met elkaar verbindt en een gevoel van gemeenschap geeft.
Onvermoeibaar trekt deze evangelist door Engeland, Schotland, Ierland en Amerika om zielen voor het Lam te winnen. Als zijn eigen anglicaanse kerk de kansel weigert, breekt hij met alle tradities en verkondigt het evangelie in de open lucht. Hij verkondigt de kracht van de religie. Op een indringende manier maakt hij duidelijk dat doop, ijver, orthodoxie en ernst ons niet tot ware christenen maken. We hebben niet alleen werkingen van de Geest nodig, maar de inwoning van de Heilige Geest.
Edwards is meer de theoloog, Whitefield vooral de redenaar. Hij spreekt vaak voor tienduizend, of twintigduizend mensen. Duizenden schrijven hun bekering toe aan zijn optreden. We kunnen er jaloers op zijn als we merken dat deze opwekking een zaak is van de publieke opinie. Het is vaak voorpaginanieuws in de tijd van de opkomende pers, ten koste van de aandacht voor de oorlog met Spanje en de spanningen met Frankrijk. Vooral Whitefield weet zeer creatief met de moderne media van zijn tijd om te gaan en dit in dienst te stellen van de uitbreiding van Gods koninkrijk. Publiciteit bereidt zijn komst in bepaalde plaatsen voor.
Een opmerkelijke trek is de openbare verbondssluiting. Op 16 maart 1742 vindt op een vastendag in Northampton de openbare ondertekening van een verbond plaats. Men belijdt daarin afval van God en men verbindt zich plechtig en schriftelijk aan de Heere. Men belooft in een goede verhouding met zijn naaste te leven, familieverplichtingen trouw na te komen, kuis te leven en te strijden tegen lusten en begeerten. Dit is karakteristiek voor veel plaatsen in Nieuw-Engeland.
De vrucht op langere termijn is niet te onderschatten. Het is een studie op zichzelf om de verbinding tussen de Great Awakening en de doorbraak van de internationale zending aan te geven. Voor de negentiende eeuw is er ook zending bedreven, maar we mogen het jaar 1792 toch wel het jaar van de doorbraak noemen. Het werk van Carey in 1793 in India is baanbrekend. Zowel de bewogenheid als de positieve eschatologie zijn een krachtige impuls voor dit werk. Door de opwekking zien christenen wat er mogelijk is door de Geest van God.
Het is onmiskenbaar dat deze machtige geestelijke beweging een katalysator is geweest voor de afschaffing van de slavernij. Edwards had een negerslaaf in huis. Whitefield maakte er ook gebruik van in het weeshuis Bethesda. Toch benadrukten zij dat de zwarte een ziel had en daarom voor Gods aangezicht wezenlijk gelijk is met de blanke. Zij trokken daaruit niet de sociale consequentie dat de slavernij als zodanig tegen Gods bedoeling indruist. Dat neemt niet weg dat zij het fundament hebben gelegd. Wesley heeft als eerste enkele tientallen jaren later deze praktijk publiek onder kritiek gesteld. Het heeft nog wel honderd jaar geduurd voordat officiële wetgeving slavernij heeft verboden.
In de Great Awakening zijn ook de zaden gezaaid voor de onafhankelijkheid van Amerika. Ze bood tegenwicht aan de ideeën van de verlichting. Er zijn universiteiten gesticht, machtige liederen gedicht, evangelisatie kreeg gestalte, kortom; Amerika van na de Great Awakening is anders dan daarvoor.
Deze enorme geestelijke beweging heeft ook schaduwzijden. De grote nadruk op de Geest leidt tot verwaarlozing van het uiterlijke Woord en uiterlijke hulpmiddelen. Zo ontstaan er trekken van geestdrijverij. Een grondige opleiding is niet meer nodig om het Woord te verkondigen, de presentie van de Geest is beslissend. Lekepredikers beginnen voor te gaan. En waarom zouden vrouwen met de Geest niet preken? Men oordeelt erg gemakkelijk dat bepaalde dienaren van het evangelie onbekeerd zijn. Er ontstaan scheuringen in gemeenten. Velen komen terecht in het baptisme. Emoties worden vaak aangezien voor het werk van de Heilige Geest. Om deze reden spelen voorgangers in op het gevoel. Sommigen drijven op innerlijk licht. Om al deze uitwassen ontstaan vooroordelen tegen de Great Awakening. Vooral het optreden van een zekere James Davenport roept veel weerstand op en doet velen van de weeromstuit kiezen tegen het geheel van de opwekking.
