Uw werkt niet met frames, helaas. U kunt toch over deze site surfen door gebruik
te maken van onderstaande links:
Church vision
Edwards study
Personal
Publications
Sermons
Navigation
lichaam van christus
advies website
Katwijk aan Zee presenteert hier op zijn homepage wat preken, studies, publicaties
ed. Uiteraard ontbreekt een korte biografie niet.
Katwijk aan Zee presenteert hier op zijn homepage wat preken, studies, publicaties
ed. Uiteraard ontbreekt een korte biografie niet. Nederlands Hervormd, Boeken,
Van Vlastuin, Katwijk, Opheusden, samen op weg, Wouterswoude, SOW, Preken, Edwards, opwekking,
kerk , church, traditie, tradition, Geest, Spirit, Holy Spirit, Heilige Geest,
theologie, theology, God, kerkgeschiedenis, church-history
WAT BEWEEGT ONS?
een verantwoording t.a.v. SoW
Geachte ambtsdragers, leden en vrienden van de Nederlandse Hervormde Kerk,
De kerk is van Goddelijke herkomst en openbaart zich als een historische grootheid. De Heere richt Zijn kerk niet steeds opnieuw op, maar laat de fakkel overgaan in de lijn der geslachten. Bijbels spreken we over "de God van Abraham, Izak en Jacob", theologisch gebruiken we hiervoor het schriftuurlijke begrip "verbond". Wie de geschiedenis van de kerk miskent, ziet haar als een sekte. De eenheid van de kerk strekt zich niet alleen uit over alle plaatsen, maar vooral ook over alle tijden.
In deze lezing wil ik vooral het aspect van Gods verbondstrouw in de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk nader uitwerken. In het kort wil ik twee kruispunten in de geschiedenis van onze kerk belichten. De keuze voor deze twee momenten uit de historie van de kerk is niet willekeurig. In het vervolg zal duidelijk worden dat hier beslissingen zijn gevallen die karakteristiek zijn voor de identiteit van de hervormde kerk.
Na deze terugblik in de kerkgeschiedenis, richten we onze aandacht op de zorg in het heden. We geven een analyse van het SoW-proces. Ten slotte proberen we onze houding naar de toekomst te bepalen.
1. Gods trouw in het verleden
a. De historie rond de Augsburgse Confessie
Het Woord van God heeft in de tijd van de Reformatie opnieuw en dieper dan ooit wortel geschoten in Europa. Door de kracht van de Heilige Geest wordt het geloof gewerkt in de harten van zondaren. Anderen komen in die tijd tot een heldere doorbraak door de heldere verkondiging van het evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen.
In het naburige Duitsland is vooral het luthers protestantisme een geestelijke kracht. Dit wordt echter door Karel V niet geduld. Hij wil dat zijn hele rijk rooms-katholiek blijft. In 1530 komt het tot een ontmoeting tussen de keizer en de Duitse vorsten. Op de rijksdag te Augsburg wisselen zij met elkaar van gedachten.
Met het oog op deze rijksdag heeft Melanchton een geloofsbelijdenis opgesteld. Daarin belijdt hij heel helder de kern van de Reformatie, namelijk de rechtvaardiging van de godde-loze alleen door het geloof. Hij distantieert zich krachtig van de dopers en de volgelingen van Zwingli, terwijl grote twistpunten met de roomse kerk niet aan de orde komen. Aanvankelijk is Luther ingenomen met deze confessie, maar bij nader inzicht verklaart hij dat er veel te veel in is toegegeven. Hij vermaant Melanchton om op de rijksdag niet te toegeeflijk te zijn. Al met al is het niet verwonderlijk dat de irenische opstelling van Melanchton in het algemeen en deze confessie in het bijzonder de luthersen onderling verdeelt.
Toch lukt het op de rijksdag van 1530 niet dat er ruimte komt voor het lutherse geloof. Dat lukt wel vijfentwintig jaar later. In 1555 ontkomt de koning van Spanje er niet aan om tegen zijn zin toch de religie van de Augsburgse Confessie te erkennen. Deze vrede houdt in dat elke vorst vanaf nu mag uitmaken welk geloof het officiële geloof in zijn gebied is. Tevens wordt vastgesteld dat mensen vrij zijn om naar een ander gebied te verhuizen en dat de goederen niet aan de staat toekomen. In de praktijk betekent het echter meer. Er is tolerantie voor de luthersen in roomse gebieden en andersom.
In hetzelfde jaar volgt Philips II zijn vader op als koning van Spanje. Zijn trouw aan de roomse kerk bewijst hij door zijn besluit om in Nederland de Spaanse inquisitie in te voeren. Hij zoekt daarvoor een bondgenootschap met Frankrijk. Alva moet ervoor zorgen dat alle ketterijen in de Nederlanden de kop worden ingedrukt.
Van meetaf aan heeft Willem van Oranje zich tegen deze politiek verzet. Aanvankelijk is hij nog een trouw zoon van de roomse kerk. Hij gebruikt de mis, maar hij kan niet verkroppen dat trouwe onderdanen van de koning omwille van hun geloofsovertuiging worden vervolgd. Hij zoekt niet alleen bescherming voor protestanten, maar ook voor roomsen.
De prins van Oranje staat een godsdienstvrede naar Duits model voor ogen. Hij denkt daarbij niet aan het principe dat de koning beslist over de godsdienst van een land, want dan zou het er slecht uitzien voor de Nederlanden onder bevel van Philips II. Maar hij doelt meer op de tolerante houding van de roomse overtuiging ten aanzien van de protestantse. Een belangrijk instrument om een dergelijk verdrag in de Nederlanden van de grond te krijgen, is de aan-vaarding van de Augsburgse Confessie.
Oranje bepleit dit onophoudelijk. Hij heeft hiervoor verschillende overwegingen. In de eerste plaats kunnen de lutherse vorsten in Duitsland zo wellicht hulp geven aan het verdrukte Nederland. In de tweede plaats betekent dit eenheid van de protestanten tegenover Rome en Spanje. Als calvinisten in Nederland en luthersen in Duitsland niet gezamenlijk kunnen optrekken, maken zij zichzelf ongeloofwaardig en politiek heel zwak. Verder heeft Oranje nogal negatieve indrukken van de calvinisten, vooral door de beeldenstorm in 1566. In de vierde plaats zijn er Duitse calvinisten die de nieuwere versie van de Augsburgse Confessie accepteren. In de vijfde plaats vreest hij dat bij een tweedeling tussen het lutherse Duitsland en de calvinistische Nederlanden de religievrede in Duitsland in gevaar komt.
De zelfbewuste calvinisten zijn echter niet bereid om de Augsburgse Confessie te aanvaar-den. Ze willen de reeds aanvaarde Nederlandse Geloofsbelijdenis niet buiten spel te zetten. Op de synodevergaderingen te Antwerpen in 1566 en 1567 komt dit duidelijk naar voren. Men wil Willem van Oranje graag als leider in het verzet tegen de brute godsdienstpolitiek van de koning, maar hij mag geen voorwaarden stellen aan de gereformeerde leer. De prins van Oranje kan deze houding echter niet begrijpen. Hij betreurt het zeer dat men zich op deze wijze als calvinisten isoleert. Het is veel te gevaarlijk om deze confrontatie alleen aan te gaan. Hij is niet bereid om een exclusief calvinistisch verzet tegen Spanje te steunen.
De vader van ons vaderland blijft hopen op toegeeflijkheid. Hij vraagt aan de Duitse vorsten of zij een goed woordje voor de kerk in Nederland willen doen. Zij moeten vragen of in ons land in ieder geval de godsdienst in overeenstemming met de Augsburgse Geloofsbelijdenis kan worden erkend. Stel dat de koning dit accepteert, dan moeten de calvinisten door de nood gedwongen toch wel zwichten.
Onderwijl nemen de spanningen toe. De troepen van de landvoogdes Margaretha van Parma slaan het beleg om 's Hertogenbosch, Harderwijk en het Belgische Valenciennes. Voor de prins is dit een moeilijke tijd. Als hij het alleen met de calvinisten zal wagen, is het strategisch gezien een verloren zaak. Bovendien zal verbroedering met deze protestanten zijn ingang in het lutherse Duitsland alleen maar verkleinen. De koning zal hem zien als een rebel die tegen het wettig gezag in opstand komt. Hij vertrekt uit het land. Hij kan in ieder geval geen mede-werking verlenen aan de onderdrukking van zijn eigen geloofsgenoten.