Nog een opmerking over de Great Awakening; deze beweging heeft niet alleen in Engeland en Schotland haar sporen getrokken, maar ook in Nederland. De zogenaamde "Nijkerkse beroerte" is onmiskenbaar als een uitloper van deze Angelsaksische beweging te zien. Andere plaatsen in ons land zijn door deze zelfde beweging aangeraakt. Te denken valt aan Putten, Barneveld, Amersfoort, Woudenberg, Gorinchem, Dordrecht, Hardinxveld, Papendrecht, Werkendam, Groningen, Huizen, Naarden, Soest, Nunspeet, Rheden, Gorredijk, Diever, Hoogeveen, Aalten, Hoogvliet, Pernis, Goes en Wemeldinge. De kenmerken van deze bewegingen komen met elkaar overeen. De Schot Hugh Kennedy uit Rotterdam, vriend van Comrie, heeft opgemerkt dat het hier om dezelfde dingen ging als in zijn moederland. Van der Groe is bekend om zijn huiver. Waarschijnlijk heeft hij door de bril van de ontsporingen te Werkendam onder Jacob Groenewegen gekeken naar Nijkerk. Bovendien speelde mee dat hij met laatstgenoemde een verschil had over de rechtvaardiging.
De beproeving der geesten
Ook in deze situatie heeft Edwards zijn verantwoordelijkheid verstaan. Hij strijdt tegen twee fronten. Enerzijds wijst hij beslist de ontsporingen af. Hij ziet in de fanatieke voorstanders van de opwekking meer gevaar dan zegen voor het werk van de Heilige Geest. De kracht van de opwekking wordt niet in de eerste plaats gebroken door tegenstanders, maar door overdreven voorstanders.
Tegelijk neemt hij ook afstand van hen die de opwekking afkeuren en bestempelen als mensenwerk. Een van de belangrijkste auteurs tegen de opwekking is Chauncy. Hij beroept zich met veel citaten op de werken van oude puriteinen als Owen en Flavel om de opwekking te bestrijden en te strijden voor rust, gematigdheid en burgerlijkheid. Hoewel hij de noodzaak van wedergeboorte en bevindelijke geloofsdoorleving bepleit, vindt hij het snel te radicaal en moet er niet teveel nadruk op de herkenbaarheid worden gelegd.
Edwards neemt een middenpositie in. Niet uit kerkpolitieke overwegingen, maar om geestelijke redenen. Hij ziet in de opwekking de hand van God en tegelijk erkent hij het werk van de duivel erin. Op magistrale wijze past hij de werkelijkheid van Rom. 7 toe op het geheel van de geestelijke beweging. Het is niet eenvoudig te zeggen dat alles uit de Geest of juist alles uit het vlees is. Ook christenen zijn nog vleselijk. Dat is de sleutel om de onbijbelse elementen in het geheel van de opwekking op de juiste plaats te zetten.
Ook voor de 20e en 21e eeuw is Edwards' werk "Distinguishing Marks" nog steeds actueel. Hij geeft daarin kenmerken die het werk van de Heilige Geest aangeven in een beweging. In de eerste plaats wijst hij erop dat in de opwekking de persoon van Christus centraal staat. Velen komen tot kennis van Hem en belijden Zijn Naam. Met een verwijzing naar 1 Joh. 4:15 ziet hij hierin een karaktertrek van de werking van de Heilige Geest. Deze zal toch altijd verwijzen naar de Zaligmaker. Hij is tenslotte vooral ook de Geest van Christus.
Als zondaren overtuigd worden van zonden en daarmee breken, de wereld verzaken en in een nieuw leven gaan wandelen mag dat misschien geen garantie voor een persoon zijn, maar het is wel een garantie voor het geheel van de beweging dat dit uit God is.