Dit alles is zover gekomen door de onvermurwbare houding van de calvinisten. Zij trotseren geweldige gevaren. Waaruit kwam deze houding uit voort? Was dat hoekigheid? Was het dopers denken? Was het gebrek aan streven naar eenheid? Het ging ons voorgeslacht in de leer van Gods Woord om de eer van God en de heiliging van Zijn Naam. Het was voor hen onbespreekbaar om een compromis in de leer te sluiten om zo aan invloed te winnen. Men kon zich in het geweten niet binden aan een geloofsbelijdenis waarvan de gehoorzaamheid aan Gods Woord niet onvoorwaardelijk kon worden erkend. Daar heeft men goed en bloed voor over gehad.
Het verloop van de geschiedenis laat zien dat er bij Willem van Oranje een geloofsverdie-ping plaats heeft, zodat hij via het geloof van de Augsburgse Confessie meer en meer calvi-nistisch wordt. Hij geeft zich voor de vrijheid van de gereformeerde religie. Daartoe maakt hij een vast verbond met de "alderoppersten Potentaet der Potentaten". Zo is na tachtig jaar intense worsteling en grote offers de vrijheid voor gereformeerde religie gekomen. Hier liggen de wortels van onze Nederlandse Hervormde Kerk en van Nederland als een protes-tantse staat.
Groen van Prinsterer schrijft als gelovig commentaar op de hele gang van zaken het volgen-de: "De Prins van Oranje vertrok; moedeloos en zonder uitzigt voor zichzelven of voor het Land. Vernederd, om op Gods tijd te worden verhoogd; om te leeren, niet als eerzuchtig partijhoofd, maar als nederig dienaar van Gods Voorzienigheid, niet in eigen wijsheid, maar in afwachting van hooger wenk en leiding, werkzaam te zijn. Alle de plannen die hij gemaakt had, waren mislukt, opdat Gods plan ten uitvoer zou worden gelegd. De Hervormden waren gedood, verjaagd, of tot ontveinzing hunner belijdenis gebragt; de Hervorming scheen met wortel en tak uitroeibaar; doch de berekening moest falen en Alva uit Spanje komen, om het tot rust gebragte Land op nieuw in beroering te brengen; om den binnenlandschen krijg te ontsteken waarin het Evangelie over de geweldhebbers der wereld zegevieren zou; om aldus, door de machteloosheid zijner woede, Hem te verheerlijken die gezegd heeft: "Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen."" Kortom, de Nederlandse Hervormde Kerk is niet opgericht door meerderheidsbesluiten, maar God Zelf plantte deze kerk. Terwijl slechts enkele procenten van de bevolking de gereformeerde leer aanhingen, werd dit door Gods genade de publiek erkende belijdenis.
b. De historie rond de Doleantie
In de vorige eeuw heeft koning Willem I gegrepen naar het koningschap in de kerk. De gevolgen zijn niet uitgebleven. De reglementenbundel wordt als een stolp over kerkorde en belijdenis geplaatst, en deze worden zo monddood gemaakt. In plaats van de ambtsdragers, krijgen ambtenaren het voor het zeggen, zodat de ambtelijke vergaderingen niet meer kunnen functioneren. Men wil de kerk wel besturen, maar men wil niet belijden. Dwalingen zijn niet langer buiten de kerk, maar de zware wolven komen in de kerk. Verdraagzaamheid is een toverwoord. Men is wel religieus, maar het is een religie zonder openbaring, zonder voldoe-ning, zonder bekering, zonder bevinding en zonder nieuwe geboorte. De grondwaarheden van het christelijk geloof staan onder druk, zoals de leer van de Triniteit, de godheid van Christus, de soevereine verkiezing, de leer van de erfzonde, de leer van de menselijke onmacht en de wedergeboorte door de Heilige Geest. Het woord "Dordt" wordt een scheldwoord. Kortom, de geestelijk-kerkelijke situatie in die dagen is deplorabel. Het ongeloof slaat breed om zich heen en is zeer machtig.
Van de veelgeprezen verdraagzaamheid blijkt niets meer in het optreden tegen de latere Afgescheidenen. Kerk en staat spannen tegen hen samen. Er worden processen gevoerd, voorgangers komen in de gevangenis, als burgers van ons land worden zij achtergesteld, en soldaten worden ingekwartierd om hen onder druk te zetten. Als we ons in deze situatie verplaatsen, is het ronduit verschrikkelijk.
We richten ons nu niet op de periode van de Afscheiding, maar op de periode van de Dole-antie. Van vervolging is geen sprake meer, maar geestelijk is de toestand in de kerk nog niets verbeterd. Deze situatie is een gunstige voedingsbodem voor het zaad dat Abraham Kuyper jarenlang in de Nederlandse Hervormde Kerk strooit. In redevoeringen, in polemieken, in artikelen in De Standaard en in bijdragen in De Heraut is hij voortdurend bezig om de refor-matie van de kerk in de Doleantie voor te bereiden. Hij ijvert voor de belijdenis van de kerk van de Reformatie, maar acht zich niet gebonden aan haar geschiedenis. In 1881 sticht hij de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hiermee is de kiem gezaaid voor de afscheiding van de Nederlandse Hervormde Kerk, aangezien deze kerk deze theologiestudie aan de VU niet erkent. Om toch de kandidaten tot de heilige dienst aan een plaats te helpen, moeten er wel problemen ontstaan.
In 1883 houdt Kuyper een serie lezingen onder de titel: "Traktaat van de Reformatie der Kerken". Door een wijziging van de beheersregeling probeert hij bewust en strategisch de kerkelijke goederen in veiligheid te brengen, maar door de scheiding tussen bestuur en beheer lukt dat niet. En in 1886 is het dan zover. De kerkenraad van Kootwijk beroept op advies van ds. Van den Bergh in Voorthuizen kandidaat Houtzagers, die aan de Vrije Universiteit zijn theologiestudie heeft voltooid. Hiermee is de breuk met de vaderlandse kerk een feit. In tientallen gemeenten ontstaan dolerende kerken. Veel oprecht geestelijk leven stroomt op deze wijze weg. Men meent op deze wijze de Heere te dienen en Hem gehoorzaam te zijn. Men verlangt een kerkelijk leven naar Schrift en belijdenis.
We kunnen na meer dan honderd jaar nauwelijks bevroeden hoe ingrijpend deze gebeurtenis is geweest. Vooral degenen die zich zorgen maakten over het verval van de kerk, moesten zich afvragen of zij wel of niet met Kuyper zouden meegaan. Ik maak enige overwegingen die ons een scherper zicht geven op de hervormde kerk en de Doleantie.
In de eerste plaats moeten we vaststellen dat degenen die hervormd blijven de overtuiging zijn toegedaan dat de belijdenis van onze kerk nooit terzijde is gesteld. De reformatorische confessie is ook na 1816 nog altijd de officiële belijdenis van de kerk. Ds. J.J. Knap sr. spreekt over "de bekende en erkende leer". Keer op keer spreekt hij de kerk in al haar gele-dingen op haar nog steeds geldende belijdenis aan. Dezelfde overtuiging treffen we aan bij J.J. Le Roy , B. Moorrees , D. Molenaar en C.C. Callenbach . Als in 1841 een adres tot de synode wordt gericht waarin men ondermeer vraagt om trouw te zijn aan de leer van de kerk, antwoordt de synode dat de grondslagen van de kerk niet zijn verlaten. Ze heeft toen uitdruk-kelijk verklaard dat de kerk een belijdenis had. Later vinden we bij Gunning en Hoedema-ker eveneens dat de belijdenis van de Nederlandse Hervormde Kerk nog altijd wettig aanwezig is. Groen van Prinsterer verklaart dat de formulieren niet zijn afgeschaft en hij beroept zich zelfs op het kerkrechtelijk fundament van de belijdenisgeschriften. Overigens is Groen iemand bij wie we sterk de nadruk op het juridische en kerkordelijke element van de belijdenis tegenkomen, overigens zonder dat hij uit het oog verliest dat de kerk een geestelijk lichaam is.
In de tweede plaats wil ik enkele gedachten van Hoedemaker aanstippen. Ook al behoort hij niet direct tot de vaderen van de hervormd-gereformeerden, wij kunnen wel van hem leren. Op bepaalde punten is zijn geestelijke visie buitengewoon scherp, profetisch zelfs. Harts-tochtelijk getuigt hij vanaf 1875 tegen de synodale organisatie. Scherp heeft hij gezien dat op deze manier van kerk-zijn niet alleen de confessie wordt verwaarloosd, maar vooral Christus als de Koning van de kerk wordt miskend. De eenheid wortelt op deze wijze niet meer in Christus als het Hoofd van het lichaam. Dat moet onherroepelijk leiden tot partijschap. Het gemeenschappelijke belang valt weg als het lichaam van Christus geen eenduidige waarheid belijdt. Zo ontstaat verdeeldheid en kan het Woord van God niet de doorslag geven. Door toepassing van de in de belijdenis opgesloten beginselen wordt Gods recht op ieder gehand-haafd en komt er echte ruimte voor ieder. Het recht van God is ook het recht van de waarheid en niet het recht van de meerderheid. Een gereformeerde meerderheid in het bestuur van de kerk brengt dan ook geen herstel van de kerk. De bestuursvorm zelf dient bijbels te zijn. Er is terugkeer nodig tot de bijbelse kerkregering. Zo komt het Woord tot spreken en zal de belijdenis de uitdrukking van de eenheid van de kerk zijn. Zo kan ieder zich op het Woord van God beroepen.
Evenals Kuyper ziet Hoedemaker uit naar een kerk die Christus duidelijk als Hoofd en Heere belijdt. De gereformeerde belijdenis heeft zijn hart. In de strijd tegen het modernisme staat hij aan de zijde van Kuyper. De laatste haalt hem ook naar Amsterdam. Hij werkt mee aan de oprichting van de Vrije Universiteit en behoort tot de eerste drie daar benoemde hoogleraren.
De Doleantie betekent echter de breuk tussen deze twee theologen. Hoedemaker treedt af als hoogleraar aan de VU en wordt weer predikant. Wat zit achter dit alles? Wat is zijn visie op de Doleantie? Hij heeft nooit gezegd dat de dolerende kerk een valse kerk is, maar hij kan niet geloven dat ze uit God is geboren. In 1879 verklaart hij: "Wij vertrouwen de geestelijke draagkracht van deze beweging niet. Zij moet op niets uitlopen, want haar beginsel is niet zuiver." Hij pleit voor de weg van gehoorzaamheid en geordend kerkelijk verzet, maar meent dat er in het streven van Kuyper te veel berekening schuilt. De belijdenis wordt losge-maakt uit het lichaam van de kerk om partijschap te dienen. Het gaat niet om het bezit van een belijdenisformule, maar om een kerk die daadwerkelijk belijdt.
Merkwaardig genoeg vindt Hoedemaker niet dat Kuyper te ver gaat, maar dat hij niet ver genoeg gaat. Kuyper peilt de nood van de kerk niet diep genoeg. Daarom is zijn oplossing ook veel te oppervlakkig. Zijn reformatiepoging brengt geen reformatie, maar de eenheid van de kerk wordt gebroken.
Dezelfde trekken komen we bij Gunning tegen. Ik wil hiermee niet beweren dat ik een onvoorwaardelijke geestverwant van de ethische Gunning ben, maar ik heb wel respect voor zijn geestelijk inzicht. Hij hecht aanvankelijk niet aan het institutionaire en kerkordelijke. Hij ziet zelfs een tegenstelling tussen het juridische en het geestelijke. Hij legt alle nadruk op de kerk als het lichaam van Christus op aarde. In de kerk is Christus blijvend aanwezig: "Het juridisch-confessionele standpunt is mijns inziens waar, doch alleen wanneer het geheel aan het zedelijk-geestelijk aanwenden van de toetssteen der Schrift ondergeschikt gesteld wordt." Toch betekent dit niet dat hij leervrijheid erkent. Hij staat achter Dordt en ontzegt de dwaling van de modernen enig recht van bestaan in de kerk. Hij meent echter dat het concreet uitoefenen van de leertucht geen genezing van de zieke kerk brengt. Het zieke deel van de kerk moet door het gezonde deel worden overwonnen. In de waarheid is de kracht aanwezig om het geheel gezond te maken. Door het bevorderen van de waarheid zal de dwaling vanzelf verdwijnen. Bovendien is de kerk wegens haar geestelijke ingezonkenheid niet bevoegd het geestelijk zwaard te hanteren.
Later komt er bij hem een zogenoemde confessionele wending. In een nabetrachting over de kwestie van de vrijzinnige ds. Zaalberg erkent Gunning dat hij heeft gedwaald en aan de zijde van Groen van Prinsterer had moeten staan. Gaandeweg legt hij meer nadruk op de zicht-baarheid van de kerk. Hij acht de vlucht in de onzichtbare kerk een slaapdrank, waarmee duizenden gewetens in slaap worden gesust.
Evenals Kuyper ziet Gunning er hartstochtelijk naar uit dat de kerk als kerk de Naam van de Heere Jezus Christus belijdt. Maar de weg die Abraham Kuyper kiest, is niet de zijne. Hij blijft niet achter omdat de meerderheid achterblijft, maar omdat hij van het beginsel niet af kan. Door zijn geestelijke instelling weet hij een haarscherpe analyse te geven: "In deze hoog merkwaardige persoonlijkheid, zijn door een raadselachtige samenvoeging, twee personen verenigd: 1e. een gelovig Christen, 2e. een geboren Heerser met een kolossale rijkdom aan talenten en werkkracht. In de zondige atmosfeer van deze wereld gedijt de laatste van deze twee, helaas! het best, en neemt de eerste in dienst. Dr. Kuyper wil de waarheid, doch opdat zij hem diene."
Gunning erkent dat Kuyper met geweldige moed voor de christelijke belijdenis heeft pal gestaan. Maar de beweging van de Doleantie is te veel menselijk activisme. Deze eigenmach-tigheid breekt de gemeenschap stuk. Kuyper begint niet bij bekering en boete en is niet tot Christus teruggegaan. We zouden kunnen zeggen dat de wortel niet uit de Heilige Geest is, maar uit menselijke vleselijkheid. Het is gereformeerd op de grondslag van de mens. Het is te zeer een politieke beweging op kerkelijk terrein, waarbij men de belijdenis tot een beleidspro-gramma heeft gemaakt. Het is uiteindelijk een vereniging van gelijkgezinden. Zo wordt de kerk een aardse instelling. Christus wordt uit de kerk verklaard, in plaats van andersom. Hij aarzelt niet om deze nieuwe gereformeerde kerk een door en door wereldse partij te noemen. Hij bedoelt hiermee geen personen, maar het beginsel van de Doleantie. Tegenover zijn zoon, die wel onder de indruk is van de reformatiepogingen van Kuyper, laat Gunning ronduit weten dat dit geen geestelijke vrucht kan dragen, want het is ijzer en leem, leugen en waar-heid, kruis en eerzucht dooreen gemengd.
We komen tot een afronding. We staan thans in een andere situatie dan in de tijd van de Doleantie. We kunnen de uitspraken van Gunning en Hoedemaker niet rechtsstreeks toepas-sen op de huidige situatie. Daarvoor zijn deze geesten veel te groot. Het gaat evenmin aan om deze mannen een mening over SoW in de mond te leggen. Dat is historisch niet verantwoord en methodisch niet legitiem. Wel kunnen we van deze beide mannen leren dat we zonder eenduidige belijdenis in de kerk tot partijschappen vervallen. Door hun geestelijke benadering wijzen zij erop dat kerkelijke vernieuwing alleen een reformatie is als de kwaal diep genoeg is gepeild. Ook kunnen wij onze winst doen met hun overtuiging dat de Nederlandse Hervormde Kerk geen vereniging is, een instituut of een genootschap, maar een door God geplante kerk en een door de historie gegroeid lichaam. Bovendien herinneren zij ons eraan dat het niet genoeg is als we schuilen onder een gereformeerde confessie. De diepste motivatie waarin we bezig zijn, zal meegewogen dienen te worden: Is ons beginsel uit God of uit de mens? Ze wijzen ons zeer nadrukkelijk op het geweldige gevaar van menselijk en kerkelijk activisme. De actualiteit laat zien dat zij de dingen juist hebben gezien.
2. De kerkelijke nood in het heden
Na deze terugblik in het verleden, richten we ons op de actuele stand van zaken. Hoe moeten we staan tegenover het SoW-proces? Het grondprobleem van van het meewerken aan dit proces betekent een ontkenning dat de kerk een openbaring is van het lichaam van Christus. De kerk is niet conservatief-statisch, noch progressief-dynamisch, maar geestelijk-organisch. Wie dit mystieke karakter van de kerk ontkent, tast haar wezen aan en doodt haar leven. Dat willen we nu gaan bezien en nader uitwerken.
a. Het SoW-proces is niet geestelijk
Het besef van het mystieke karakter van de kerk is onlosmakelijk verbonden met kerkhisto-risch besef. Wie het verleden loochent, sluit de weg naar de toekomst. Het verenigingsproces van kerken dient derhalve op een historisch-integere manier te geschieden.