Het verschijnsel dat de bijbel weer op tafel komt, bestudeerd wordt, de enige regel voor leven en sterven is, is dermate tegen de belangen van de duivel dat hierin de Heilige Geest werkzaam moet zijn. Er komen geen nieuwe waarheden aan de orde, maar de oude waarheden worden weer nieuw.
Dit alles wordt bevestigd door de heilige levenswandel van christenen. Vooral de liefde tot God en tot de naaste is in het algemeen te zien als het werk van de Heilige Geest.
Al met al maken niet de buitengewone verschijnselen, maar de buitengewone godsvrucht duidelijk dat het moet gaan om een beweging van de Heilige Geest. De duivel kan wel buitengewone gaven, visioenen en openbaringen imiteren, maar geen heilig en ootmoedig leven.
Een persoonlijke toets
Is het voorgaande werk van Edwards algemeen - het is geen persoonlijke toets - in zijn "Religious Affections" gaat hij dieper in op het persoonlijke leven. De tegenvallende blijvende vrucht van opwekkingen brengt hem ertoe om zich grondiger te verdiepen in de persoonlijke kenmerken van de zaligheid. Hij ontkent hiermee overigens niet dat de opwekkingen werkelijk tot zegen zijn geweest, maar hij ziet wel in dat niet alle bloesem vrucht draagt. Hij maakt duidelijk hoe we in ons eigen hart kunnen onderscheiden wat het zaligmakende werk van God is en wat uiteindelijk niet tot de zaligheid leidt.
De theoloog uit Northampton legt er nadruk op dat gevoel en verstand samengaan. Verstand zonder ervaring is niet het werk van de Heilige Geest. Evenmin is gevoel zonder verlichting van het verstand aan te merken als het zaligmakende werk van de Geest. Als er emotie is, moet het wel een redelijke emotie zijn. Als we slechts bewogen zijn omdat de voorganger het was, heeft niet de waarheid van Gods Woord ons geraakt. We moeten kunnen uitleggen wat ons in het Woord zo heeft geraakt dat onze hartstochten in beweging kwamen.
Het diepste uitgangspunt in dit werk is de inwoning van de Heilige Geest. Dit staat garant voor twee zaken. In de eerste plaats voor het feit dat het werk van de Heilige Geest onlosmakelijk verbonden is met ervaring. De Geest is de onderpand van het eeuwige leven. Zijn inwoning is op de wijze van het geloof, echter evenzo werkelijk. De vrede, de rust, de vreugde van de hemel zijn nu reeds in het hart van de gelovigen. In de tweede plaats is de inwoning van de Geest de garantie van de vernieuwing van ons leven. Er komen vruchten van geloof en bekering.
Liefde is de wortel van alle religie. Er is geen ware religie zonder de geraaktheid van het hart. Vandaar dat woorden als "vrezen", "hopen", "verdriet", "zuchten", en "blijdschap" in de bijbel zo frequent voorkomen. Het boek van de psalmen is de kroongetuige van geestelijke ervaring. Alle beschrijvingen van het hemelleven bevestigen dat religie bestaat uit aandoeningen. Geestelijke kennis is derhalve ervaringskennis. Onze hartstochten laten zien wat de richting van ons hart is. Zonder ervaring is er geen geestelijk leven.
Scherp analyseert Edwards als hij wijst op de geestelijke hoogmoed. Men kan alle aardse comforts verloochenen zonder zichzelf te verloochenen. Een hoogmoedige denkt groot van zijn ootmoed, terwijl de ootmoedige groot van God denkt. In de geaccepteerde slavencultuur van zijn dagen maakt hij dat duidelijk met het voorbeeld van een slaaf die de veters van zijn vorst losmaakt. De slaaf levert hiermee geen bijzondere prestatie, evenmin is het iets verdienstelijks als wij buigen voor God. Dat hebben we eenvoudig te doen. Onze ootmoed staat nimmer in verhouding tot Gods heiligheid, wel in verhouding tot onze kennis daarvan. De ootmoedige heeft veel last van hoogmoed. Geestelijk leven maakt geen geestelijke arrogante tirannen, maar christenen met een luisterhouding.