Aan de orde is een vereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk. De suggestie in dit proces is dat het hier drie gelijkwaardige kerken betreft. De vereniging met de Evangelisch-Lutherse Kerk is echter van een andere orde dan de éénwording met de Gereformeerde Kerken in Nederland. Er zijn in het verleden immers breuken geslagen.
Deze wonden moeten worden opengelegd. Zachte heelmeesters maken ook in het lichaam van Christus stinkende wonden. Als Nederlandse Hervormde Kerk staan wij mede schuldig aan deze scheur in het lichaam van de Heiland. Wij hebben geen enkele reden om hooghartig op Afscheiding en Doleantie neer te zien. Wij zijn mede schuldig aan het verval van onze kerk dat de aanleiding is geweest tot deze afscheidingen. We hebben de Koning van de kerk miskend toen wij de koning toelieten in de kerk. Wij waren niet op onze post toen de verlich-tingsgeest de kerk binnendruppelde. Hoe hebben wij ons als kerk medeplichtig gemaakt aan de druk op Hendrik de Cock en Ledeboer! Wij hebben hen de gewetensvrijheid ontnomen en er niet voor terugdeinsd dit met gevangenisstraf te bekrachtigen. Het lidmaatschap van onze kerk is willekeurig belet aan Hermann Friedrich Kohlbrugge. Wij hoeven niet de daad van de Doleantie als schuld te belijden, maar wel dat wij ook Kuyper en de zijnen onheus hebben bejegend en hun oproep tot herstel van de kerk niet ter harte hebben genomen.
Wij kunnen ons niet distantiëren van de schuld van ons voorgeslacht. Wij staan niet op een individualistische wijze in de kerkgeschiedenis. Er is sprake van een geestelijke eenheid door de tijden heen. Derhalve is een onvoorwaardelijke belijdenis van schuld over deze gang van zaken nodig. In Daniël 9 zien we hoe kerkherstel in de weg van verootmoediging gestalte krijgt. Daniël erkent de zonden van zijn vaderen als zijn persoonlijke schuld, als hij belijdt: "Wij hebben gezondigd".
Waar deze schuldbelijdenis ontbreekt, is de kerk wereldgelijkvormig. Kerk en wereld verschillen niet in zondigen, maar er dient wel verschil te zijn in het besef en de belijdenis ervan. We verliezen door een dergelijke schuldbelijdenis geen respect van de wereld. Het is andersom; als de kerk zo gaat spreken, komt de wereld in beweging. Het huidige proces zal de kerk in de wereld in ieder geval niet geloofwaardiger maken. Dit is geen antwoord in onze tijd van geweldige secularisatie.
Derhalve willen we opnieuw heel nadrukkelijk pleiten voor een dergelijke schuldbelijdenis. Het is niet Gods methode om de wond op het lichtste te helen. Het is karakteristiek voor het werk van de Heilige Geest dat Hij schuld op een heilzame wijze aan de oppervlakte brengt. Laat er een document worden opgesteld waarin we kerkelijk belijden wat er kerkelijk mis is gegaan in het verleden. Deze schuldbelijdenis zal niet alleen dienen uit te gaan naar de Gereformeerde Kerken, maar naar alle kerken in ons vaderland die uit de vaderlandse kerk afkomstig zijn. Te denken valt aan de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Oud-Gereformeerde Gemeenten. De spijtbetuiging van de overheid aan het Joodse volk is een beschamend voorbeeld voor de kerk.
Deze onvoorwaardelijke schuldbelijdenis van de Nederlandse Hervormde Kerk vraagt van de Gereformeerde Kerken bezinning op haar wortels. Erkent men het ongeestelijke karakter van de Doleantie of ziet men Samen op Weg als een voltooiing ervan, namelijk opnieuw een vereniging van gelijkgezinden? We kunnen pas met elkaar verder, als we samen terug gaan. We zullen ons gezamenlijk moeten richten op en uitgaan van het geloof van de vaderen. Zo kan organische groei van de kerk in Nederland gestalte krijgen.
Wij zijn niet tegen éénwording met de Gereformeerde Kerken, maar we begeren een geeste-lijk proces. Ware eenheid is een verborgen werk van de Geest dat openbaar komt. Nu dreigt er een kerk te worden georganiseerd die nog meer dan de kerk van de Doleantie een menselijk product is. Zonder de Geest leidt ons georganiseer niet tot reformatie, maar tot deformatie. Het SoW-proces draagt de tekenen hiervan in zich. Het gemis aan een eenduidige belijdenis betekent dat partijvorming tot haar wezen zal behoren. Ze draagt meer het karakter van een vereniging dan van een verenigde kerk. Niet alleen de identiteit van de nieuwe kerk verandert door haar nieuwe belijdenis, maar ook haar structuur. Het is geen kerk meer die geconcen-treerd is rondom de kinderdoop, gezien het vrijblijvende karakter ervan. Geloofsbelijdenis en ambt worden uitgehold. Deze verwaarlozing van het verbond is karakteristiek voor het gemis van geestelijk geschiedenisbesef. Het ontbreken van het artikel over het huwelijk is geen incident, maar verraadt dat we het geheim van Christus en de bruidsgemeente niet meer verstaan. Kortom, allerlei bijbels-gereformeerde hoekstenen die nu nog in het gebouw van de kerk aanwezig zijn, worden uit hun voegen gelicht.
Ten slotte, de constatering is juist dat de kerk van Christus verbroken en verscheurd is. We mogen de eenheid van de kerk niet vergeestelijken, maar dienen haar gestalte te geven. De weg van SoW getuigt echter dat de breuk niet diep genoeg is gepeild en niet in haar geestelij-ke wortels is blootgelegd. Derhalve kan dit geen reformatie en vernieuwing van de kerk zijn, maar brengt het ontbinding van de kerk met zich mee.
b. Het SoW-proces is niet historisch
Het lichaam van Christus is niet alleen van alle plaatsen, maar ook van alle tijden. Wij staan in gemeenschap met ons voorgeslacht. Wij vormen door de tijden heen samen één geestelijk lichaam. Dat betekent ook dat de eenheid van de kerk in de eerste plaats een historisch karakter draagt. Eenheid kan dan ook nooit betekenen dat wij de historisch-geestelijke verscheidenheden loochenen en met elkaar mengen. We kunnen daarover heel verheven doen, maar het heeft met werkelijke eenheid in Christus door de Heilige Geest niets te maken.
De Geest van de eenheid is ook de Geest van de waarheid. De Geest heeft de kerk in twintig eeuwig in de waarheid geleid. Elke poging om eenheid en vrede te zoeken met verlies van deze waarheid, moet falen. Eenheid die niet is geworteld in de eenheid van het ware geloof, heeft met eenheid in Christus' lichaam niets van doen. Zijn lichaam is immers geestelijk van aard. Eenheid die de band met het voorgeslacht doorbreekt, is misschien administratieve winst, maar in Gods koninkrijk telt dat niet.
Het aanvaarden van niet-gereformeerde belijdenisgeschriften betekent in feite een relativeren en loslaten van de de gereformeerde grondslag. Vooral als er in de nieuwe belijdenis dingen voorkomen die strijdig zijn met belijdenisgeschriften is er sprake van een breuk met het verleden van de kerk: "In het loslaten van de belijdenis is sprake van een verloochening van de leiding van de Heilige Geest in de geschiedenis van de kerk, waarin ook het ontstaan van de belijdenisgeschriften een plaats heeft gehad." Ondanks alle spreken over eenheid, zijn we bezig deze te verbreken.
Het aanvaarden van niet-gereformeerde belijdenisgeschriften is niet alleen een breuk met het verleden, maar ook in het heden. Als we ons realiseren dat er in ons land nog veel meer brokstukken zijn van de Nederlandse Hervormde Kerk, dan kunnen we nooit spreken over eenheid zonder in de eerste plaats op de kerken betrokken te zijn die uit de Afscheiding en de Doleantie zijn voortgekomen. Deze kenmerken zich door een gereformeerd belijden. Zij hebben nota bene hervormde belijdenisgeschriften. In het bijzonder van de Dordtse Leerregels geldt dat deze in de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk zijn ontstaan. Her-vormder kan het niet. Zij gebruiken (soms) ook de in de vaderlandse kerk ontstane Statenver-taling en lezen de geschriften uit de Nadere Reformatie. Het zijn broeders van ons huis. Het aanvaarden van niet-gereformeerde belijdenisgeschriften is derhalve een verdieping van de breuk met hen. Op deze wijze sluiten we elke mogelijkheid uit om ooit met hen tot herstel te komen.
Het historisch karakter van Christus' kerk verplicht ons niet alleen aan onze gereformeerde geschiedenis, maar is ook bepalend voor onze omgang met de luthersen. Wij wijzen samen-sprekingen met de luthersen niet af. Maar het is niet historisch integer om de éénwording met hen te forceren door een belijdenisgeschrift op te dringen dat wij als kerk reeds meer dan vierhonderd jaar hebben afgewezen, namelijk de Augsburgse Confessie.
Een eerlijke eenwording met luthersen kan alleen gestalte krijgen als er samensprekingen met hen zijn over de thema's die in de geschiedenis zulke problemen gaven. Alleen als men kan komen tot een theologisch vergelijk tussen de lutherse en de gereformeerde theologie, kan er van éénwording sprake zijn.
Opnieuw concluderen we dat SoW invulling wil geven aan een bijbelse roeping, namelijk de eenheid van de kerk. Maar op de voorgestelde wijze wordt er meer kapot gemaakt, dan geheeld. Er lijkt sprake van een katholiek proces, maar dat is geenszins het geval. De kerk is geen administratieve eenheid die op een management-achtige wijze kan worden bestuurd. De kerk is een in de historie gegroeid lichaam. Het negeren van deze historie betekent dat ze zich tegen ons zal keren.
c. Het SoW-proces is niet confessioneel
In de geschiedenis van de vaderlandse kerk heeft men de gereformeerde belijdenis aanvaard als spreekregel van de kerk. Op de eerste nationale synode van Emden in 1571 is besloten dat dienaren van het Woord deze belijdenis dienen te ondertekenen. Andere synoden hebben dat besluit bekrachtigd. Tot op de dag van vandaag vraagt de kerk van haar leden dat zij publiek instemmen met haar belijdenis. Het is een onderdeel van het colloquium. Eerst wordt artikel X van de kerkorde, dat spreekt van het belijden van de kerk, voorgelezen. De kandi-daat tot de heilige dienst verklaart eerst mondeling en daarna schriftelijk dat hij Christus Jezus zal verkondigen in de weg van het belijden van de kerk.
Als u persoonlijk geloofsbelijdenis aflegt, bevestigt u dat niet met een handtekening. Maar u spreekt wel publiek voor Gods aangezicht uit dat u het geloof belijdt in dankbare gehoor-zaamheid aan de Schrift en in "gemeenschap met de belijdenis der vaderen" .
Bij de doop van onze kinderen is dat niet anders. Aangezien onze kleinen nog niet in staat zijn om persoonlijk het ja-woord te geven dat behoort bij het lidmaatschap van de kerk, spreken de ouders dit uit op de vraag: "Of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament, en in de artikelen van het christelijke geloof is begrepen, en in de christelijke kerk alhier geleerd wordt, niet belijdt de waarachtige en volkomen leer van de zaligheid te wezen?" Om het woordje "alhier" is in de geschiedenis veel te doen geweest. Op de klank af lijkt het alsof het gaat over de leer van de plaatselijke gemeente. Remonstranten hebben in het verleden geprobeerd deze uitdrukking te laten slaan op de leer van de heilige doop zoals deze in het doopformulier wordt verwoord. De uitleg is echter dat het hier in aanvulling op de twaalf artikelen van het christelijke geloof gaat om de gereformeerde leer van de kerk. Daarvan spreekt men uit dat dit de waarachtige en volkomen leer van de zaligheid is.
Thans is de leer van de Nederlandse Hervormde Kerk gereformeerd. Onze kerk is niet puur gereformeerd, er zitten allerlei haken en ogen aan de manier waarop onze kerkorde met de belijdenis omgaat, maar nochtans is het waar dat we "ja" zeggen op de gereformeerde leer. We hebben geen enkele gewetensnood als we onze instemming betuigen met de twaalf artikelen, de geloofsbelijdenis van Nicea, de geloofsbelijdenis van Athanasius, de Heidelberg-se Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Dordtse Leerregels en de Catechismus van Genève.
Straks wordt dat anders. Volgens de papieren van de nieuwe kerk is het onmogelijk om voluit gereformeerd te zijn. Men kan alleen nog onverkort gereformeerd zijn bij de gratie van de tolerantie.
De Augsburgse Confessie
We zullen eerst de onveranderde Augsburgse Confessie in de nieuwe grondslag van kerk onder de loep nemen. Er zijn van de belijdenis veel dingen te zeggen. In de eerste plaats staan hierin prachtige dingen over de rechtvaardiging door het geloof, de vrijheid van het geweten en het afwijzen van onschriftuurlijke tradities. Het is ook een verademing dat er afstand wordt genomen van de opvatting dat Christus elke keer in de mis wordt geofferd. In de tweede plaats merken we op dat er veel zaken in staan waar we op zichzelf "ja" op kunnen zeggen, maar die ook op een roomse manier kunnen worden uitgelegd. De roomse ambtsvisie wordt niet afgewezen. De paus kan blijven functioneren, evenals de apostolische successie. Me-lanchton schrijft ook met zoveel woorden dat het grootste deel van de roomse ceremonieën (zoals kaarsen, misgewaden, het opheffen van brood) in stand is gebleven. In de derde plaats zijn er elementen waar we echt "neen" tegen moeten zeggen:
a. De praktijk van de biecht. Voor elke bediening van de mis moet men de biecht gebruiken. De absolutie hangt weliswaar niet af van het opnoemen van alle zonden, maar toch kan men niet buiten dit kerkelijke gebruik.
b. De opvatting over de sacramenten. We lezen dat ze het geloof bewerkstelligen, terwijl de gereformeerde overtuiging altijd is geweest dat sacramenten het geloof niet werken doch alleen versterken. In reactie op de wederdopers wordt de noodzaak van de doop dermate benadrukt dat we niet anders kunnen concluderen dan dat een ongedoopte gestorven zuigeling niet behouden kan zijn. In het altijd al omstreden artikel 10 staat over het avondmaal dat Christus hierin waarlijk aanwezig is. Wij geloven dat Christus door Zijn Geest aanwezig is, maar deze uitspraak dient echter meer rooms en luthers te worden uitgelegd. Deze tradities benadrukken de lichamelijke aanwezigheid van Christus in het avondmaal, waardoor ook ongelovige avondmaalgangers werkelijk Christus' lichaam zouden ontvangen. In de veran-derde versie van 1540 is deze paragraaf in calvinistische zin gewijzigd. Maar in de voorstellen voor de nieuwe kerk staat de onveranderde versie!
c. De genadeleer. Melanchton beweegt zich op dit punt niet in de lijn van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de latere Dordtse Leerregels. Hij zet zich af tegen doperse misbruiken van de verkiezingsleer en het geloof in de volharding. Het gevolg is echter dat hij zo door-slaat dat de leer van de verkiezing, de onweerstaanbare genade en de volharding der heiligen op losse schroeven komen te staan. De volstrektheid van Gods genade is hier in het geding. De aanvaarding van de Augsburgse Confessie betekent uiteindelijk niet dat we de gerefor-meerde leer meenemen in de nieuwe kerk, maar dat we de Dordtse Leerregels ondergraven en ontkrachten. Zoals de kracht van een ketting wordt bepaald door de zwakste schakel, zo wordt de waarde van de belijdenis bepaald door de zwakste onderdelen.
De Dordtse Leerregels geven God en Zijn Geest de juiste eer: "In de wil stort Hij nieuw hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die weerspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbren-gen." De Dordtse Leerregels staan in de katholieke traditie van Augustinus die Pelagius bestreed en van Luther die het opnam tegen de vrije wil van Erasmus. De Augsburgse Con-fessie doet tekort aan de verkiezing van de Vader, de voorbede van de Zoon en de inwoning van de Heilige Geest en zij doorbreekt daarmee de katholieke lijn.
In de Augsburgse Confessie wordt de rechtvaardiging van de zondaar alleen door het geloof beleden. Maar het is echter de vraag of dit centrale leerstuk kan worden gehandhaafd als de leer van verkiezing, volharding en onweerstaanbare genade worden ondergraven. Deze aspecten in de geloofsleer zijn niet van elkaar te isoleren. Als het 'Sola Gratia' in de genade-leer wordt ondergraven, kan het in de rechtvaardiging niet overeind blijven. Omwille van het beslissende geloofsartikel van de rechtvaardiging hebben de Dordtse theologen geijverd voor de genadeleer.