Als genade ons minder waakzaam maakt, kennen we geen genade. Een huichelaar heeft genoeg aan zijn bekering, terwijl een christen nooit genoeg heeft van God. Het "zoeken" en "strijden" horen niet zozeer bij de eerste bekering, maar vooral ook bij de dagelijkse bekering. Een huichelaar begeert meer troost dan heiligheid. God is het object van religie. Hij vervult de vitale behoeften van de ziel. Een hypocriet veinst onderworpenheid aan God, maar is snel beledigd. Een christen zal ook in het gezelschap niet meer zijn aangedaan, dan wanneer hij eenzaam met God is. Steunt een nabijkomend christen op zijn geloof, de ware christen leunt op God.
We zagen dat de inwoning van de Geest ook de heiliging garandeert. Het diep-geestelijke van de inwoning van de Geest gaat zo direct samen met de praktijk van een heilig leven. Het bewijs voor wedergeboorte is derhalve de praktijk van alledag. De vruchten zeggen meer dan de wortel. De genade in het hart gaat in essentie voorop, maar voor het kennen ervan is de praktijk primair. Christus zal Zijn laatste oordeel vaststellen aan de hand van de vruchten. Levensheiliging is meer dan de afwezigheid van het kwade, maar ook de aanwezigheid van het goede. Uiteindelijk zijn het uitwendige en het inwendige twee aspecten van één daad.
Niet de volgorde van ervaringen bewijst de echtheid, maar het karakter ervan. Extreme opwekkingspredikers zien troost na vrees als een bewijs dat het de echte troost is. Dat is dan ook de reden dat zij er vaak meer op uit zijn om angst aan te jagen dan om de waarheid door te geven. Hoewel Edwards erkent dat Gods gewone weg de chronologische is, maakt hij daar geen systeem van. Niet de wet, maar de Heilige Geest werkt het geloof. Zondekennis is een onlosmakelijk aspect van het werk van Gods Geest, maar geen voorwaarde.
Edwards neemt ook een eigen positie in tegenover die puriteinen die meenden dat er in de bekering verschillende fasen zijn aan te wijzen. We treffen dat bijvoorbeeld aan bij Shepard in zijn "De gezonde gelovige" of bij Hooker in zijn "De ware bekering". In zijn dagboek laat Jonathan blijken dat hij verschillende trappen niet weet aan te wijzen. In dit meesterwerk maakt hij duidelijk dat de inwoning van de Geest belangrijker is dan de verschillende stappen die de Geest gaat in de ziel van de zondaar. Het gaat er uiteindelijk om dat een gebroken hart wordt vervuld met Christus in de kracht van de Geest.
De inwoning van de Geest betekent ook dat alle genadens een onlosmakelijke eenheid met elkaar vormen. Ze zijn niet los verkrijgbaar. Het is uiteindelijk één vrucht van de Geest. Ootmoed, liefde, geloof, heiliging, lijdzaamheid en rechtvaardiging zijn niet los verkrijgbaar. Waar het ene is, is noodzakelijk ook het andere. In deze manier van denken evenaart Edwards Calvijn en John Owen, bij wie we een soortgelijke nadruk zien op de gemeenschap met Christus waarin wezenlijk alles ligt opgesloten. Zondaren kunnen het meer of minder zien, maar in Christus en door de Geest hebben zij deel aan het volle heil.
Tegenover het "krijgen" van teksten staat Edwards zeer nuchter. Een tekst die met kracht in ons gemoed komt, is niet meer waar dan een tekst die we in de Schrift lezen. Hij vreest dat "multitudes" zich bedriegen met allerlei wonderlijke ervaringen en verbeeldingen. Het zien van een soort gezicht van Christus aan het kruis of het horen van Zijn stem is niet geestelijker dan de Jood die er getuige van was. Emotie en opgewondenheid, lofprijzing en show zeggen niets over de heiligende werking van de Trooster.
Evaluatie
Hoe moeten we denken over de theologie van Edwards? Het is niet moeilijk om allerlei kritiekpunten op te noemen. Vooral als we door al zijn geschriften heen kruipen, wordt het duidelijk dat hij op bepaalde punten afwijkt van de reformatorische theologie. Zo zullen wij ervoor huiveren om persoonlijke bekering tot grondslag van de kerk te maken. Wij denken, hoop ik, meer vanuit het verbond. Kinderen worden gedoopt, niet omdat hun ouders godvrezende mensen zijn, maar omdat zij geboren zijn als kinderen van Gods verbond en gemeente en zo behoren ze gedoopt te wezen.