Als wij "ja" zeggen op de belijdenis van onze kerk, willen we dat ook zonder voorbehoud menen. Dan betekent dat dat we hartelijke geestelijke gemeenschap met deze leer hebben. Als vrijzinnigen het woord "gemeenschap met de belijdenis" altijd rekbaar hebben uitgelegd, willen wij deze methode niet gebruiken om ons geweten te stillen.
Barmen en Leuenberg
De Augsburgse Confessie staat in het belijdenis-artikel van de grondslag. Er is een apart artikel waarin twee geschriften worden genoemd. In de eerste plaats erkent de kerk de beteke-nis van de theologische verklaring van Barmen voor het belijden in het heden. Blijkbaar dient Barmen ons belijden van vandaag te beïnvloeden. In feite wordt hiermee de barthiaanse algemene verzoeningsleer in de kerk gehaald.
Naast de verklaring van Barmen wordt de Konkordie van Leuenberg genoemd. Over de niet-acceptabele inhoud hiervan bestaat onder mensen met een gereformeerde overtuiging grote overeenstemming. Er staat ronduit in dat er geen sprake kan zijn van verwerping van bepaalde mensen of een volk. De persoonlijke verkiezing tot zaligheid blijft achterwege. Dit betekent een andere Godsleer en een andere visie op Christus en Zijn werk. Over de klassieke kernen van het christelijk geloof (zoals de godheid van Christus, de verzoening, de onweerstaanbare werking van de Heilige Geest en de noodzaak van persoonlijke bekering) spreekt dit stuk met vage woorden. Dan kan het ook niet anders of hetzelfde geldt voor de leer van het avondmaal, waarin al deze noties samenkomen. De radicaliteit van de zonde ontbreekt evenals de radica-liteit van de rechtvaardiging van de goddeloze. Het geschrift is vaag over de heiligheid en de toorn van God. Bovendien ontbreekt de onvoorwaardelijke erkenning van het gezag van de Schrift.
Er is echter wel verschil van mening over de betekenis van deze Konkordie in de kerkorde. Ze staat in een apart lid van het eerste artikel van de nieuwe kerk. Ze valt niet onder de belijdenisgeschriften. Sommigen menen dat ze derhalve het belijden van de kerk niet raakt en "ook geen betekenis meer heeft." Wat moeten wij hiervan denken? In de Konkordie staan goede dingen als het gaat over het interkerkelijk contact. Als de Konkordie uitspreekt dat de verbindende kracht van de belijdenissen in de deelnemende kerken blijft bestaan, is dat veelbelovend. Als de aanvaarding van de Konkordie verplicht om tot verdere onderlinge gesprekken over de leer te komen, heeft dat onze instemming.
Tegen deze opmerkingen in de Konkordie maken wij geen bezwaar. We zouden dergelijke uitdrukkingen graag zonder Konkordie in onze grondslag opnemen. Maar de Konkordie gaat veel verder. Ik maak een paar kritische kanttekeningen. In de eerste plaats staat ze niet in de ordinanties, maar nog altijd in het grondslagartikel van de nieuwe kerk. Dat geeft al aan dat de inhoud niet vrijblijvend is. In de tweede plaats erkent ze de bestaande belijdenisgeschriften, maar tegelijkertijd doet ze uitspraken over deze geschriften. Er staan meermalen uitspraken van de volgende strekking: "Waar zodanige overeenstemming tussen kerken bestaat, raken de verwerpingen in de reformatorische belijdenissen de huidige stand van de leer dezer kerken niet meer." Als ze beweert dat de veroordelingen van standpunten niet meer geldig zijn, wat blijft er dan nog over van binding aan de belijdenis? Als we losse delen uit de confessie ongeldig verklaren, tasten we de structuur van het gehele geschrift aan en ontnemen we dat haar kracht. Aanvaarding van de Leuenberger Konkordie raakt dus wel degelijk het gezag van de belijdenisgeschriften. In plaats van de verwerping in de belijdenis komt nu de verwerping door de Konkordie. In de derde plaats staat er met zoveel woorden in dat dit geschrift wel bindend is voor de kerkordelijke regelingen van de afzonderlijke kerken. In de vierde plaats lijkt de bestaande belijdenis te worden gerelativeerd. Er staat dat de kerken hebben "geleerd het fundamentele getuigenis van de belijdenissen der reformatie te onderscheiden van hun denkvormen, die historisch bepaald zijn." Ik lees daarin dat vorm en inhoud van de belijde-nis dienen te worden onderscheiden. Het is niet moeilijk te bedenken dat met deze benadering de inhoud kan worden wegverklaard en er een heel vage strekking overblijft. Immers, wie bepaalt wat fundamenteel is en wat historische vormgeving is? In de vijfde plaats vraag ik mij af waarom de verwerpingen in de reformatorische belijdenisgeschriften de huidige stand van de theologie niet meer raken. Dit lijkt een uitspraak te zijn vanuit de moderne theologische inzichten. In de zesde plaats staat er in deze Konkordie dat de verhouding van de kerken zich sinds de tijd van de Reformatie heeft gewijzigd. Zijn de verschillen in de belijdenis dan niet meer relevant? Waarom niet? Wie bepaalt dat de verschillen niet meer actueel zijn? Welke norm is daarvoor? Ten zevende lezen we in deze Konkordie dat de deelnemende kerken zich in hun getuigenis en dienst door de overeenstemming laten leiden. Daarmee werpt dit ge-schrift zich op als een leidraad en neemt het toch de plaats in van de belijdenisgeschriften van de diverse kerken. De vraag is gewettigd of de Leuenberger op deze wijze zelfs geen hoger gezag ontvangt dan de belijdenisgeschriften. In feite vindt er in dit geschrift een belijdende handeling plaats. Ten achtste: hoe zit het met het feit dat de Leuenberger verschillende belijdenisgeschriften tegenspreekt? Wat geldt dan? De Konkordie of de belijdenis? "Feitelijk worden door het onderschrijven van de Konkordie bepaalde passages uit de belijdenisge-schriften opgeheven of op z'n minst afgezwakt." Ten slotte moeten we concluderen dat de Leuenberger geen vrijblijvend geschrift is, maar opgevat dient te worden als de leesregel voor de belijdenis. Dit hangt niet af van de formule waarmee ze in de grondslag is geplaatst, maar ze is dit door haar inhoud. Ze oefent invloed uit buiten het haar toegewezen domein. Het is geen neutraal geschrift. We kunnen ons wel vinden in de verklaring van de KOA dat deze Konkordie "een zekere confessionele status" heeft. Het is een virus dat niet in de computerbe-standen van de belijdenis actief is, dat lange tijd werkeloos blijft, maar onverwachts in werking komt en deze belijdenisbestanden grondig aantast.
d. Het SoW-proces is niet aanvaardbaar
We komen tot een conclusie ten aanzien van onze bezwaren tegen het SoW-proces. We spreken onze diepste zorg uit omtrent de gang van zaken: Wij zijn zo bang dat het beginsel van deze nieuwe kerk niet uit God is. Ze snijdt de band met het voorgeslacht door. Ze is niet meer de kerk der vaderen die God in ons midden heeft geplant. De belijdenis van Gods waarheid wordt ondermijnd en de weg waarin de HEERE Zijn verbondstrouw zoveel eeuwen heeft bewezen, wordt verlaten.
De wortels van onze kerk kenmerken zich door een intense betrokkenheid op de waarheid van Gods Woord. Men heeft goed en bloed voor de belijdenis ervan over gehad. Onze staat is voor een belangrijk deel ontstaan uit de worsteling voor de gewetensvrijheid van het calvinistische geloof. De gereformeerde belijdenis heeft meer dan vier eeuwen de identiteit van onze vaderlandse kerk bepaald. In de vorige eeuw heeft de Heere mannen gegeven die staande zijn gebleven op het fundament van deze leer. De HEERE heeft er Zijn zegen aan gegeven. Hij heeft bewaring gegeven in de geweldige stormen van 1834 en 1886. Er is herstel gekomen. Met alle zorgen en problemen in onze kerk mogen we toch zeggen dat de Koning van de kerk ons tot hiertoe heeft geholpen.
In deze kerk werden wij geboren of we zijn erin (terug) geleid. In deze kerk hebben we ons "ja" gegeven in de geloofsbelijdenis, bij de doop van onze kinderen of de aanvaarding van het ambt. Voor deze kerk is er liefde in ons hart geboren. Voor deze kerk hebben wij geloof en gebed. Deze geestelijke betrokkenheid kunnen wij niet zomaar overplanten op een nieuw soort kerk die op alle mogelijke manieren een breuk met deze vaderlandse kerk betekent.
De vraag is niet alleen of we dit kunnen, maar ook of we dit mogen. Mogen wij vandaag een weg gaan die van dit beginsel en deze geschiedenis afwijkt? Mogen we dan het alleenrecht van de gereformeerde belijdenis prijsgeven? Mogen we de schare voor de komende generaties de koers laten varen die wordt aangegeven door de nieuwe papieren van de kerk? Mogen we een geschiedenis van Gods trouw van meer dan vier eeuwen opgeven? Mogen we zonder schuldbelijdenis breuken herstellen? Mogen we een eenheid zoeken, waarbij onze eigen broeders nog meer van ons vervreemden? Is hier zegen van te verwachten voor onze kerk en voor ons volk? Is het niet onze roeping om te blijven bij de beginselen van de belijdenis van Gods Woord en de daaraan verbonden verbondstrouw van de Heere?
We zijn als hervormd-gereformeerden geen mensen die alles per se bij het oude willen houden. We zijn evenmin haters van gereformeerde of lutherse mensen. We zijn geen bestrij-ders van kerkelijke eenheid; we zijn bereid om constructief mee te denken. We zijn er niet op uit om los te komen van onze synode. We verabsoluteren de Nederlandse Hervormde Kerk evenmin. We zien haar als een openbaring van het lichaam van Christus. We hebben evenmin de breedte van de kerk afgeschreven. Integendeel. We hebben de breedte van de kerk lief en we weten ons één met haar verval en schuld. Juist daarom zouden we het verschrikkelijk vinden als het SoW-proces in haar huidige vorm doorgang zou vinden; een zwarte bladzijde in ons levensboek.
We zien de nieuwe SoW-kerk niet als een valse kerk, maar we kunnen niet zien dat haar beginselen uit God zijn. We ontkennen niet dat er in de SoW-kerk gelovigen zullen zijn en dat men er op een gelovige manier in kan staan, maar de zaak zelf, de SoW-kerk als zodanig, is voor ons geen zaak van geloof. Hier ligt ons diepste bezwaar. Wij menen bescheiden en beslist dat wij beginselen van Gods Woord verzaken en ontrouw zijn aan onze Meester als wij onze instemming aan de nieuwe kerk geven. Toen onze kerk in het verleden "neen" heeft gezegd tegen de onveranderde Augsburgse Confessie menen we dat dat leiding is geweest van de Geest der waarheid. We durven dat spoor niet te verlaten. Dezelfde Geest heeft onder-scheiding der geesten gegeven in de vorige eeuw. Men meende toen "neen" te moeten zeggen tegen de Doleantie. We zien tussen SoW en de Doleantie een overeenkomst in ongeestelijke wortels en menselijk activisme. Het lijkt soms wel alsof de kerk op een bedrijfsmatige wijze fuseert. Vreselijk! In de Doleantie was er een krachtig herstel van de gereformeerde belijde-nis. Maar men had geen oog voor de geschiedenis van Gods verbond. Maar in de SoW-kerk breken we met beide. Toen scheidde zich een groepering binnen de kerk af, maar nu scheidt de kerk als geheel zich van haar wortels af. Dat maakt dit proces veel ingrijpender en inge-wikkelder dan de Doleantie. Het is erger en niemand kan zich er gemakkelijk aan onttrekken. De bezwaren tegen deze nieuwe afscheiding zijn echter onverminderd van kracht. Derhalve kunnen wij niet mee in de nieuwe kerk. Wij kunnen niet weg uit de kerk die de Koning van de kerk in ons land plantte. Wij wensen te blijven bij haar belijdenis en bij haar geschiedenis, en bovenal bij haar God.
3. Onze roeping voor de toekomst
In de verlegenheid van de huidige kerkelijke malaise horen we vele stemmen. De één beweert dat de nieuwe belijdenisgeschriften de gereformeerde belijdenis niet tegenspreken, zodat er eigenlijk geen sprake is van een plurale kerk. Een tweede beweert heel pragmatisch dat er in de praktijk van het gemeenteleven toch niets verandert. Een derde hoopt dat alles nog meevalt of dat er een wonder gebeurt. Een vierde meent dat katholiek besef een relativering van de gereformeerde leer inhoudt. Een ander erkent de problemen van de nieuwe grondslag, maar ziet geen alternatief. Een volgende accepteert de nieuwe grondslag om zich vervolgens in te zetten om de kerk terug te winnen voor de gereformeerde religie. Een zevende meent dat het best mogelijk is om bij de erkenning van de grondslag van de kerk een stilzwijgend voorbehoud te maken. Weer een ander zal zich duidelijk uitspreken voor zijn gereformeerde overtuiging en wacht af of hij in de nieuwe kerk ondanks de grondslag wordt getolereerd. Een negende zal vanuit de consequente gedachte dat SoW een doleantie is geen bezwaar maken tegen de fusie en ziet de contouren van een oud-hervormde kerk reeds voor zich.
Als Comité tot behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk hebben we geen programma's. We hebben wel een overtuiging. We menen dat een meerderheid in de synode niet het recht heeft om de kerk van haar geestelijke, historische en theologische wortels los te maken. We onderschrijven de Open Brief die ca. 350 predikanten in januari 1996 aan onze synode stuurden: "Om Gods wil en om des gewetens wil kunnen wij de Nederlandse Hervormde Kerk niet prijsgeven voor een gefuseerde kerk zoals die wordt voorgestaan." Het gaat voor ons niet om middelmatige dingen. We menen dat we ons geweten niet mogen binden aan de onveranderde Augsburgse Confessie, zowel om haar inhoud als om het meerdere licht dat de Heere in de gereformeerde belijdenis heeft gegeven en waaruit hij onze kerk deed geboren worden. Wij herkennen deze belijdenis niet als een uitdrukking van ons geloof en erkennen hierin geen bindende norm voor de uitleg van de Schrift. Wij hebben niet alleen grote, maar onoverkomelijke bezwaren tegen diverse onschriftuurlijke elementen in deze belijdenis. We kunnen hierop nooit op dezelfde manier "ja" zeggen zoals ondanks alles op de huidige belijdenis. Hoe hoog de kerkelijke crisis ook op mag lopen, wij hopen door Gods genade te volharden in de leer waarop bij onze kinderdoop, onze belijdenis en onze ambtsaanvaarding "ja" is gezegd. We hebben als onder ede beloofd getrouw te zijn "in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk." Daarbij willen we dan ook blijven. Zoals de weduwe in de gelijkenis bij de onrechtvaardige rechter bleef aanhouden om recht, zo wensen wij bij de synode te blijven aanhouden om het alleenrecht van de gereformeerde belijdenis op de hele kerk. We weten niet wat de consequenties van dit standpunt zijn. Dat hoeven we ook niet te weten. We geloven dat we onze roeping voor het heden dienen te verstaan en dat de HEERE in de toekomst op Zijn tijd en Zijn wijze de weg doet oplichten.
Een woord tot de synode van onze kerk. We erkennen dat onze kerk een ruïne gelijk is. Nochtans geloven wij dat reformatie en reveil de weg zijn tot haar herstel en niet het bouwen van een modern gebouw op een nieuw fundament. We menen in bescheidenheid en beslist-heid dat SoW geen weg van de Koning van de kerk is. We willen nadrukkelijk verklaren dat we niet uit zijn op scheurmakerij en extremisme. We hebben geen enkele behoefte om u ontrouw te willen zijn.
We verzoeken u dringend geen beslissingen te nemen die strijden met de identiteit van onze kerk, haar grondslag en haar kerkorde. Wij kunnen op geen enkele wijze inzien dat de aan-vaarding van de nieuwe grondslag nodig is om een openbaring te zijn van de algemeen christelijke kerk. Indien de nieuwe belijdenisgeschriften van geringe betekenis zijn, waarom zou u deze koste wat kost handhaven? En als het niet strikt nodig is om de huidige grondslag te wijzigen, waarom zou u uw eigen leden in gewetensnood brengen door hen hieraan te verbinden? Dit strijdt niet alleen tegen de persoonlijke zorg voor de betreffende leden, maar dit is ook strijdig met het historisch karakter van onze kerk die is geworteld in de duur betaalde vrijheid om God te dienen naar het eigen geweten.