Dat neemt echter niet weg dat we zijn boodschap niet dan tot onze schade verwaarlozen. Staande op de schouders van ons voorgeslacht mogen we iets zien van de diepte van Gods Woord en werk.
1. Edwards werkte in moedbenemende omstandigheden. Ondanks zijn grote trouw in prediking en pastoraat bleef de oppervlakkigheid en wereldgelijkvormigheid in de gemeente. Terwijl doorging in de diepe overtuiging van de almacht en genade van God kwam hij niet beschaamd uit. Een regenbui van de Geest deed meer kracht dan tientallen preken. Gelovigen werden vervuld met de Geest. Naamchristenen kwamen tot bekering. In het dorp kwam een reformatie van zeden. Liberalisme, criminaliteit, wereldgelijkvormigheid en traditionalisme kunnen ons verwarren. De geschiedenis kan ons leren niet te wanhopen. Het is nog maar de vraag of er geen donkerder tijden geweest zijn dan onze tijd. Gods daden uit het verleden bemoedigen voor het heden. De God van Jonathan Edwards leeft nog.
2. De methode in de opwekkingen van de Great Awakening was de normale prediking van het Woord van de levende God. Velen staan thans naar buitengewone gaven. In de gemeente van Korinthe was dat volop aanwezig. Toch klaagt Paulus over de vleselijkheid van deze gemeente. Niet de buitengewone gaven, maar de bijzondere kracht van de Geest in het Woord zal het moeten doen en doen. We hebben onze tijd, onze gemeente, ons eigen hart, en het hart van God te kennen om dat Woord er werkelijk in te werpen. De diepgaande kritiek van iemand als Edwards op de verburgerlijkte moraal van zijn dagen is hoogst actueel. Hij doorzag de hoogmoed van de verlichtingscultuur. Tegenover de soevereiniteit van de mens heeft hij de soevereiniteit van God voluit gehandhaafd.
3. De religie die houdbaar is voor de eeuwigheid is meer dan moraliteit of confessionaliteit. Het raakt het hart en vernieuwt het. Scherp onderscheidt hij tussen algemene en bijzondere genade. Hoewel Gods kinderen een gebroken geloof hebben tot de laatste levenssnik toe, is het werk van de Heilige Geest niet iets vaags en schimmigs. We zouden heel de theologie van Edwards kunnen samenbrengen onder de noemer van de realiteit van het werk van de Heilige Geest. Zou het niet één van de grootste redenen van de geringe wervingskracht van de kerk zijn dat zovelen nooit persoonlijk door de enge poort van wedergeboorte zijn gegaan en de kracht van Gods Geest kennen? Edwards maakt op onvergelijkbare wijze duidelijk dat religie een zaak is van kracht. De ervaring mag er dan ook wel degelijk zijn. Tegelijkertijd geldt dat de ervaring niet haar eigen norm is. Ze staat onder de toets van het Woord van God.
4. Opwekkingen kunnen een verschillende theologische kleur hebben. Iemand als McCheyne of Boston was ook het middel voor honderden tot bekering. Hun preken zijn meer Christocentrisch gekleurd, terwijl Edwards meer God de Drie-enige in het middelpunt stelt en nadruk legt op het werk van Gods Geest. Rabbi Duncan heeft ooit gezegd dat hij aan de voeten van Edwards wenste te zitten om te leren wat de kracht van de godzaligheid is, aan de voeten van Boston om te horen hoe dat te bereiken. Calvijn leert ons de brede evenwichtige structuren van het theologische denken, Edwards vergroot het aspect van Gods Geest uit. Meer dan ooit hebben we nodig werkelijk katholiek te zijn. Evenwicht en diepgang zullen samen gaan. Zo mogen we begrijpen "met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte is, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat ook gij wordt vervuld tot al de volheid Gods" (Ef. 3:18-19).
EINDE
enige literatuur
1. De meest betrouwbare en meest volledige uitgave
van Edwards' werken is de serie The
Works of Jonathan Edwards, uitgegeven
door Yale University Press, New Haven/London.
In deze serie zijn thans 16 van de 26 delen verschenen.