Onze Nederlandse Hervormde Kerk is als kerk één lichaam met één geschiedenis, één ziel en één geloof. We kunnen de kerk niet zien als een bedrijf waarvan onderdelen kunnen worden afgestoten. Het besef dat de kerk het geestelijk lichaam van de Heere Jezus Christus is, zal ook op synodaal niveau de gewenste grondhouding geven.
U hebt als kerk van ons gevraagd om ons te verbinden aan de huidige grondslag. We hebben daarop ons "ja' gegeven. We hebben dat gemeend. Meent u nu werkelijk dat u de kerkordelij-ke basis voor dit "ja" wilt ontkrachten? Dat kan toch niet waar zijn. U mag en kunt de inhoud van ons geloof niet door een kerkordewijziging veranderen.
We zeggen deze dingen niet gemakkelijk. Grote huiver vervult ons. Ondanks het verval dat wij in de kerk zien, is dat voor ons geen reden om ons niet één met haar te weten. Wij hebben de schare lief. De leer van de rechtvaardiging van de zondaar geeft ons de theologische grond om in een vervallen kerk het Woord van God te verkondigen. Wij kunnen echter nimmer de zonde rechtvaardigen, ons geweten forceren of Gods trouw verloochenen.
Een woord tot ambtsdragers in onze kerk. U hebt een geweldige verantwoordelijkheid in de regering van de kerk. Beslissingen vallen niet bij besturen of synoden, maar in de plaatselij-ke gemeente. U hebt de roeping om synodale besluiten te toetsen aan Gods Woord. Op uw schouders rust de eerste verantwoordelijkheid voor de weg die de gemeente in uw woonplaats gaat. Kijk niet naar een bond, een comité, een meerderheid, een predikant of een vereniging, maar realiseer u dat u handelt namens de Koning van de kerk.
Ambtsbroeders in het wonderlijke ambt van dienaar van het Woord. Ons ambt is niet van onszelf, maar van Christus. De Heere vraagt van ons geen succes, maar wel eenvoudige getrouwheid in de verkondiging van Zijn Woord. De tijden veranderen, maar Gods waarheid overstijgt de tijden. Onze ambtelijke roeping houdt echter niet alleen in dat we ons inzetten om plaatselijk te preken, te catechetiseren en de zieken te bezoeken, maar wij hebben de roeping het herstel en de bloei van de hele kerk te zoeken. Laten we ons bekommeren om beginselen en niet om onszelf.
Een woord tot allen die in het ambt aller gelovigen staan. Wat de roomse kerk heeft voorbe-houden aan de bijzondere ambtsdragers, heeft de kerk van de Reformatie verklaard een zaak te zijn van de gemeente. U wordt door het bijzondere ambt niet monddood gemaakt, maar u bent ook voor het geheel van de gemeente verantwoordelijk. Onderzoek uzelf op de diepste motieven van uw overtuiging en houding. Laat u niet leiden door angst voor ongezonde SoW-kritiek of reactie op extreem denken. Volg niet te gemakkelijk deze of gene meerderheid, maar toets de besluiten aan het Woord van God.
Maak uw kerkelijk standpunt niet tot een deel van de waarheid. Meen niet dat u alleen de waarheid bezit of dat uw kring de enige openbaring is van Christus' kerk. Hiermee komt u op de weg van de sekte. Wees ervan doordrongen dat rechtzinnigheid ons niet beschermt tegen afval.
Zie op de Koning van de kerk. Neem Christus weg, dan is de kerk weg. Het is de levende Christus aan de rechterhand van Zijn Vader Die voor Zijn kerk zorg draagt. We hoeven niet krampachtig te leven of te menen dat de vaderlandse kerk van onze inzet afhangt. Zal Hij Die uit de dood is opgestaan, Die over alle machten heeft getriomfeerd, niet bij machte zijn om Zelf voor Zijn erfdeel in ons land te zorgen? Er liggen nog zoveel gebeden voor Gods troon voor de Nederlandse Hervormde Kerk. Ik kan niet geloven dat de Heere met deze kerk klaar is, omdat het Zijn werk is. Het kan wel door het oordeel heengaan, maar Hij is getrouw. Zolang er gebeden zijn, is er hoop.
Overreken de kosten van uw kerkelijk beginsel. Het is veel gemakkelijker om in te stemmen met de meerderheid. Wie gewoon gereformeerd wil zijn, loopt het gevaar dopers te worden genoemd. Wie gewoon hervormd wil zijn, kan afscheiding worden verweten. Wie gewoon trouw wil zijn aan zijn eenmaal gegeven ja-woord in de Nederlandse Hervormde Kerk, kan worden gezien als iemand die ontrouw is aan de kerk. Wie de Dordtse Leerregels onopgeef-baar acht, omdat alleen door de belijdenis van de verkiezing en de volharding der heiligen de rechtvaardiging door het geloof kan worden gehandhaafd, kan te verstaan worden gegeven dat hij de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze niet heeft begrepen. Men zal u vereenzel-vigen met de predikanten Dee, Kort en Van der Sleen. Velen zullen u niet begrijpen. Waak tegen moedeloosheid en verbittering. Werpt al uw bekommernis op Hem.
U kunt geweldig worden aangevochten omdat geestelijke broeders oprecht menen dat we de nieuwe kerkorde dienen te accepteren. U kunt ertoe worden verleid om over de kerk op een pragmatische wijze te gaan denken. Het geloof ziet af van omstandigheden en vest op prinsen geen vertrouwen, maar gaat in gelovige gehoorzaamheid de weg van Gods Woord. Daarbij is het voortdurend nodig dat wij onszelf onderzoeken bij het licht van datzelfde Woord, met de bede: "Zie of er bij mij een schadelijke weg zij".
De grootste problemen aangaande de nieuwe kerk liggen niet bij de synode, maar bij onszelf. Verootmoedig u voor de Heere over uw persoonlijke en onze kerkelijke zonden. We zijn allen afgeweken en samen stinkende geworden. We hebben niets om ons op te verheffen of een ander te beschuldigen. Wij hebben in gemeenschap met onze vaderen gezondigd. Wij zijn lauw geweest in de belijdenis van Zijn waarheid en wij waren zelfgenoegzaam. Wij waren tevreden met een plekje voor onszelf en hebben geen of te weinig zorg gedragen om het hele lichaam van de Nederlandse Hervormde Kerk. Bovendien zijn we mede verantwoordelijk voor de hoofdzaken van het handelen van onze kerk. Wij kunnen ons aan de huidige zonden van onze kerk niet onttrekken.
Wees niet tevreden als u plaatselijk een bijbelse prediking hoort. Wees niet tevreden als u persoonlijk zielevoedsel ontvangt. Dit is een gebrek aan gemeenschap der heiligen. Persoon-lijk geestelijk leven kan alleen tot bloei komen in de gemeenschap met Gods kerk van alle tijden en plaatsen. Wees betrokken bij de zorgen van anderen en draag de volle breedte van de kerk op uw hart.
Wees ootmoedig en standvastig, voorzichtig en eerlijk, bescheiden en beslist. Maak onder-scheid tussen personen en zaken. Tast niemands geestelijke oprechtheid aan, maar belijd oprecht de waarheid. Wandel door de Geest. Laat uw gebeden niet verslappen. Wees u ervan bewust dat u goede beginselen kunt huldigen op een vleselijke wijze. Het is een verzoeking om op de ongeestelijke processen zelf ook op een ongeestelijke wijze te reageren. Strijd niet voor uzelf, noch uit uzelf. Laat het gaan om het Hoofd van de kerk en Zijn lichaam. Leef uit de belijdenis van onze kerk. Wandel waardig het evangelie.
Onze zorg om de kerk is de zorg voor de komende generaties. Voor hen zijn wij zo bezorgd over de koers van de kerk volgens haar papieren. IJver voor herstel van de kerk dient derhalve samen te gaan met herstel van de gezinnen. Laten we getrouw zijn in de huisgodsdiensten. Laat ons bidden in onze gezinnen om een reformatie en een opleving van de kerk. Laten we spreken met onze kleinen over de grote dingen van Gods koninkrijk. Laten we hen de grote daden van God in onze geschiedenis bijbrengen. Laten we onze kinderen de beginselen van Gods Woord, zoals deze in onze belijdenis zijn verwoord, reeds vroeg inplanten. Opdat de komende generatie geworteld zal zijn in het getuigenis van het evangelie. Laten we onze kinderen voorleven in de tere vreze van de Heere. Laat ons bidden dat de huidige kerkelijke verwarring evenals in voorgaande tijden leidt tot een bestudering van de leer van de kerk, een opleving van het geestelijk leven van de kerk en een reformatie van de structuren van de kerk,
Soli Deo Gloria