Prijs per deel ca. f 200,-.
2. Een heel geschikte uitgave van de verzamelde
werken van Edwards is de uitgave van de
Banner of Truth Trust in Carlisle/Edinburgh. In
twee dikke delen hebt u de belangrijkste
werken van de Amerikaanse theoloog. De prijs zal
voor de twee delen rond de f 200,-
liggen. Nadeel is dat de tekst in kleine letter
in twee kolommen is afgedrukt.
3. In het Nederlands zijn ook werken van Edwards
vertaald. In de serie Overjarig koren zijn
wel losse preken van hem vertaald. Verder kennen
wij het boekje Een schuilplaats in
gevaren en Geheiligde kennis. In
beide werkjes vindt u enige preken van deze theoloog.
4. Edwards is aan het einde van de achttiende
eeuw reeds in het Nederlands vertaald. Te
Utrecht verscheen in 1756, Historiesch verhaal
van het godvruchtig leven en den zaligen doodt van den Eerwaarden HEER David
Brainerd met een voorwoord van G. van Schuy-
lenborgh. In 1774 verscheen Bepaald en Nauwkeurig
Onderzoek van de thans heerschende
Denkbeelden over De Vrijheid van den wil.
Vijf jaar later verscheen daar Verhandeling over de Godsdienstige Hartstogten.
In 1792 zag Leerredenen over verscheide gewigtige onder- werpen naagelaten
door den weleerwaarden en zeer geleerde heer Jonathan Edwards, in
deszelfs leeven President van het Collegie
van New Jersey het licht. Het boek over Brainerd
en over de godsdienstige hartstochten hebben een
plaats gehad in de uitgaven van de Schat-
kamer te Geldermalsen.
5. In 1750 verscheen te Leeuwarden (tweede druk)
Geloofwaardig historisch bericht van het
heerlyke werk Godts, geopenbaart in de Bekeeringe
van veele honderden van Zielen te
Northampton, en op andere Plaatzen in Nieuw-Engelandt.
Het is opnieuw vertaald door
W. van Vlastuin onder de titel Die God leeft
nog! uitgegeven te Ede 1987.
6. In 1907 schreef J. Ridderbos een Nederlandstalig
proefschrift over Edwards, De theologie
van Jonathan Edwards. Het is antiquarisch
wel te verkrijgen. De conclusies zijn echter
bedenkelijk. Ridderbos beschrijft Edwards van
de filosofische kant.
7. Een goede biografie over Edwards vindt u in
I.H. Murray, Jonathan Edwards, A new
Biography, Carlisle/Edinburgh 1987. Dit
boek is min of meer samengevat door de bekende
I.R.K. Paisley, Jonathan Edwards, Theologian
of Revival, Belfast 1987. Een wat kritischer
biografie, maar toch wel goed is O.E. Winslow,
Jonathan Edwards, New York 1941.
8. J.H. Gerstner is een groot kenner en verdediger
van Jonathan Edwards. Hij schreef een
driedelige The Rational Biblical Theology
of Jonathan Edwards, Powhatan/Orlando 1991.
Hij schreef eveneens Steps to Salvation,
thans verkrijgbaar onder de titel Jonathan Edwards
Evangelist, Morgan 1995, dat handelt
over het "zoeken" in Edwards' theologie. Bekend is van hem ook Jonathan
Edwards: A Mini-Theology, Wheaton 1987 en Jonathan Edwards
on Heaven and Hell, Grand Rapids 1980.
Zijn vrouw E. Gerstner schreef, Jonathan and
Sarah, An Uncommon Union, Morgan 1995.
Dit geeft een goede indruk van het dagelijkse
leven in Stockbridge en ook de verhoudingen met
de Indianen.
9. Om op de sfeer te proeven van de Great Awakening
kunt u heel goed terecht bij A.A.
Dallimore. Deze schreef een tweedelige George
Whitefield, The Life and Times of the Great Evangelist of the Eighteenth-Century
Revival, Carlisle/ Edinburgh 1970. De samenvatting
hiervan verscheen te Londen in 1990 als George
Whitefield, Evangelist of the 18th-Century
Revival.
10. Via internet is veel informatie over uitgaven
van en over Edwards beschikbaar